Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200801481/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen, (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor de aanleg van infrastructuur ten behoeve van het nieuwbouwproject Bregtdorp 2e fase op de [locatie 1] te [plaats] (hierna: de locatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801481/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3 A] wonend te [woonplaats], [appellante sub 3 B], wonend te [woonplaats] en [appellante sub 3 C], wonend te [woonplaats], erfopvolgers van wijlen [appellant],

4. [appellante sub 4] en anderen, gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 januari 2008 in zaken nrs. 06/1793, 06/1817, 06/1969, 06/1966 en 06/1662 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2],

[appellant],

[appellante sub 4] en anderen

[wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen, (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor de aanleg van infrastructuur ten behoeve van het nieuwbouwproject Bregtdorp 2e fase op de [locatie 1] te [plaats] (hierna: de locatie).

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 20 woningen en 8 appartementen op de locatie.

Bij besluiten van 22 november 2005 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstellingen en bouwvergunningen eerste fase verleend voor het oprichten van 23 vrijstaande woningen en 14 twee-onder-een-kapwoningen op de locatie.

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het college de door [appellant sub 1] tegen de besluiten van 22 november 2005 inzake de aanleg van infrastructuur en het oprichten van 20 woningen, 8 appartementen en 23 vrijstaande woningen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk en het tegen die besluiten inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het college de door wijlen [appellant] tegen de besluiten van 22 november 2005 inzake de aanleg van infrastructuur en het oprichten van 20 woningen, 8 appartementen,

23 vrijstaande woningen en 14 twee-onder-een-kapwoningen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het college de door [appellante sub 4] en anderen (hierna: [appellanten sub 4]) tegen de besluiten van 22 november 2005 inzake het oprichten van 20 woningen, 8 appartementen en 14 twee-onder-een-kapwoningen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de door hen tegen de besluiten van 22 november 2005 inzake vrijstelling en bouwvergunning eerste fase ten behoeve van de aanleg van infrastructuur en de bouw van 23 vrijstaande woningen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 mei 2006, heeft het college de door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 22 november 2005 voor zover deze zien op het oprichten van 20 woningen, 8 appartementen en 23 vrijstaande woningen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en voor zover de bezwaren zien op het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluiten van 8 februari 2007 heeft het college de besluiten van 16 mei 2006 gewijzigd en de door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, wat betreft de bevoegdheid om krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstellingen te verlenen en opnieuw zodanige vrijstellingen verleend.

Bij uitspraak van 17 januari 2008, verzonden op 25 januari 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) de beroepen voor zover gericht tegen de besluiten van 8 februari 2007 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 16 mei 2006 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, voor zover het college zich bevoegd achtte vrijstelling te verlenen zonder over een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten te beschikken. Voorts heeft de rechtbank het op de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren genomen besluit van 16 mei 2006 vernietigd voor zover daarbij de door [appellant sub 1] inzake de aanleg van infrastructuur en het oprichten van 23 vrijstaande woningen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard en het college opgedragen in zoverre opnieuw op diens bezwaren te beslissen. Voorts heeft de rechtbank het besluit van 16 mei 2006 voor zover daarbij het door wijlen [appellant] inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard vernietigd, hem niet-ontvankelijk verklaard in dat bezwaar en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 februari 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2008, [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008 en de erfopvolgers [appellante sub 3 A], [appellante sub 3 B] en [appellante sub 3 C] (hierna: [appellanten sub 3]) van wijlen [appellant], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 maart 2008. [appellanten sub 4] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 10 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het college de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren tegen de aanleg van de infrastructuur en het oprichten van 23 vrijstaande woningen ongegrond verklaard.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2008, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.J. Glastra, [appellanten sub 3], bijgestaan door mr. R. Muurlink, advocaat te Alkmaar, en [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door mr. M.A. le Belle, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Hink en E. van Hout, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. drs. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluiten van 8 februari 2007 heeft het college de besluiten van 16 mei 2006 gewijzigd en de door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, wat betreft de bevoegdheid om krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstellingen te verlenen en opnieuw zodanige vrijstellingen verleend.

2.2. Het project voorziet, voor zover thans van belang, in de aanleg van infrastructuur en het oprichten van 20 woningen, 8 appartementen, 23 vrijstaande woningen en 14 twee-onder-een-kap-woningen. Het project vormt de tweede fase van het verkavelingsplan Bregtdorp. De locatie is gelegen tussen de Heerweg, de Schoutsakker, de Voorweg, de Huismanweg en de Molenweg te Schoorl.

2.3. [appellanten sub 3] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar van wijlen [appellant] tegen het besluit van

22 november 2005 waarbij vrijstelling en bouwvergunning eerste fase is verleend ten behoeve van het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen niet-ontvankelijk is, omdat hij geen belanghebbende is bij dat besluit.

[appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 waarbij vrijstelling en bouwvergunning eerste fase is verleend ten behoeve van het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen.

2.3.1. Deze betogen slagen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de aanleg van de infrastructuur en de beoogde woningbouw tezamen één project vormen en de desbetreffende onderdelen daarvan in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. [appellanten sub 3] zijn eigenaar van verschillende percelen die direct grenzen aan het plangebied Bregtdorp 2e fase. Zij stellen dat hun percelen ten onrechte niet zijn betrokken bij het project, onder meer omdat op één van die percelen een ontsluitingsweg voor het plangebied behoorde te worden aangelegd. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] die als ontsluitingweg voor het plangebied zal worden gebruikt. Gelet op de ruimtelijke uitstraling die het project op de omgeving heeft, zijn [appellanten sub 3] en [appellant sub 2] daardoor rechtstreeks in hun belangen geraakt.

2.4. De locatie van het project is grotendeels gelegen binnen een gebied waarvoor het bestemmingsplan "Bregtdorp 1992" geldt. Op de desbetreffende gronden rust de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden (UW)". Een deel ter hoogte van de voorziene ontsluiting naar de Heereweg is begrepen in het bestemmingsplan "Bregtdorp 1966". Op die gronden rusten de bestemmingen "Gemengde bebouwing type G" en bijbehorend erf, "Weg" en "Bijzondere doeleinden met daarbij behorende terreinen". Teneinde het project mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstellingen verleend.

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.6. Als ruimtelijke onderbouwing van het project dient onder meer de nota "2e fase Bregtdorp-Schoorl" van 22 november 2005 opgesteld door SVP architectuur en stedenbouw. In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer een beoordeling gemaakt van de ruimtelijke effecten van het project waaronder verkeer en geluid.

2.7. [appellanten sub 3], [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 4] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing die het college aan het project ten grondslag heeft gelegd niet toereikend is.

2.7.1. [appellanten sub 3] betogen in dit verband dat het college aan zijn standpunt dat de ontsluiting aan de Heereweg te Schoorl veilig is ten onrechte geen verkeerstechnisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd. Zij betogen dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan "Bregtdorp 1992" niet alleen vanwege de woning op het perceel Heerweg 70 niet is gekozen voor een ontsluiting aan de Heereweg, maar ook vanwege de geringe breedte van het tracé. Voorts betogen zij dat thans een woonwijk wordt gerealiseerd door middel van het verlenen van vrijstelling, terwijl de voor die wijk noodzakelijke ontsluitingen ontbreken. Volgens [appellanten sub 3] heeft de rechtbank in dat verband ten onrechte gewicht toegekend aan de afspraken omtrent de verkaveling en inrichting van het plangebied Bregtdorp 2e fase, die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst van 9 december 2004 tussen de gemeente, een aantal omwonenden en [vergunninghoudster] (hierna: de vaststellingsovereenkomst).

2.7.1.1. Het betoog van [appellanten sub 3] faalt. In de ruimtelijke onderbouwing is ten aanzien van de ontsluiting van het gebied waarbinnen de locatie is gelegen uiteengezet dat gebruik zal worden gemaakt van drie ontsluitingen, te weten aan de J.A. Rädeckerweg, de Schoutsakker en de ontsluiting naar de Heereweg langs de Sanderij. Dat de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken dat in overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst het gebied zal worden ontsloten via de Schoutsakker is niet van belang, reeds omdat dat ook al uit de ruimtelijke onderbouwing volgt. Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat vanwege de ligging van de woning op het perceel [locatie 3], de Heereweg in het verleden uit verkeerstechnisch oogpunt niet geschikt werd bevonden als volwaardige ontsluitingsweg. Thans is een verkeersveilige aansluiting op de Heereweg wel mogelijk vanwege de sloop van die woning. De woning die het dichtst bij de Heereweg is geprojecteerd, komt op ruimere afstand van de weg te staan dan die voormalige woning. Voorts is vermeld dat het de bedoeling is dat ter plaatse van de aansluiting op de Heereweg een verhoogd kruisingsvlak wordt gerealiseerd en dat in het gehele gebied een 30 km zone wordt ingericht. Het college heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de gekozen ontsluiting aan de Heereweg een verkeersveilige situatie ontstaat en mocht zich op dat standpunt stellen zonder daaraan een verkeerstechnisch onderzoek ten grondslag te leggen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de ontsluiting van het gebied tekort schiet.

2.7.2. Het betoog van [appellant sub 2], dat de rechtbank heeft miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat het college de vaststellingsovereenkomst zou naleven ten aanzien van de hoogte van de te bouwen woningen, faalt. Voor zover de hoogte van de woningen niet in overeenstemming is met die overeenkomst, heeft het college ter zitting uiteengezet dat die hoogte niet haalbaar was en dat ervoor is gekozen om aan te sluiten bij de in het bestemmingsplan "Bregtdorp 1992" maximaal toelaatbare hoogte. Het college heeft zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen.

2.7.3. [appellanten sub 4] betogen dat op korte afstand van hun transport- en verhuisbedrijf drie vrijstaande woningen worden opgericht, terwijl dat in strijd is met het door het college gevoerde beleid dat in woongebieden maximaal categorie II bedrijven zijn toegestaan en zulks evenmin strookt met de in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" geldende afstandsmaat. Het akoestisch onderzoek waarop het college zich baseert, is volgens [appellanten sub 4] gebrekkig. Bovendien heeft de rechtbank, aldus [appellanten sub 4], miskend dat hun bedrijf positief is bestemd in het voorontwerp-bestemmingsplan "Schoorl-Kernen en Buurschappen".

2.7.3.1. Naar de gevolgen van het project voor het bedrijf van [appellanten sub 4] is akoestisch onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het akoestisch advies van Adviesbureau IJmeer B.V. van 25 september 2005. Volgens dit advies bedraagt de geluidsbelasting bij de reeds bestaande woning aan de [locatie 4] ten hoogste 50 dB(A). Wat betreft de woningen die op kortste afstand van het bedrijf zijn voorzien, bedraagt de geluidsbelasting volgens dat advies ten hoogste 37 dB(A). [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit advies op onjuiste wijze tot stand is gekomen dan wel anderszins gebreken bevat. Het betoog van [appellanten sub 4] dat in het onderzoek niet is vermeld over welk soort vrachtwagens hun bedrijf beschikt, is onvoldoende voor het oordeel dat het college niet op de resultaten van dat onderzoek had mogen afgaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellanten sub 4] geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd.

Voor zover [appellanten sub 4] betogen dat de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf worden beperkt als gevolg van het bouwplan heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden geen gevolg is van het bouwplan, aangezien de ligging van de woning aan de [locatie 4] deze beperking voor het bedrijf reeds met zich brengt. Bovendien zijn, anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2008 in zaak nr. 200608741/1, waarnaar [appellanten sub 4] hebben verwezen, de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf al beperkt, nu het bedrijf onder het overgangsrecht van bestemmingsplan "Bregtdorp 1966" valt. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college onder deze omstandigheden aan de indicatieve afstanden in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" en het beleid van het college, wat daar in dit verband van zij, terecht niet de betekenis heeft gehecht, die [appellanten sub 4] daaraan toegekend willen zien. Het betoog faalt.

2.7.4. Het betoog van [appellant sub 1] richt zich vooral tegen de ontsluiting aan de Heereweg. In dit verband heeft [appellant sub 1] een groot aantal argumenten aangevoerd. Voor zover deze argumenten al relevant zijn in het kader van de onderhavige procedure, faalt het betoog van [appellant sub 1]. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar hetgeen hierboven onder 2.7.1.1 omtrent deze ontsluiting is overwogen. De algemene en specifieke klachten van [appellant sub 1] over de werkwijze van het college en van ambtenaren in de gemeente Bergen met betrekking tot onder meer het gevoerde ruimtelijke beleid kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.8. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 4] zijn ongegrond. De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij: a. het beroep van wijlen [appellant] tegen het besluit van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007 inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen gegrond is verklaard en het door hem tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en b. het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007 inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen, voor zover dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het door hem gemaakte bezwaar inzake de oprichting van die woningen, ongegrond is verklaard.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellanten sub 3], voor zover dat betrekking heeft op de 14 twee-onder-een-kapwoningen, ongegrond verklaren. Daartoe overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 3] terzake van dit onderdeel van het project geen beroepsgronden hebben voorgedragen die niet reeds hiervoor zijn behandeld en ongegrond bevonden. Dat geldt ook ten aanzien van [appellant sub 2]. De Afdeling zal derhalve het door hem ingestelde beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar inzake de bouw van de 14 twee-onder-een-kapwoningen gegrond verklaren, het desbetreffende besluit op bezwaar van 16 mei 2006 in zoverre vernietigen en voormeld bezwaar ongegrond verklaren.

Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.9. Het besluit van 26 februari 2008 waarbij het college alsnog inhoudelijk heeft beslist op de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren tegen de aanleg van infrastructuur en het oprichten van 23 vrijstaande woningen, dient ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht worden mede voorwerp te zijn van dit geding.

2.10. [appellant sub 1] betoogt dat de bouwplannen een goede ruimtelijke onderbouwing ontberen.

2.10.1. Gelet op hetgeen in r.o. 2.7.1.1. is overwogen faalt het betoog van [appellant sub 1] dat het college niet had mogen kiezen voor de ontsluiting aan de Heereweg.

2.10.2. Ook in het door [appellant sub 1] tegen de ruimtelijke onderbouwing overigens aangevoerde kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstellingen niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. In de ruimtelijke onderbouwing is voldoende uiteengezet hoe de bouwplannen zich tot de omgeving verhouden en is de ontwikkeling van de locatie voldoende gemotiveerd. Ook is daarin uiteengezet dat de bouwplannen in overeenstemming zijn met het provinciaal- en gemeentelijk beleid.

2.11. Het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 26 februari 2008 ingestelde beroep is ongegrond.

2.12. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door [appellanten sub 3] gemaakte proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het college de bezwaren van wijlen [appellant] terecht ongegrond heeft verklaard.

2.13. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant sub 2] en door [appellanten sub 3] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 4] en anderen ongegrond;

II. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3 A], [appellante sub 3 B] en [appellante sub 3 C] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 januari 2008 in zaken nrs. 06/1793, 06/1817, 06/1969, 06/1966 en 06/1662, voor zover daarbij het beroep van wijlen [appellant] tegen het besluit van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007, inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen gegrond is verklaard en het door hem tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover daarbij het beroep van [appellant sub 2] tegen dat besluit ongegrond is verklaard;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige;

V. verklaart het door wijlen [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007, inzake het oprichten van 14 twee-onder-een-kapwoningen ongegrond;

VI. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007, voor zover daarbij diens bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 inzake het oprichten van 14 twee-onder-eenkapwoningen niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond;

VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen van 16 mei 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 8 februari 2007, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 22 november 2005 inzake het oprichten van 14 twee-onder-eenkapwoningen niet-ontvankelijk is verklaard;

VIII. verklaart dat bezwaar in zoverre ongegrond;

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit;

X. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 26 februari 2008 ongegrond;

XI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen, tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Bergen aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

XII. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellante sub 3 A], [appellante sub 3 B] en [appellante sub 3 C] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt;

gelast dat de gemeente Bergen aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

430.