Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200804965/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2007 heeft de burgemeester van Breda (hierna: de burgemeester) [appellant] gelast de door hem geëxploiteerde [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de coffeeshop), voor 1 mei 2007 om 10.00 uur te sluiten en voor het publiek gesloten te houden voor een periode van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804965/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 mei 2008 in zaak nr. 07/4405 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2007 heeft de burgemeester van Breda (hierna: de burgemeester) [appellant] gelast de door hem geëxploiteerde [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de coffeeshop), voor 1 mei 2007 om 10.00 uur te sluiten en voor het publiek gesloten te houden voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 5 september 2007 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2008.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2009, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. M.A.M. van Dooren, advocaat te Breda, en de burgemeester, vertegenwoordigd door drs. A.J.C. Koevoets, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.1.1. De burgemeester heeft op 21 november 2005 de nota "Coffeeshopbeleid Breda 2005" (hierna: de Nota 2005) vastgesteld. Deze nota is op 1 januari 2006 in werking getreden. Op diezelfde dag is de op 29 januari 1999 vastgestelde nota "Koffieshopbeleid Gemeente Breda 1999" (hierna: de Nota 1999) ingetrokken.

Volgens de Nota 2005 zal tot sluiting van een coffeeshop door de burgemeester worden overgegaan indien aan één of meer van de volgende criteria is voldaan:

(…)

5. De coffeeshop is gevestigd buiten de binnenstad. Onder binnenstad wordt verstaan: het gedeelte van de stad dat wordt omsloten door het water van de singels en de stationsbuurt, dat wil zeggen het stadsgedeelte dat aan de noordzijde wordt begrensd door de spoorlijn, aan de zuidzijde door de Academiesingel en de Delpratsingel, aan de westzijde door de Belcrumweg en aan de oostzijde door de Terheijdenstraat. De burgemeester is bevoegd gemotiveerd van dit sluitingscriterium af te wijken;

(…)

10. (sluitingscriterium 1 M van de Nota 1999) Er is geconstateerd dat in de coffeeshop sprake is van de verkoop van meer dan vijf gram softdrugs per transactie, waarbij onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in een coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper;

11. (sluitingscriterium 1 L van de Nota 1999) Er is geconstateerd dat in de coffeeshop en/of de aangrenzende ruimte (binnen het gehele pand) een handelsvoorraad softdrugs van meer dan 500 gram aanwezig is;

(…)

17. Er is geconstateerd dat er geen leidinggevende aanwezig is in de coffeeshop. De burgemeester is bevoegd gemotiveerd van dit sluitingscriterium af te wijken.

Volgens overgangsbepaling 2 van de nota zal tegen de bestaande coffeeshops die voor sluiting in aanmerking komen met gebruikmaking van de sluitingscriteria 2 tot en met 5 niet met een sluitingsbevel worden opgetreden zolang in de exploitatie, zoals aangegeven op de als bijlage I opgenomen lijst dan wel in de te verlenen gedoogverklaring, geen wijziging komt.

Sluiting van een coffeeshop uitsluitend op grond van de criteria 6 (reclame), 8 (overlast), 9 (jeugdigen), 10 (transactiehoeveelheid), 11 (handelsvoorraad), 13 (criminele activiteiten), 14 (handel bij school), 15 (sluitingstijd), 16 (alcohol) en 17 (afwezigheid exploitant), dan wel een combinatie van deze criteria (…) vindt als regel niet plaats dan nadat:

a. de exploitant door of vanwege de burgemeester schriftelijk is gewaarschuwd;

b. ondanks deze waarschuwing is gebleken, althans een ernstig vermoeden bestaat, dat een geconstateerde illegale situatie dan wel gewraakte handelingen en/of gedragingen in strijd met het voorliggende beleid zijn blijven voortduren, althans opnieuw handelingen in strijd met het voorliggende beleid hebben plaatsgevonden.

Een waarschuwing gegeven voor overtreding van een van de sluitingscriteria, geldt ook als waarschuwing voor elk van de andere sluitingscriteria. De geldigheidsduur van een waarschuwing is vijf jaar.

Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de burgemeester gemotiveerd van het geven van een waarschuwing afzien en direct tot sluiting overgaan. Sluiting van een coffeeshop vindt in de regel plaats voor een periode variërend van drie tot 24 maanden, zoals beschreven in de in bijlage twee opgenomen handhavingsmatrix. De burgemeester stelt een andere sluitingstermijn vast indien de omstandigheden daar zijn inziens aanleiding toe geven.

2.2. De burgemeester heeft aan het besluit van 5 september 2007 het volgende ten grondslag gelegd. Tijdens een controle van de politie op 18 mei 2005 is in de coffeeshop vijf keer een overtreding geconstateerd van de maximale transactiehoeveelheid van vijf gram softdrugs en is in de coffeeshop in totaal ruim vijf kilogram aan softdrugs aangetroffen. Naar aanleiding van deze overtredingen heeft de burgemeester [appellant] bij brief van 28 april 2006 een waarschuwing gegeven (hierna: de waarschuwing). Tijdens een controle door de politie op 14 april 2007 is een hoeveelheid softdrugs aangetroffen die de volgens de Nota 2005 toegestane handelsvoorraad softdrugs ruimschoots overtrof en is geconstateerd dat geen leidinggevende aanwezig was in de coffeeshop. Hierop heeft de burgemeester de sluiting van de coffeeshop voor een periode van drie maanden bevolen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de actie van de politie die heeft geleid tot de waarschuwing, niet de Nota 2005 van toepassing was maar de Nota 1999. Volgens [appellant] is het in strijd met de rechtszekerheid dat een waarschuwing die krachtens de Nota 1999 is gegeven hem in het kader van een overtreding van het in de Nota 2005 neergelegde beleid wordt tegengeworpen. De waarschuwing van 28 april 2006 kan niet worden aangemerkt als een waarschuwing op grond van de Nota 2005, zodat de sluiting in strijd is met de Nota 2005, aldus [appellant].

2.3.1. Dit betoog faalt. Dat ten tijde van de actie van de politie op 18 mei 2005, die heeft geleid tot de schriftelijke waarschuwing van 28 april 2006 vanwege overtreding van sluitingscriteria van de Nota 1999, de Nota 2005 nog niet gold, laat onverlet dat de burgemeester [appellant] die waarschuwing heeft gegeven. Volgens de Nota 2005 was de burgemeester naar aanleiding van de geconstateerde overtredingen op 14 april 2007 vervolgens bevoegd over te gaan tot een tijdelijke sluiting. Niet valt in te zien dat de burgemeester hierdoor in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld. De op 18 mei 2005 door de politie geconstateerde feiten houden zowel volgens de Nota 1999 als de Nota 2005 overtredingen van de sluitingscriteria in. Onduidelijkheid over de vraag waarop de waarschuwing was gebaseerd kan bij [appellant] dan ook niet hebben bestaan, ook al werd in de waarschuwing naar beide nota's verwezen. Aan de omstandigheid dat de Nota 2005 per 1 januari 2006 in werking is getreden, onder gelijktijdige intrekking van de Nota 1999, kon [appellant] niet het vertrouwen ontlenen dat voor deze datum geconstateerde overtredingen en naar aanleiding daarvan gegeven waarschuwingen niet meer zouden meetellen.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen op grond waarvan hij van handhavend optreden had moeten afzien. In dit verband stelt hij dat een coffeeshop op de [locatie] aanvaardbaar is en wijst hij op zijn financiële belang bij de exploitatie van de coffeeshop.

2.4.1. Dit betoog faalt evenzeer. Vooropgesteld wordt dat de burgemeester bij het - in bezwaar gehandhaafde - besluit van 25 april 2007 de sluiting van de coffeeshop heeft bevolen voor de duur van drie maanden wegens overtreding van de sluitingscriteria 11 en 17 van de Nota 2005. Aan de waarschuwing is overtreding van de zowel in de Nota 1999 als de Nota 2005 opgenomen sluitingscriteria "verkoop van meer dan vijf gram softdrugs" en "handelsvoorraad softdrugs van meer dan 500 gram aanwezig" ten grondslag gelegd. Volgens de Nota 2005 geldt een waarschuwing gegeven voor overtreding van één van de sluitingscriteria ook als waarschuwing voor elk van de andere sluitingscriteria. Hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot de geschiktheid van de Ginnekenweg als locatie voor een coffeeshop ziet niet op deze sluitingscriteria maar op sluitingscriterium 5 van de Nota 2005 en kan reeds om die reden niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien.

Het besluit van 25 april 2007 ziet op de sluiting van de coffeeshop voor een periode van drie maanden. De als gevolg van deze sluiting mogelijk geworden intrekking van de gedoogverklaring van [appellant] door de burgemeester op grond van sluitingscriterium 5 van de Nota 2005 kan in deze procedure niet worden aangevochten.

Evenmin betreft die als gevolg van de sluiting mogelijk geworden intrekking van de gedoogverklaring een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 januari 2005 in zaak nr. 200401581/1) kan het feit dat een exploitant een financieel belang heeft bij de exploitatie van de coffeeshop en dat sluiting van de coffeeshop tot gevolg heeft dat de gedoogverklaring vervalt, zodat volgens het van toepassing zijnde beleid na heropening in de inrichting geen softdrugs meer mogen worden verkocht, niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Deze gevolgen vloeien immers voort uit het beleid, zoals dat in dit geval is neergelegd in de Nota 2005, zodat deze voorzienbaar en dus door geen overtredingen te begaan vermijdbaar waren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

280-512.