Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200804792/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast op het perceel Greune 14 te Haaksbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2009/114 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2009/3785 met annotatie van mr. F. Arents
ABkort 2009/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804792/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend dan wel gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 mei 2008 in zaken nrs. 07/256 en 07/257 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast op het perceel Greune 14 te Haaksbergen.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het door[appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2004 herroepen en de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 10 april 2006 heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door Vodafone ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 25 oktober 2006 heeft de Afdeling het daartegen door het college ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 15 mei 2008, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 21 en 22 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vodafone heeft een reactie ingediend.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2009, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H. Willems en G.E.M. Willemsen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Vodafone, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is namens [appellanten] ingesteld door [gemachtigde]. Deze is bij aangetekende brief van de Raad van State van 24 juni 2008 tot en met 22 juli 2008 in de gelegenheid gesteld om ondertekende verklaringen over te leggen waaruit de gestelde vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Van [appellant A], [appellante B], [appellant C], [appellant D] en [appellante E] zijn zodanige verklaringen ontvangen. Voorts zijn verklaringen ontvangen van [appellante F], [appellante G] en [appellante H]. Deze personen worden niet genoemd in het hoger beroepschrift en kunnen, evenals de daarin vermelde personen van wie geen verklaring is overgelegd, niet worden geacht hoger beroep te hebben ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

2.2. In haar uitspraak van 10 april 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het college de mogelijkheid van plaatsing van UMTS-antennes ten onrechte heeft betrokken bij zijn besluit omtrent vrijstelling voor het bouwplan. De rechtbank heeft het besluit van 26 april 2005 om die reden vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen. Bij uitspraak van 25 oktober 2006, in zaak nr. 200602778/1, heeft de Afdeling die uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.3. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het nieuwe besluit op bezwaar ten onrechte geen acht heeft geslagen op de mogelijkheid dat in de mast

UMTS-antennes worden geplaatst, ziet dat betoog eraan voorbij dat het college gehouden was gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2006 en die mogelijkheid derhalve terecht niet heeft betrokken bij zijn heroverweging van het besluit van 2 november 2004. Het college is terecht voorbijgegaan aan de door Verbeek anderen gestelde effecten van UMTS-signalen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. Het college heeft zich ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van het bouwplan gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad van 28 juni 2004, naar aanleiding van het onderzoek van TNO van september 2003 naar de effecten van onder meer GSM-signalen op het welbevinden en op de cognitie. De conclusie van dat advies is dat op grond van de resultaten uit het TNO-onderzoek niet kan worden vastgesteld of een oorzakelijk verband bestaat tussen blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en vermindering van het welbevinden of schade aan de gezondheid anderzijds. Vaststaat dat het bouwplan voldoet aan de door de Gezondheidsraad vastgestelde, op internationale blootstellingslimieten gebaseerde, strenge veiligheidsmarges. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de Gezondheidsraad niet een ter zake deskundige en onafhankelijke instantie is. Dat leden nevenfuncties bekleden geeft daartoe geen grond. De Afdeling acht met hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is. Dat in de door [appellanten] overgelegde rapporten andere conclusies worden getrokken dan in dat advies geeft daartoe onvoldoende aanleiding. Het rapport van BioInitiative van 31 augustus 2007 waarnaar [appellanten] hebben verwezen geeft daartoe evenmin aanleiding. Blijkens het briefadvies van de commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 2 september 2008 zijn kanttekeningen te plaatsen bij het wetenschappelijke gehalte van dat rapport. [appellanten] kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende inzicht bestaat in de gezondheidsrisico's door GSM-straling en het college mitsdien gehouden was uit voorzorg vrijstelling te weigeren. Het advies van de Gezondheidsraad geeft geen aanleiding voor dat oordeel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het advies van de Gezondheidsraad aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Niet aannemelijk is gemaakt dat de door de rijksoverheid gehanteerde aanbevelingen van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection niet beantwoorden aan actuele wetenschappelijke inzichten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat Vodafone zich daaraan heeft verbonden moet worden gezien als een aanvullende waarborg dat schade aan de gezondheid achterwege blijft.

2.5. [appellanten] hebben niet gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan eisen van constructieve veiligheid als neergelegd in het Bouwbesluit 2003. Gelet hierop mist hun betoog dat de NEN-normen van het Bouwbesluit 2003 niet zijn bekendgemaakt en onverbindend zijn, daargelaten wat er van zij, te dezer zake relevantie.

2.6. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college de voor het bouwplan verleende vrijstelling en bouwvergunning in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. In het hoger beroepschrift hebben [appellanten] verzocht om vergoeding van volgens hen geleden immateriële schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, in zaak nr. 200802629/1, is in zaken als deze, die uit een bezwaarschriftenprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die zaak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Deze behandelingsduren zijn in deze procedure niet overschreden. Van een overschrijding van de redelijke termijn is reeds daarom geen sprake. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

412.