Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200901234/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [verzoeker] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901234/2/H3.

Datum uitspraak: 13 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 januari 2009 in zaak nr. 08/4989 in het geding tussen:

verzoeker

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [verzoeker] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft CBR het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, hoger beroep ingesteld en de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek van [verzoeker] strekt tot schorsing van de besluiten van 27 mei 2008 en 13 juli 2007 totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

2.3. Volgens [verzoeker] heeft het CBR hem ten onrechte de verplichting tot deelname aan een EMA opgelegd. Hij bestrijdt onder meer de resultaten van een ademanalyse in 2003, nu hem destijds niet de mogelijkheid van een tegenonderzoek is geboden hoewel hij daarom had verzocht. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad stelt [verzoeker] dat deze ademanalyse om die reden niet als onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 mag worden aangemerkt. Het CBR heeft de resultaten van deze ademanalyse derhalve ten onrechte aan haar in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd, aldus [verzoeker].

2.3.1. De voorzitter stelt vast dat de door [verzoeker] opgeworpen vragen een inhoudelijke beoordeling vergen waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich minder goed leent. Beantwoording van deze vragen zal derhalve in de bodemprocedure dienen te geschieden.

2.3.2. Tegenover het belang van [verzoeker] bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening, is niet gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van het CBR die zich er tegen verzetten dat de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure wordt afgewacht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het primaire besluit reeds dateert van 13 juli 2007. Aan de stelling van het CBR dat niet met de opgelegde EMA kan worden gewacht omdat het in het belang van de verkeersveiligheid is om personen aan wie een EMA is opgelegd hiervoor zo spoedig mogelijk op te roepen, kan in dit geval daarom geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het CBR dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 27 mei 2008, kenmerk 2007007290/CW, en het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 13 juli 2007, kenmerk 2007007290;

II. veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009

187-546.