Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200900543/2/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Hoger beroep gericht tegen het oordeel dat er geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van individuele ambtsberichten / gevraagde voorlopige voorziening om niet uit te zetten toegewezen.

De in hoger beroep voorgedragen grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat - samengevat weergegeven - geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van individuele ambtsberichten van 17 december 2004 en 18 oktober 2006, waarop de staatssecretaris zich in het in beroep bestreden besluit heeft gebaseerd. De beoordeling van deze grief vergt nader onderzoek, waartoe deze procedure zich niet goed leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, ziet de voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900543/2/V1.

Datum uitspraak: 26 februari 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 23 december 2008 in zaak nr. 08/19619 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 26 mei 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter heden verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.

2.2. De in hoger beroep voorgedragen grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat - samengevat weergegeven - geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van individuele ambtsberichten van 17 december 2004 en 18 oktober 2006, waarop de staatssecretaris zich in het in beroep bestreden besluit heeft gebaseerd. De beoordeling van deze grief vergt nader onderzoek, waartoe deze procedure zich niet goed leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, ziet de voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3. De voorzitter acht termen aanwezig om de staatssecretaris op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie in de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de vreemdeling;

III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009

218-565

Verzonden: 26 februari 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak