Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200809149/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2008, kenmerk 2008-63831, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) beslist op het bezwaar van onder meer de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer (hierna: de Stichting) tegen het besluit van het college van 18 juni 2008, waarbij aan het Ontwikkelingsbedrijf gemeente Amsterdam (hierna: het Ontwikkelingsbedrijf) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend voor de berging van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer, in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer".

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 39
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/19 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2010/484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809149/2/R2.

Datum uitspraak: 12 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer, gevestigd te Naarden,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2008, kenmerk 2008-63831, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) beslist op het bezwaar van onder meer de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer (hierna: de Stichting) tegen het besluit van het college van 18 juni 2008, waarbij aan het Ontwikkelingsbedrijf gemeente Amsterdam (hierna: het Ontwikkelingsbedrijf) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend voor de berging van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer, in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer".

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2009, heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 maart 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door [secretaris] van de Stichting, M. van den Breugel en mr. F. Boostra, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal en M. Doevendans, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het Ontwikkelingsbedrijf, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en bijgestaan door ing. H.J. Monen en ing. T. van der Bruggen, ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting is namens het Ontwikkelingsbedrijf betoogt dat het statutaire doel van de Stichting dermate veelomvattend is dat zij niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.

2.2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.2.2. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de Stichting ten doel: het behouden van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van het randmeer Gooimeer, gelegen tussen IJmeer en Eemmeer, het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. In territoriaal opzicht is de doelstelling van de Stichting derhalve beperkt tot het Gooimeer. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Stichting verklaard dat de Stichting in 2007 is opgericht om het storten van slib in het Gooimeer zo veel mogelijk te voorkomen, zoals ook reeds uit haar naam blijkt. Ten einde dit doel te bereiken verricht de Stichting, naar ter zitting is toegelicht, naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden, zoals onder meer het voeren van overleg over de gevolgen van slibstort in het Gooimeer met onder andere Rijkswaterstaat, Waternet en de vissers in dit gebied. Voorts blijkt uit de statuten dat de Stichting haar doel onder meer tracht te verwezenlijken door het optreden in rechte ten behoeve van derden, in alle gevallen waarin het belang van een derde samenvalt met dat van de Stichting. Gebleken is dat de Stichting dat ook feitelijk doet door organisaties en mensen te verenigen die in de nabijheid van het Gooimeer woonachtig zijn, dan wel daarin activiteiten uitoefenen of er mede van afhankelijk zijn. Derhalve kan worden gesproken van een Stichting die een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt.

2.2.3. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de Stichting door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De Stichting kan naar het oordeel van de voorzitter dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. Er bestaat in zoverre geen aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.3. De vergunning heeft betrekking op het storten en bergen van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer. De afstand van de stortlocatie tot het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer" bedraagt ongeveer 500 meter. De baggerspecie zal worden gestort in een voormalige zandwinput van 750 meter lang en 250 meter breed. In de voorschriften bij de vergunning is opgenomen dat de baggerspecie alleen mag worden gestort in de gedeelten dieper dan -18 m NAP.

2.4. Ter zitting is gebleken dat het Ontwikkelingsbedrijf, mede gezien de omstandigheid dat de vergunning per 1 juli 2009 zal verlopen, op korte termijn wil beginnen met de vergunde activiteiten. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.5. De voorzitter stelt voorop dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van alle bezwaren van de Stichting. Dit kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden. Thans zal op grond van de bezwaren van de Stichting worden beoordeeld of in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure aanleiding bestaat, gelet op de betrokken belangen, een ordemaatregel te treffen.

2.6. De Stichting betoogt dat de methode van storten, de weersomstandigheden en de stroming het onmogelijk maken voldoende controle te hebben op de vergunde activiteit. In dit verband brengt zij naar voren dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de eigenschappen van het meer en de eventuele significante effecten die het storten van de baggerspecie op het als speciale beschermingszone aangewezen gebied Gooimeer zal hebben. Voorts stelt de Stichting dat de baggerspecie die zal worden gestort dermate vervuild zal zijn dat dit schade aan zal richten aan de omgeving van de put en het grondwater.

2.7. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorwaarden of beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.8. Bij besluit van 18 november 1994 zijn het gebied Eemmeer en de ondiepe delen van het Gooimeer en het IJmeer inclusief oeverlanden aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Blijkens het aanwijzingsbesluit zijn deze gebieden van grote betekenis als fourageer-, rust- en ruigebied voor tal van watervogels, met name tijdens de najaarstrek en de winterperiode. De slikranden langs de kust zijn van belang als foerageergebied en slaapplaats voor doortrekkende steltlopers. De moerasvegetaties en wilgenstruwelen zijn van groot belang als broedgebied.

Daarnaast is voor het gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" een ontwerpbesluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied in procedure gebracht. Uit de toelichting bij dit ontwerpbesluit volgt dat de aanwijzing van het Eemmeer, Gooimeer en IJmeer als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn wordt gewijzigd, voor zover van toepassing op de deelgebieden Eemmeer en Gooimeer. Deze deelgebieden zullen samen het Natura 2000-gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" vormen. Het Natura 2000-gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" behoort tot het Natura 2000-landschap "Meren en Moerassen" en is onder meer van betekenis voor de vogelsoorten Kleine Zwaan, Nonnetje, Visdief, Aalscholver, Grauwe gans, Smient, Krakeend, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend en Meerkoet.

2.9. Ten behoeve van de onderhavige vergunning is door het Bureau Visser, natuur- en landschapsadvies, onderzoek verricht om te bezien of het storten en bergen van de baggerspecie zal leiden tot negatieve effecten op de natuurwaarden in de als speciale beschermingszone aangewezen gebieden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de "Natuurscan baggerstort Gooimeer" (hierna: Natuurscan). Hierbij is onder meer bezien in hoeverre de baggerspecie zich na het storten zal verspreiden in het oppervlaktewater. Mede op basis van het rapport "Het storten van specie in open putdepots, Rijkswaterstaat directie Noord-Holland 1999" en metingen die zijn verricht bij een stort met onderlossers in de Australiëhaven wordt geconcludeerd dat de stortwolk bij een relatief geringe waterstroming kleiner zal zijn dan 1%. Verspreiding van de in suspensie geraakte specie zal dan tot op ongeveer 70 meter van de stortplaats optreden en na enkele uren alsnog ter plaatse neerslaan. Volgens de Natuurscan kan in het Gooimeer, voortkomende uit de omstandigheid dat sprake is van een relatief klein open water en een geïsoleerde ligging, zowel weinig als veel stroming optreden afhankelijk van de windsterkte. In het door het college bij de beoordeling van de aanvraag gehanteerde rapport "Berging in zandwinputten: zo gek nog niet-De mogelijkheden en de huidige praktijk" wordt geconcludeerd dat bij een stroomsnelheid hoger dan 0,5 m/s de kans bestaat dat vertroebeling zich buiten de put verspreidt. Deze stroomsnelheid wordt gekoppeld aan windkracht 7 of hoger. In dit verband is ter zitting van de zijde van het Ontwikkelingsbedrijf toegezegd dat bij een windkracht hoger dan 5,0 geen stortwerkzaamheden zullen worden verricht. Tevens is, gelet op voornoemde bevindingen, in de vergunningvoorschriften opgenomen dat er tenminste 70 meter binnen de grenzen van de stortlocatie dient te worden gestort. In de Natuurscan wordt voorts geconcludeerd dat een stortwolk kleiner dan 1% in verhouding tot de autonome beweging en verspreiding van ongeveer 850.000 m³ slib per jaar verwaarloosbaar klein is en geen negatieve effecten zal hebben op de natuurwaarden in het als speciale beschermingzone aangewezen gebied. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht ziet de voorzitter, gelet op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende deskundigenrapporten, de afstand van de stortlocatie tot het natuurgebied en voornoemde toezegging van het Ontwikkelingsbedrijf, voorshands geen aanleiding aan deze conclusie te twijfelen. In zoverre bestaat geen aanleiding tot het treffen van een ordemaatregel.

2.10. Voorts is in de Natuurscan bezien in hoeverre de stort van de baggerspecie negatieve effecten zal hebben op de verschillende vogelsoorten waarvoor het gebied in het kader van de Vogelrichtlijn is aangewezen. Hierbij zijn in de eerste plaats de mogelijke effecten op riet- en oevervogels bezien. In de beoordeling van de aanvraag verwijst het college naar het rapport "Verstoringsgevoeligheid van vogels". In dit rapport zijn verstoringsafstanden vermeld. Uit het rapport kan worden opgemaakt dat bij de onderhavige activiteit in een zone van maximaal 300 meter rondom het schip verstoring kan optreden. Nu de stortlocatie op 500 meter van het natuurgebied is gelegen zal geen verstoring van riet- en oevervogels in dit gebied plaatsvinden, zo concludeert het college. In hetgeen de Stichting naar voren heeft gebracht ziet de voorzitter geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Daarnaast zijn de mogelijke effecten van de vergunde activiteiten op vogelsoorten die op basis van hun foerageergedrag afhankelijk zijn van putmilieus bezien. Van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied gebruiken de fuut, de aalscholver en het nonnetje diepe putten als foerageergebied. Mogelijke negatieve effecten kunnen optreden door verstoring van de voedselvoorziening doordat de habitat van vissen wordt vernietigd. Volgens de passende beoordeling zal een dergelijke habitatvernietiging in dit geval niet optreden, nu in de vergunningsvoorschriften is opgenomen dat de put minimaal 18 meter diep dient te blijven. De Stichting heeft dit niet gemotiveerd betwist.

De put zal tijdens de stortwerkzaamheden voor de vogels niet bereikbaar zijn als foerageergebied. De put ligt volgens de Natuurscan echter in een drukbevaren vaargeul. In deze vaargeul vinden jaarlijks 4000 vaarbewegingen plaats door de beroepsvaart en 30.000 vaarbewegingen door de pleziervaart. Ter zitting heeft het Ontwikkelingsbedrijf verklaard dat voor het storten van de baggerspecie maximaal vier schepen per dag zullen worden ingezet. De verstoring door het storten van de baggerspecie zal opgaan in de reeds bestaande verstoring, aldus het college. De Stichting heeft dit niet onderbouwd weerlegd. Gelet op het voorgaande en gezien de beperkte duur van de vergunde activiteiten ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen verstoring zal plaatsvinden van vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. In zoverre bestaat derhalve ook geen aanleiding voor het treffen van een ordemaatregel.

2.11. Ten aanzien van het betoog van de Stichting dat de te storten baggerspecie dermate vervuild zal zijn dat dit schade aan het grondwater en de omgeving zal toebrengen, overweegt de voorzitter als volgt. In de voorschriften bij de onderhavige vergunning is opgenomen dat de te storten baggerspecie uitsluitend mag bestaan uit baggerspecie in voormalige klasse 0,1 en 2. Baggerspecie met een dergelijke mate van verontreiniging is op basis van het Bouwstoffenbesluit aan te merken als schoon. Het adviesbureau Kuiper & Burger heeft onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de te storten baggerspecie en de analyse-resultaten getoetst aan het Bouwstoffenbesluit. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de baggerspecie op basis van deze regeling valt in genoemde klasse 0, 1 en 2 en derhalve is aan te merken als schoon. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college verklaard dat uit gegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat de putbodem is aan te merken als klasse 1. De voorzitter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Op 1 januari 2008 is het Besluit bodembescherming deels in werking getreden. Blijkens het verhandelde ter zitting zijn de analyse-resultaten van de baggerspecie tevens getoetst aan dit besluit. Op basis van het Besluit bodembescherming valt de te storten baggerspecie in klasse A. In het kader van dit besluit kon voor de vergunde activiteit worden volstaan met een melding. Ter zitting heeft het Ontwikkelingsbedrijf verklaard dat een dergelijke melding in juni 2008 is gedaan, waarna Rijkswaterstaat deze melding heeft bevestigd en toestemming heeft verleend voor het toepassen van de baggerspecie op de onderhavige locatie. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de te storten baggerspecie niet zodanig vervuild is dat dit schade aan de omgeving zal toebrengen, dan wel dat het grondwater hierdoor zal worden vervuild. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat volgens de Natuurscan en informatie van Rijkswaterstaat in de putbodem een isolerende onderlaag aanwezig is en dat voorts sprake is van een kwelsituatie, zodat het risico op verspreiding van stoffen uit de baggerspecie naar het grondwater zeer gering is.

2.12. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de betrokken belangen, ziet de voorzitter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Troost

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009

234-575.