Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200805395/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de inspecteur de tegemoetkoming kinderopvang voor het jaar 2005 voor [appellante] voorlopig op € 3.803,00 gesteld en € 971,00 aan eerder verleende voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805395/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 juni 2008 in zaak nr. 07/1185 in het geding tussen:

appellante

en

de Belastingdienst/Toeslagen (lees: de inspecteur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de inspecteur de tegemoetkoming kinderopvang voor het jaar 2005 voor [appellante] voorlopig op € 3.803,00 gesteld en € 971,00 aan eerder verleende voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 24 september 2007 heeft de inspecteur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2008.

Bij brief van 3 september 2008 is een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2009, waar de inspecteur, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder partner verstaan: degene die geen partner is van de ouder voor toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001), maar op grond van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als partner kan maken.

Ingevolge het vierde lid, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, wijst, indien op grond van het eerste lid, onder b, meer personen in aanmerking komen om samen met de ouder de keuze voor kwalificatie als partner te maken, de ouder een van deze personen aan als partner voor toepassing van deze wet.

Ingevolge artikel 11 van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten kinderopvang wordt voor een ouder die geen partner heeft de tegemoetkoming van het Rijk vermeerderd met een bedrag dat overeenkomst met een zesde deel van de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder partner verstaan: de ongehuwde meerderjarige die met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.

2.2. [appellante] en haar broer waren in 2005 beiden ongehuwd en meerderjarig en hebben hun hoofdverblijf gedurende meer dan zes maanden in dezelfde woning gehad. [appellante] en haar dochter en haar broer woonden in bij de ouders van [appellante] en haar broer, aan wie zij kostgeld betaalden.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door als juist te aanvaarden dat de inspecteur haar broer in 2005 als haar partner, als bedoeld in de Wko, heeft aangemerkt en bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming kinderopvang met deze omstandigheid rekening heeft gehouden, heeft miskend dat zij geen gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, voerden. Het door de rechtbank daarbij in aanmerking genomen behaalde schaalvoordeel van de inwoning is een gevolg van de verhouding tussen ouders en kind en niet van het samenwonen met haar broer, aldus [appellante]. Verder was er - anders dan de rechtbank heeft overwogen - geen wederzijdse verzorging, nu zij meestal met haar dochter op haar kamer verbleef en daar voor zichzelf en haar dochter zorgde, haar broer altijd op zijn eigen kamer verbleef en zij elkaar niet veel zagen en slechts af en toe samen werd gegeten, aldus [appellante].

2.3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de zogenoemde tweeverdienersregeling, waarbij de term gezamenlijke huishouding in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is ingevoerd, kan niet worden afgeleid dat een belastingplichtige reeds een gezamenlijke huishouding voert en dus niet voor zich alleen een huishouding voert, indien die belastingplichtige op huisvestingsgebied een schaalvoordeel geniet dat aan een gezamenlijke huishouding is verbonden. Het voeren van een gezamenlijke huishouding kan slechts worden aangenomen, indien een belastingplichtige tezamen met een of meer anderen, zowel in huisvesting als in voeding voorziet.

Bij de beoordeling van het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de inspecteur zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, sluit de Afdeling aan bij dat criterium.

2.3.2. Door te stellen dat zij meestal met haar dochter op haar kamer verbleef en daar voor zichzelf en haar dochter zorgde, haar broer veelal op zijn eigen kamer verbleef en zij hem weinig zag en slechts af en toe samen werd gegeten, heeft [appellante], ter aanvulling van haar betoog dat zij met haar broer geen gezamenlijke huishouding voerde, gemotiveerd betwist dat gezamenlijk werd voorzien in voeding. De inspecteur heeft daar, ter toelichting van het besluit op bezwaar, uitsluitend tegenover gesteld dat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding niet is vereist dat steeds gezamenlijk wordt gegeten. Bij gebreke van door de inspecteur gestelde feiten die de situatie, als gesteld door [appellante], weerspreken, moet het ervoor worden gehouden dat [appellante] geen gezamenlijke huishouding met haar broer voerde. Dat volgens de inspecteur mag worden aangenomen dat beiden elkaar in het geval van ziekte zullen helpen, is geen feitelijk gegeven dat het aannemen van een gezamenlijke huishouding kan dragen. Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 van de inspecteur alsnog gegrond verklaren en voorts op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

2.5. De inspecteur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 juni 2008 in zaak nr. 07/1185;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de inspecteur van 24 september 2007, kenmerk 171392802/bez14/2005;

V. herroept het besluit van 15 maart 2007, kenmerk 1713.92.802.T.0501011;

VI. stelt de tegemoetkoming kinderopvang 2005 voor [appellante] voorlopig vast op € 4.730,00;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het herroepen besluit van 15 maart 2007;

VIII. veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

47-502.