Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200803958/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een vrijstaande woning gelegen op het perceel tussen [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/2715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803958/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 april 2008 in zaak nr. 07/1435 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een vrijstaande woning gelegen op het perceel tussen [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2008, verzonden op 21 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar [appellant], in persoon, en bijgestaan door mr. R.G.A. Wouters, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.J.L.M. Claus, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Cuijk 1998" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de hoofdbestemming "ALN, Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden". Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart is op het perceel als overige bestemming de aanduiding "Wb: woondoeleinden" ingetekend.

Op 4 augustus 2006 is een partiële herziening van het bestemmingsplan (hierna: de partiële herziening) in werking getreden, waarin onder meer nieuwe bouwvoorschriften voor gronden met de bestemming "Wb: woondoeleinden" zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 4.1 van de partiële herziening, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen in woningen, met de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 4.2.2. van de partiële herziening, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

a. het hoofdgebouw mag uitsluitend op de bestaande fundamenten worden gebouwd, dan wel binnen het bouwvlak voor zover op de plankaart aangegeven;

(…).

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat op de plankaart aan het perceel de bestemming "Wb: woondoeleinden" is toegekend. Voorts voert hij aan dat artikel 4.2.2. van de partiële herziening zinledig is, omdat volgens hem op geen enkel perceel van de plankaart een bouwvlak is ingetekend.

2.2.1. Op de plankaart is op het perceel de aanduiding "Wb: woondoeleinden" ingetekend. Reeds daarom voert [appellant] terecht aan dat op het perceel een woonbestemming rust. Het betoog leidt echter, gelet op het hierna volgende, niet tot het door [appellant] beoogde doel.

Ter zitting is komen vast te staan dat op het perceel geen bestaand fundament aanwezig is. Verder is komen vast te staan dat op diverse percelen van de plankaart bouwvlakken zijn ingetekend, zodat reeds daarom het betoog van [appellant] dat artikel 4.2.2. van de partiële herziening zinledig is, faalt. Anders dan [appellant] ter zitting heeft gesteld, zijn op de plankaart ook aan de Odiliadijk bouwvlakken ingetekend, zij het dat deze betrekking hebben op bedrijfswoningen. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat door het college was toegezegd dat de partiële herziening enkel betrekking zou hebben op het beperken van het bouwvolume en hij om die reden er op heeft vertrouwd dat bouwvergunning zou worden verleend, faalt het betoog, reeds omdat schending van het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot verlening van een bouwvergunning in strijd met de wet.

Nu de bebouwingsmogelijkheden voor het perceel zijn neergelegd in artikel 4.2.2., aanhef en onder a, van de partiële herziening en niet aan de vereisten in dit artikel wordt voldaan, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) had behoren te verlenen. Hiertoe voert hij aan dat het bouwplan past binnen de bestaande bebouwing aan de Odiliadijk.

2.3.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om geen vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

Aan het besluit tot weigering van de vrijstelling ligt ten grondslag dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk planologisch beleid, waarvan het uitgangspunt is het weren van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied.

Gelet op deze motivering, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid tot zijn weigering is kunnen komen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

179-414-593.