Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200801344/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) het object [locatie 1]-[locatie 2], kadastrale aanduiding: I 5057, I 5058, I 5059 en I 5060, op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801344/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2008 in zaak nr. 07/791 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) het object [locatie 1]-[locatie 2], kadastrale aanduiding: I 5057, I 5058, I 5059 en I 5060, op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2008, verzonden op 16 januari 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 januari 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening stadsdeel Amsterdam-Centrum 2005 (hierna: de Monumentenverordening) kan het dagelijks bestuur, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, vraagt het dagelijks bestuur, voordat het over de aanwijzing een besluit neemt, advies aan de Adviescommissie monumentenzorg (voorheen de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg, hierna: de ARM) en stelt het, voor zover mogelijk, de eigenaar en de zakelijk gerechtigde in de gelegenheid te worden gehoord.

2.2. [appellant] is eigenaar en bewoner van het pand [locatie 1] te [plaats] (hierna: het pand).

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 30 januari 2007 vernietigd, omdat het dagelijks bestuur de inhoud van de brief van [appellant] van 18 mei 2006, inhoudende een reactie op de door het dagelijks bestuur op de hoorzitting in bezwaar overgelegde pleitnota, ten onrechte niet bij dat besluit had betrokken. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur het advies van de ARM en de monumentenbeschrijving en de motivering van het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam (hierna: het BMA) aan zijn aanwijzingsbesluit ten grondslag mocht leggen en, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Een opnieuw te nemen besluit op bezwaar zal om deze reden volgens de rechtbank tot dezelfde uitkomst leiden.

2.4. [appellant] komt uitsluitend op tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Hij betwist het oordeel van de rechtbank, dat het dagelijks bestuur in redelijkheid tot aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument heeft kunnen besluiten. Hiertoe betoogt hij dat het dagelijks bestuur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht heeft genomen, omdat het zijn financiële belang onvoldoende heeft meegewogen. Voor zover het dagelijks bestuur doorslaggevend gewicht mocht toekennen aan het monumentale belang, had het volgens [appellant] de door hem geleden schade dienen te vergoeden. Door de aanwijzing zijn de gebruiksmogelijkheden van het pand beperkt en is de waarde van het pand gedaald, aldus [appellant]. In dit verband voert hij voorts aan dat de eigenaar van een rijksmonument, in tegenstelling tot de eigenaar van een gemeentelijk monument, een financiële compensatie in de vorm van fiscale voordelen of subsidie ontvangt en dat het dagelijks bestuur in een vergelijkbare compensatieregeling had moeten voorzien.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur de monumentenbeschrijving van het BMA van 10 december 2004, het daarop gebaseerde positieve advies van het BMA van 28 februari 2005 en het positieve advies van de ARM van 20 april 2005 aan zijn besluit tot aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument ten grondslag mocht leggen. Met de enkele stelling dat die aanwijzing berust op de persoonlijke smaak van de opsteller van de monumentenbeschrijving heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de adviezen van het BMA en het ARM naar hun inhoud of wijze van totstandkoming gebrekkig zijn. Aangezien [appellant] voorts geen andersluidend deskundigenrapport heeft overgelegd, bestaat geen reden om te twijfelen aan het in die adviezen neergelegde deskundig oordeel.

Voor zover [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur bij de bezwaarschriftencommissie zou hebben erkend dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op het in geding zijnde besluit, mist dit betoog feitelijke grondslag, omdat het dagelijks bestuur blijkens zijn tijdens de hoorzitting in bezwaar overgelegde pleitnota heeft verklaard dat afdeling 3.2 van de Awb niet van toepassing is op de voorbereiding en vaststelling van wetten en verordeningen, maar wel van toepassing is op concrete besluiten, zoals in dit geval.

[appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur niet alle bij het besluit tot aanwijzing betrokken belangen heeft meegewogen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent de aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument niet dat eenvoudige of ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop van, een deel van, een pand geen doorgang kunnen vinden. Daargelaten dat [appellant] thans geen concrete bouwplannen heeft, moet daarover worden besloten in het kader van de vergunningprocedure als bedoeld in artikel 10 van de Monumentenverordening. In die procedure dient dan een afweging te worden gemaakt tussen het belang van [appellant] bij realisering van het desbetreffende bouwplan en het publieke belang bij behoud van de monumentwaardigheid van het pand.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat [appellant] de door hem gestelde waardevermindering van het pand van € 205.000,00 als gevolg van de aanwijzing niet aannemelijk heeft gemaakt, aangezien hij deze waardevermindering niet heeft toegelicht met een taxatierapport. De enkele stelling van [appellant] dat een door hem geraadpleegde makelaar en architect tot die waardevermindering hebben geconcludeerd, is onvoldoende. Het dagelijks bestuur heeft naar voren gebracht dat een aanwijzing als gemeentelijk monument volgens andere makelaars geen negatieve gevolgen heeft voor de waarde van het betrokken pand en zelfs een waardevermeerderend effect kan hebben.

Uit het voorgaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van schade die het dagelijks bestuur had moeten vergoeden. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument heeft kunnen besluiten. Voor zover [appellant] betoogt dat in de Monumentenverordening ten onrechte geen financiële compensatieregeling is opgenomen, kan dit betoog niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, noopt geen rechtsgrond ertoe dat de Monumentenverordening in een financiële compensatieregeling moet voorzien.

De slotsom is dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand heeft gelaten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

164-505.