Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200804850/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark (hierna: het dagelijks bestuur) de aanvraag van [wederpartij] om een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804850/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2008 in zaak nr. 07/2270 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark (hierna: het dagelijks bestuur) de aanvraag van [wederpartij] om een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 16 mei 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2007 vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2009, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.D. Gajadien, ambtenaar in dienst van het stadsdeel Westerpark, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling), zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

2.2. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat dit naar haar oordeel onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hiertoe overweegt de rechtbank, samengevat weergegeven, dat het medisch advies van de GGD waarop het in bezwaar gehandhaafde besluit steunt, onzorgvuldig moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit advies onvoldoende waarom [wederpartij] thans niet voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komt, terwijl hem die in 1996 en 2001 wel is verleend. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur ten onrechte geen afweging gemaakt tussen het belang gediend met het strikter dan voorheen toepassen van de regels met betrekking tot het toekennen van gehandicaptenparkeerkaarten en het belang van [wederpartij] bij behoud van de parkeerrechten waarover hij sinds 1996 beschikt, aldus de rechtbank.

2.3. Het dagelijks bestuur bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het medisch advies van de GGD onzorgvuldig moet worden geacht. De rechtbank heeft volgens het dagelijks bestuur ten onrechte overwogen dat de keurend arts de fysieke gesteldheid van [wederpartij] ten tijde van de keuring had moeten vergelijken met diens fysieke gesteldheid ten tijde van eerdere keuringen. Met die overweging heeft de rechtbank miskend dat voor beantwoording van de vraag of [wederpartij] voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komt, slechts zijn fysieke gesteldheid ten tijde van de naar aanleiding van zijn aanvraag uitgevoerde keuring van belang is, aldus het dagelijks bestuur.

Het dagelijks bestuur betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op hem in dit geval een verzwaarde motiveringsplicht rust omdat [wederpartij] reeds lange tijd over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt. Met die overweging gaat de rechtbank er volgens het dagelijks bestuur aan voorbij dat [wederpartij] slechts één keer eerder medisch is gekeurd, en wel in 1996. In 2001 is hem een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart verleend zonder dat opnieuw een medische keuring heeft plaatsgevonden. Nu de GGD naar aanleiding van de aanvraag van [wederpartij] in 2006 heeft vastgesteld dat zijn fysieke gesteldheid sinds 1996 is verbeterd en hij niet (langer) voldeed aan de criteria voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart, is zijn aanvraag volgens het dagelijks bestuur terecht afgewezen. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat die weigering niet mocht worden gemotiveerd met een verwijzing naar het medisch advies van de GGD, aldus het dagelijks bestuur.

2.3.1. Niet in geschil is dat de regels omtrent de verlening van een gehandicaptenparkeerkaart sinds de inwerkingtreding van de Regeling met ingang van 1 oktober 2001 strikter worden toegepast. De reden hiervoor is volgens het dagelijks bestuur gelegen in de toename van het aantal aanvragen om een gehandicaptenparkeerkaart en de toegenomen parkeerdruk in de stad. Zoals volgt uit de toelichting op de Regeling moet de gehandicapte die in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart, na afloop van de geldigheid daarvan een nieuwe aanvraag indienen en in beginsel een nieuwe medische keuring ondergaan.

2.3.2. Vaststaat dat [wederpartij] op 1 juli 1996 medisch is gekeurd door de GGD, waarbij is vastgesteld dat zijn geschatte loopafstand ongeveer 100 meter bedroeg. Op grond van deze vaststelling is [wederpartij] destijds een gehandicaptenparkeerkaart verleend, waarvan de geldigheidsduur in 2001 met vijf jaar is verlengd zonder dat een herkeuring heeft plaatsgevonden.

Naar aanleiding van zijn aanvraag van 12 juli 2006 om een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart, is [wederpartij] op 14 augustus 2006 medisch gekeurd door de GGD. Blijkens het door de arts opgestelde medisch advies van 22 augustus 2006 heeft de keuring plaatsgevonden conform het Protocol Gehandicaptenparkeervoorzieningen van de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen. Bij die keuring heeft de keurend arts de geschatte loopafstand op 500 meter gesteld. De arts is tot de geschatte loopafstand van [wederpartij] gekomen op basis van mondeling verstrekte gegevens, observatie van het looppatroon van [wederpartij], inzage in diens GGD-dossier, kennis van het betrokken ziektepatroon en door de huisarts van [wederpartij] verstrekte medische informatie, waaronder brieven van een neuroloog, een internist en een chirurg die [wederpartij] hebben behandeld.

In reactie op de door [wederpartij] ingediende zienswijze op het voornemen van het dagelijks bestuur de gehandicaptenparkeerkaart te weigeren, heeft de keurend arts schriftelijk een nadere toelichting op de gehanteerde keuringsmethode gegeven. Hij heeft in de zienswijze van [wederpartij] geen aanleiding gezien zijn medisch advies te herzien. Ook het aan de keurend arts ter beoordeling voorgelegde bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 17 oktober 2006 heeft niet tot wijziging van het medisch advies geleid.

2.3.3. Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het medisch advies van de GGD onzorgvuldig moet worden geacht. Geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de volledigheid of inhoudelijke juistheid van dit advies. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [wederpartij] geen enkele medische informatie heeft overgelegd die tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Aldus heeft hij niet gemotiveerd betwist dat de bevindingen van de keurend arts juist zijn en tegenover diens bevindingen geen andersluidend deskundigenrapport gesteld. Niet valt in te zien dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de keurend arts nader had moeten toelichten waarom de conclusie in het medisch advies van 22 augustus 2006 verschilt van die in het medisch advies van 1 juli 1996. Het dagelijks bestuur betoogt terecht dat ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling, voor beantwoording van de vraag of de aanvrager van een gehandicaptenparkeerkaart voor verlening hiervan in aanmerking komt, diens fysieke gesteldheid ten tijde van de keuring doorslaggevend is.

2.3.4. Gelet op hetgeen onder 2.3.3. is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het dagelijks bestuur het in bezwaar gehandhaafde besluit niet op het medisch advies heeft mogen doen steunen. De rechtbank kan niet worden gevolgd in haar overweging dat aan de beoordeling van de aanvraag van [wederpartij] een verzwaarde motiveringseis dient te worden gesteld. Het dagelijks bestuur betoogt in dit verband terecht dat de Regeling geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat bij beoordeling van de aanvraag van [wederpartij] gewicht diende te worden toegekend aan de omstandigheid dat hij reeds tien jaar over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte en het belang dat hij op grond daarvan zou hebben bij toewijzing van zijn aanvraag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 8 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2008 in zaak nr. 07/2270;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

97-546.