Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200801863/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Combi Terminal Twente B.V. (hierna: CTT) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag van containers aan de Zuidelijke Havenweg 4 te Hengelo. Dit besluit is op 30 januari 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3440
Milieurecht Totaal 2009/5559
JM 2009/56 met annotatie van Arents
JOM 2009/312
OGR-Updates.nl 09-42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801863/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 1B] en de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, wonend respectievelijk gevestigd te Hengelo (Overijssel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Combi Terminal Twente B.V. (hierna: CTT) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de op- en overslag van containers aan de Zuidelijke Havenweg 4 te Hengelo. Dit besluit is op 30 januari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2008, en [appellant sub 1B] en de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: stichting ROM) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 april 2008. [appellant sub 1B] en de stichting ROM hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 april 2008.

Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2008, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], in persoon en vertegenwoordigd door ir. E.C. van Steijn, en [appellant sub 1B] en de stichting ROM, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door P. Drent, ing. D. Broer, ing. A. van Loon en mr. M.A.M. Sombekke, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is CTT, vertegenwoordigd door G.H. Linthorst, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Onderliggende besluiten

2.1. Bij besluit van 27 april 2000 is aan CTT krachtens de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het oprichten van een op- en overslagbedrijf van containers en reparatie van (maritieme) containers en containeropleggers te Hengelo.

Bij besluit van 29 mei 2007 is aan CTT krachtens de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting, waarbij de bestaande opslagcapaciteit is uitgebreid.

De onderhavige revisievergunning is aangevraagd naar aanleiding van een uitbreiding van de activiteiten van de inrichting met een tweede portaalkraan en een uitbreiding van de bestaande overslagcapaciteit van 30.000 naar 60.000 containers.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.1. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2008 in zaak nr. 200706330/1) is het statutaire doel van de stichting ROM zo veelomvattend dat dit onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van deze stichting rechtstreeks is betrokken bij het in die zaak bestreden besluit. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat is gebleken dat de stichting ROM geen feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb waaruit blijkt dat haar belang rechtstreeks bij het in die zaak bestreden besluit is betrokken. Ten slotte heeft de Afdeling in die uitspraak in aanmerking genomen dat de stichting ROM door het optreden in rechte geen bundeling van rechtstreeks bij het in die zaak bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn.

2.2.2. Gelet op het onderwerp van het bestreden besluit is er naar het oordeel van de Afdeling geen relevant verschil met het in genoemde zaak bestreden besluit. Derhalve is niet gebleken dat de stichting ROM krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. De stichting ROM kan dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt. Het beroep van [appellant sub 1B] en de stichting ROM is, voor zover het is ingesteld door de stichting ROM, niet-ontvankelijk.

2.3. [appellant sub 1B] betoogt dat het ontwerp van het besluit en de daarbij behorende stukken ten onrechte niet voor publiek beschikbaar zijn gesteld. Hiertoe voert hij aan dat de zoneberekening, het calamiteitenplan en andere stukken die voor een beoordeling van het ontwerp van het besluit redelijkerwijs nodig waren, niet ter inzage hebben gelegen. Volgens [appellant sub 1B] in dit in strijd met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast betoogt [appellant sub 1B] dat hem ten onrechte niet de gelegenheid is geboden om het ontwerp van het besluit in te zien en het ontwerp van het besluit eigenhandig te scannen.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het ontwerp van het besluit en de daarbij behorende stukken wel ter inzage hebben gelegen. Het college stelt voorts dat het mogelijk was afschriften van het ontwerp van het besluit en de daarbij behorende stukken op korte termijn te ontvangen tegen vergoeding van ten hoogste de kosten.

2.3.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de voor een vergunningprocedure gebruikelijke stukken ter inzage hebben gelegen. Tevens was het voor [appellant sub 1B] mogelijk om een afschrift van het bestreden besluit en de daarbij behorende stukken te verkrijgen. Hetgeen [appellant sub 1B] heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp van het besluit niet ter inzage hebben gelegen, noch dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluidhinder

2.5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat niet inzichtelijk is of de zonegrens wordt overschreden, of en hoeveel geluidruimte er binnen de zonegrens bestaat en wat de inrichting daarvan gebruikt. Zij betogen voorts dat vanwege de ligging van hun bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein aan deze woningen ten onrechte onvoldoende bescherming tegen geluidhinder wordt geboden. Tevens voeren zij aan dat de in voorschrift 2.1 gestelde grenswaarden behorende bij de vergunning niet naleefbaar zijn, nu het akoestische onderzoek dat aan het op 11 juni 2007 uitgebrachte rapport dat in opdracht van CTT is verricht door Witteveen+Bos (hierna: het akoestisch rapport) ten grondslag heeft gelegen onvoldoende inzicht biedt in de representatieve bedrijfssituatie en niet alle relevante geluidbronnen daarbij in kaart zijn gebracht.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit onder meer de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.5.2. De inrichting en de bedrijfswoningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] liggen op het industrieterrein Twentekanaal Zuid. Rondom dit terrein is krachtens de Wet geluidhinder een geluidzone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Daarnaast zijn voor de woningen binnen de zone hogere grenswaarden vastgesteld.

2.5.3. Bij de beslissing op de aanvraag diende het college ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone in acht te nemen.

Gezien de stukken, waaronder de bij het bestreden besluit behorende zonetoets, en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat, wanneer de in voorschrift 2.1 van de vergunning geboden geluidruimte wordt meegenomen bij de toetsing aan de zonegrenswaarde, deze wordt overschreden. Het bestreden besluit is niet strijdig met artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 januari 2007 in zaak nr. 200600676/1), kan de geluidbelasting van een woning of een ander geluidgevoelig object op een gezoneerd industrieterrein geen grond vormen voor weigering van een vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. Evenmin kan CTT worden verplicht tot het treffen van zodanige maatregelen, dat gesproken moet worden van een doorkruising van het stelsel van de Wet geluidhinder vanwege een aantasting van het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein dat de Wet geluidhinder mede beoogt te bieden.

2.5.4. Gezien rechtsoverweging 2.5.3. bestaat enige ruimte voor het verbinden van geluidvoorschriften aan de vergunning om op het industrieterrein gelegen woningen te beschermen. Het college heeft in de voorschriften 2.5 en 2.6 behorende bij de vergunning maatregelen genomen om vermijdbare geluidhinder te voorkomen. In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen, is geen aanknopingspunt gelegen voor het oordeel dat met inachtneming van het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn.

2.5.5. Voorts overweegt de Afdeling dat het college in de reactie op de zienswijzen en in het verweerschrift uitvoerig is ingegaan op de vermeende gebreken aan de in het akoestische onderzoek, dat ten grond heeft gelegen aan het akoestisch rapport, gehanteerde uitgangspunten en de daarop gebaseerde uitkomsten. Hetgeen zij hebben aangevoerd leidt tot het oordeel dat het akoestisch rapport een representatief beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting van de inrichting. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1B] betoogt dat de voorschriften onvoldoende bescherming bieden tegen piekgeluiden in de avond- en nachtperiode.

2.6.1. Het college heeft voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte piekgeluidbelasting paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. In paragraaf 3.2 van de Handreiking worden de waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode aangemerkt als de maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarden voor het maximale geluidniveau. De maximale piekgeluidniveaus voor de inrichting betreffen volgens paragraaf 4.3 van het akoestisch rapport maximaal 56 dB(A) in de dag, avond en nachtperiode. De in voorschrift 2.2 in samenhang met paragraaf 4.3 van het akoestisch rapport gestelde piekgeluidgrenswaarden liggen dus onder de maximaal toegestane piekgeluidniveaus van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op grond van paragraaf 3.2 van de Handreiking. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 2.2 in samenhang bezien met paragraaf 4.3 van het akoestisch rapport in zoverre een toereikend beschermingsniveau biedt.

De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschriften

2.7. [appellant sub 1B] voert aan dat voorschrift 2.7 van de vergunning niet duidelijk is wat betreft het begrip 'deugdelijke geluidreducerende bekleding' en dat de mate van geluidreductie als gevolg van de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.7 en 2.8 niet duidelijk is. Deze geluidvoorschriften zijn daardoor voor meerderlei uitleg vatbaar, aldus [appellant sub 1B].

2.7.1. Ingevolge voorschrift 2.7 zijn de klemmen van de spreaders voorzien van een deugdelijke geluidreducerende bekleding, bijvoorbeeld van rubber.

Ingevolge voorschrift 2.8 mag in afwijking van voorschrift 2.7 een alternatieve maatregel worden toegepast, mits daarmee tenminste een gelijkwaardige geluidreductie wordt bereikt. De gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel wordt voorafgaand aan het toepassen daarvan aangetoond aan het bevoegd gezag.

2.7.2. Het college betoogt in het verweerschrift dat 'deugdelijke geluidreducerende bekleding' dient te worden begrepen als zodanig geluiddempend dat aan de geluidnormen wordt voldaan.

2.7.3. De Afdeling acht het in dit geval, gezien de aard van de inrichting en de daarin te verrichten werkzaamheden, voldoende duidelijk wat onder het begrip 'deugdelijke geluidreducerende bekleding' en de daarbij behorende geluidreductie moet worden verstaan.

De beroepsgrond faalt.

BBT

2.8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat niet duidelijk is welke voorzieningen en installaties en welk materieel voldoen aan de beste beschikbare technieken, met name wat betreft de spreader die containers oppakt en verplaatst.

2.8.1. Het college heeft in het besluit de beoordeling van de toepassing van de beste beschikbare technieken uiteengezet. Hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] naar aanleiding daarvan hebben aangevoerd is niet concreet en biedt naar het oordeel van de Afdeling geen grond om ervan uit te gaan dat het besluit wat betreft de beoordeling van de toepassing van de beste beschikbare technieken niet rechtmatig is.

De beroepsgrond faalt.

Naleving

2.9. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aldus dat zij vrezen dat de vergunningvoorschriften niet zullen worden nageleefd.

2.9.1. Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen dat de vergunningvoorschriften niet zullen worden nageleefd, betreft het een kwestie van handhaving. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

De beroepsgrond faalt.

EVRM

2.10. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat, samengevat weergegeven, de overtredingen van de geluidvoorschriften leiden tot een inbreuk op hun recht op privé-leven en woning, en dat nu het college hierin geen aanleiding heeft gezien handhavend op te treden, het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.10.1. In het eerste lid van artikel 8 van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.10.2. Voor zover het bestreden besluit beschouwd kan worden als een inmenging in de rechten, neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Afdeling dat deze haar grondslag vindt in de Wet milieubeheer. De inmenging van de overheid is derhalve bij wet voorzien en moet worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van de bescherming van de openbare veiligheid, de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke afweging heeft plaats gevonden tussen de belangen van het individu enerzijds, en die van de gemeenschap als geheel anderzijds.

Voor zover sprake is van een op het college rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten, kan niet worden geoordeeld dat het daarin te kort is geschoten. Overeenkomstig de Wet milieubeheer genomen besluiten kunnen alleen dan geacht worden in strijd te zijn met artikel 8 van het EVRM, wanneer zich omstandigheden voordoen waardoor als gevolg van deze besluiten een zodanige mate van milieuhinder kan worden ondervonden, dat deze zou moeten worden beschouwd als een niet-gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 februari 2008, nr. 37664/04, Fägerskiöld tegen Zweden (AB 2008, 225)). Daarvan is echter in onderhavig geval niet gebleken.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.11. Het beroep van [appellant sub 1B] en de stichting ROM is, voor zover het is ingesteld door de stichting ROM niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1B] en de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, voor zover het is ingesteld door de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

375-537.