Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200804092/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) een verzoek van B.V. Automobielbedrijf- en Handelsonderneming De Hoofdstad (hierna: De Hoofdstad) om verlenging van de aan de bij onderscheiden besluiten van 12 november 2003 voor de renovatie van de panden Lange Leidsedwarsstraat 115, 117, 119 en 121 te Amsterdam verleende subsidie verbonden termijnen, waarbinnen de in het kader van de renovatie te verrichten werkzaamheden moeten zijn begonnen en voltooid, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804092/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2008 in zaken nrs. 06/2120, 06/2296 en 07/1518 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Automobielbedrijf- en Handelsonderneming De Hoofdstad, gevestigd te Amsterdam,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) een verzoek van B.V. Automobielbedrijf- en Handelsonderneming De Hoofdstad (hierna: De Hoofdstad) om verlenging van de aan de bij onderscheiden besluiten van 12 november 2003 voor de renovatie van de panden Lange Leidsedwarsstraat 115, 117, 119 en 121 te Amsterdam verleende subsidie verbonden termijnen, waarbinnen de in het kader van de renovatie te verrichten werkzaamheden moeten zijn begonnen en voltooid, afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur het door De Hoofdstad daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij onderscheiden besluiten van 10 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur de bij onderscheiden besluiten van 12 november 2003 aan De Hoofdstad verleende subsidies ingetrokken.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het dagelijks bestuur het door De Hoofdstad daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op 24 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door De Hoofdstad tegen de besluiten van 21 maart 2006 en 20 februari 2007 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur nieuwe besluiten op de tegen de besluiten van 10 januari 2006 en 10 mei 2006 gemaakte bezwaren neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

De Hoofdstad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2009, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.F.P. van Mierlo en mr. L.C. van Elewoud, beiden ambtenaar in dienst van het stadsdeel, en De Hoofdstad, vertegenwoordigd door J.C. Hoogendorp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning, woonkeet of woonwagen wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft, dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorzieningen behoeft, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de Subsidieverordening Stadsvernieuwing Binnenstad Amsterdam 1999 (hierna: de Subsidieverordening), voor zover thans van belang, kan aan de eigenaar van een gebouw subsidie worden verleend in de kosten van het treffen van voorzieningen tot opheffing van gebreken aan het casco, dan wel het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 14 en volgende van de Woningwet.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt de subsidie verleend onder de verplichting dat:

(…)

b. binnen dertien weken na verlening of binnen een andere in de beschikking genoemde termijn een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden en dit op een door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld formulier wordt gemeld aan de daartoe aangewezen instantie;

c. binnen twee jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden zijn voltooid en de eindafrekening is ingediend;

(…).

Ingevolge het tweede lid, kunnen burgemeester en wethouder op grond van onvoorziene omstandigheden desgevraagd toestaan dat een langere termijn geldt dan die, vermeld in het eerste lid, onder b en c.

2.2. Bij onderscheiden besluiten van 28 februari en 20 maart 2000, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam De Hoofdstad krachtens artikel 14, eerste lid, van de Woningwet, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, aangeschreven om binnen twee weken een aanvang te maken met het treffen van een aantal voorzieningen aan de panden Lange Leidsedwarsstraat 115, 117, 119 en 121 te Amsterdam en binnen vier weken de voorzieningen te voltooien, omdat de panden niet voldoen aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen.

2.3. In verband met het treffen van deze voorzieningen heeft De Hoofdstad de bij de besluiten van 12 november 2003 verleende subsidies aangevraagd. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur het tegen de besluiten van 12 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 april 2008 heeft de rechtbank het daartegen door De Hoofdstad ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

2.4. Niet in geschil is dat De Hoofdstad niet binnen dertien weken na verlening van de subsidies een begin heeft gemaakt met de werkzaamheden, in verband waarmee deze zijn verleend en dat de werkzaamheden niet binnen twee jaar na die verlening zijn voltooid, zodat niet is voldaan aan de aan de subsidieverleningen verbonden voorschriften.

2.5. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen onvoorziene omstandigheden, als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieverordening, voordoen, zodat de krachtens het eerste lid, aanhef en onder b en c, gestelde termijnen niet konden worden verlengd. Voorts heeft de rechtbank volgens hem, door te overwegen dat het de subsidieverlening niet in redelijkheid met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, heeft kunnen intrekken, omdat De Hoofdstad niet met de werkzaamheden was begonnen en deze niet binnen de gestelde termijn had voltooid, en er belang aan te hechten dat als gevolg van lopende procedures tegen de aanschrijving en de subsidieverleningen ten tijde van het in beroep bestreden besluit van 20 februari 2007 voor De Hoofdstad niet vaststond, op welk bedrag aan subsidie zij precies aanspraak kon maken en welke voorzieningen zij aan de woningen diende te treffen en dat het dagelijks bestuur bij het besluit van 23 oktober 2007 ter zake van de aanschrijvingen de termijn, waarbinnen De Hoofdstad de voorzieningen diende te treffen had verlengd tot oktober 2008, een onjuist verband heeft gelegd tussen het voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en de subsidieverlening.

2.5.1. Het aanwenden van rechtsmiddelen schorste, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:16 en 6:24 van de Awb, de werking van de aanschrijvingen en de subsidieverleningen niet, zodat De Hoofdstad steeds gehouden was de daarbij voorgeschreven termijnen in acht te nemen. Het betreft geen onvoorziene omstandigheden en er bestaat ook overigens geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen de aan de subsidieverlening verbonden termijnen met de gesubsidieerde werkzaamheden moest worden begonnen en deze moesten worden voltooid. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek om het toestaan van een langere termijn, als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieverordening, dan ook mogen afwijzen. Dit betekent ook dat, nu De Hoofdstad de werkzaamheden niet binnen de gestelde termijnen heeft aangevangen en voltooid, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur de verleende subsidie niet mocht intrekken. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 21 maart 2006 en 20 februari 2007 van het dagelijks bestuur ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2008 in zaken nrs. 06/2296 en 07/1518;

III. verklaart de tegen de besluiten van 21 maart 2006 en 20 februari 2007 bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

47-502.