Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6325

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200804149/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een erfafscheiding en een toegangspoort op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804149/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], [appellant B], [appellant C] en [appellant D],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 april 2008 in zaak nr. 07/2742 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een erfafscheiding en een toegangspoort op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college het door [appellant D] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, alsmede aan het besluit van 19 april 2007 de voorwaarde verbonden dat afschuining van de erfafscheiding tot één meter over een afstand van drie meter aan beide kanten van de erfafscheiding moet plaatsvinden.

Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op 7 mei 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar [appellant A], in persoon en bijgestaan door mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door L. Hofstede, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is het hoger beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant D], ingetrokken.

2.2. Het bouwplan voorziet in een open toegangspoort met een hoogte van 1,80 meter en een erfafscheiding van gaaswerk, welke in hoogte is beperkt tot maximaal 1,50 meter en naar het water afloopt tot 1,00 meter.

2.3. Vast staat dat voor het bouwplan een lichte bouwvergunning is vereist.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende dorpsvernieuwingsplan "Terherne" (hierna: het dorpsvernieuwingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatiewoningen".

Ingevolge artikel 31 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wordt een stadsvernieuwingsplan voor de toepassing van deze en andere wetten gelijkgesteld met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Artikel 1, tweede lid, van deze wet bepaalt, voor zover hier van belang, dat waar in deze wet wordt gesproken van stadsvernieuwing, voor zover van toepassing dorpsvernieuwing daar onder mede wordt begrepen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het dorpsvernieuwingsplan, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig bestemde gronden bestemd voor wonen en verblijfsrecreatie.

Artikel 10, tweede lid, omvat de beschrijving in hoofdlijnen. Ingevolge het bepaalde onder a, voorziet de bestemming in bestaande (recreatie) woningterreinen met bijbehorende ontsluiting, voorzieningen, terreininrichting en afschermende beplanting. De inrichting van de terreinen dient tenminste het huidige kwaliteitsniveau te behouden. (…)

Ingevolge artikel 10, derde lid, onder b, geldt ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat:

1. uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van de in het eerste lid omschreven doeleinden.

2. de bouwhoogte, met uitzondering van andere bouwwerken ten dienste van het verkeer, ten hoogste drie meter mag bedragen.

2.5. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellant A] e.a.) betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft verleend. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder a, tweede volzin, van de planvoorschriften dat de inrichting van de terreinen tenminste het huidige kwaliteitsniveau dient te behouden. Zij stellen in dit verband dat erfafscheidingen van natuurlijke aard beter passen binnen het bestaande karakter van het recreatiepark. Voorts voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen zij naar het dorpsvernieuwingsplan en een in de koopovereenkomst voor het perceel opgenomen kettingbeding.

2.5.1. Het betoog faalt. Artikel 10, tweede lid, onder a, tweede volzin, maakt deel uit van de beschrijving in hoofdlijnen. Deze beschrijving in hoofdlijnen is onvoldoende concreet en duidelijk geformuleerd om als rechtstreekse toetsingsnorm voor het bouwplan te functioneren. Hieraan kan dan ook geen zelfstandige betekenis worden toegekend naast de in artikel 10, derde lid, onder b, gestelde bebouwingseisen. Nu gesteld noch gebleken is dat het bouwplan in strijd is met artikel 10, derde lid, onder b, van de planvoorschriften, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet zich voordoet.

De welstandscommissie Hûs en Hiem (hierna: de welstandscommissie) heeft in het kader van de door [vergunninghouder] ingediende aanvraag om lichte bouwvergunning op 27 maart 2007 en 17 april 2007 adviezen uitgebracht. Het college mag, hoewel hij niet aan de welstandsadviezen is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, hieraan in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het dorpsvernieuwingsplan en het kettingbeding, waar [appellant A] e.a. naar verwijzen, kunnen - ook in onderlinge samenhang - niet worden beschouwd als welstandsadvies. Anders dan [appellant A] e.a. betogen, heeft de rechtbank derhalve terecht geoordeeld dat, nu [appellant A] e.a. geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd en niet is gebleken van gebreken aan de totstandkoming en de motivering van de door de welstandscommissie uitgebrachte adviezen, het college deze adviezen aan het besluit op bezwaar ten grondslag mocht leggen. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel d, van de Woningwet doet zich dan ook niet voor.

2.6. Gesteld noch gebleken is dat de overige weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, b en e, gelezen in samenhang met artikel 44, derde lid, van de Woningwet zich voordoen en er derhalve geen grond bestond om de vergunning te weigeren.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden.

2.6.1. [appellant A] e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, heeft kunnen doorbreken.

2.6.2. Ter zitting is komen vast te staan dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 september 2007 geen voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO gold. Niet in geschil is dat de overige gronden voor aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet zich niet voordoen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het college gehouden was de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning op grond van artikel 50, eerste lid, van de Woningwet aan te houden. Aan het betoog van [appellant A] e.a. dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanhoudingsplicht ten onrechte heeft doorbroken, wordt dan ook niet toegekomen.

2.7. Geconcludeerd wordt dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht heeft overwogen dat het college gehouden was de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

179-414-593.