Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200805067/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college), het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 11 oktober 2005, waarbij het verzoek van [appellante] tot wijziging van adresgegevens van [partij] is afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 1
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 54
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 82
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 83
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2009, 38 met annotatie van S.A.J. Munneke
JB 2009/114 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805067/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2008 in zaak nr. 07/2940 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college), het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 11 oktober 2005, waarbij het verzoek van [appellante] tot wijziging van adresgegevens van [partij] is afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 20 mei 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, werkzaam bij Lucardie & De Visser Advocaten te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost, ambtenaar in dienst van de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder persoonslijst: het geheel van gegevens als bedoeld in artikel 34, eerste lid, over één persoon in een basisadministratie.

Ingevolge artikel 54 wordt omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder e, wordt een beslissing van het college om bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Bij brief van 22 februari 2005 heeft [appellante] het college verzocht een onderzoek in te stellen naar de adresgegevens van [partij], omdat hij zich op 6 januari 2005 in de gemeentelijke basisadministratie heeft laten inschrijven op het adres van [appellante], [locatie] te [plaats], met ingang van 4 januari 2005.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college het onderzoek naar de juistheid van de adresgegevens van [partij] gestaakt en het verzoek van [appellante] tot wijziging van de adresgegevens van [partij] in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen, omdat de adresgegevens volgens het college niet onjuist zijn.

Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 september 2006 vernietigd.

2.2.1. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 10 juli 2007, gevolg gevend aan de uitspraak van 14 mei 2007, opnieuw beslist op het bezwaar van [appellante] en dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft hiertoe overwogen dat het correctierecht als neergelegd in artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA niet aan [appellante] toekomt, omdat zij om wijziging verzoekt van gegevens die vermeld staan op de persoonslijst van [partij]. Het correctierecht komt volgens het college alleen aan [partij] toe. Het college heeft geen aanleiding gezien om ambtshalve een aantekening van onjuistheid bij de betreffende gegevens te plaatsen, omdat geen grond bestaat om aan te nemen dat de aangifte van [partij] destijds onjuist was. Volgens het college is op juiste gronden geweigerd om over te gaan tot verwijdering van de inschrijving van [partij] op het adres van [appellante] dan wel tot plaatsing van een aantekening van onjuistheid bij dat gegeven.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder zich, gelet op de zinsnede "hem betreffende gegevens" in artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA, terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen beroep kan doen op dit artikel. Dat het om de adresgegevens van [appellante] gaat, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat het ook haar betreffende persoonsgegevens zijn. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inschrijving van [partij] op 6 januari 2005 in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van [appellante] op een onjuistheid berust, zodat het college niet op grond van artikel 54 van de Wet GBA ambtshalve over behoefde te gaan tot het plaatsen van een aantekening van onjuistheid bij het betreffende adresgegeven.

2.4. [appellante] voert aan dat het college, door te verlangen dat bij een aangifte van adreswijziging een verklaring van geen bezwaar van de hoofdbewoner wordt overgelegd, de hoofdbewoner aanwijst als belanghebbende bij de aangifte van adreswijziging. Het besluit waarbij het college aan de aangifte van adreswijziging voldoet, dient te worden bekendgemaakt aan alle belanghebbenden. Volgens [appellante] kon haar "verzoek tot het in onderzoek stellen van adresgegevens" van 22 februari 2005 dan ook worden aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen het besluit van het college tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van de adreswijziging van [partij] op 6 januari 2005.

2.4.1. Dit betoog heeft [appellante] eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen beroep kon doen op artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA. De rechtbank heeft deze bepaling te restrictief uitgelegd. Dit artikel staat het volgens [appellante] toe dat een betrokkene een onjuist gegeven in een persoonslijst van een derde kan doen wijzigen indien dat gegeven mede de betrokkene betreft. Het adres van [appellante] is ten onrechte opgenomen in de persoonslijst van [partij] en dit gegeven dient op haar verzoek gewijzigd te kunnen worden.

2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het verzoek van [appellante] om de inschrijving op het adres [locatie] over de periode van 4 januari 2005 tot en met 16 maart 2005, opgenomen in de persoonslijst van [partij], ongedaan te maken op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA, op juiste gronden heeft afgewezen. Hiertoe wordt, eveneens met de rechtbank, overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] verzoekt om de verwijdering van met de hare overeenkomende adresgegevens uit de persoonslijst van [partij], niet betekent dat deze adresgegevens haar betreffende (persoons)gegevens zijn als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA. Het verzoek van [appellante] kan derhalve niet leiden tot toepassing van dit artikel.

2.6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit op bezwaar van 10 juli 2007 diende te worden vernietigd, omdat [partij] ten onrechte door het college niet als belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord.

2.6.1. Het college heeft [partij] bij brief van 22 september 2006, aangetekend verzonden naar het adres zoals indertijd geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie, verzocht om contact op te nemen met een medewerker van de Dienst Publiekszaken, teneinde inlichtingen te verschaffen. Deze brief is enige tijd later retour gekomen. Vervolgens heeft het college bij brief van 2 oktober 2006 de brief van 22 september 2006 nogmaals per gewone post verzonden. [partij] heeft niet gereageerd op het verzoek van het college. Met de rechtbank wordt overwogen dat het college, nu [partij] niet kon worden bereikt, in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door [partij] geen uitnodiging te sturen voor de hoorzitting. Het betoog faalt.

2.7. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de adresgegevens van [partij] over de periode van 4 januari 2005 tot en met 16 maart 2005 niet onjuist zijn en dat kan worden afgezien van het plaatsen van een aantekening als bedoeld in artikel 54 van de Wet GBA. De aangifte van [partij] was niet ondertekend en kan hierdoor niet worden aangemerkt als een aangifte als bedoeld in artikel 66 van de Wet GBA, aldus [appellante]. De adreswijziging is verder in strijd met gemeentelijke regels doorgevoerd, nu [partij] niet over een door de hoofdbewoner ondertekende verklaring beschikte. [appellante] betoogt voorts dat [partij] niet op haar adres heeft gewoond.

2.7.1. Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens of het plaatsen van een aantekening van onjuistheid bij bepaalde gegevens zal, gelet op het systeem van de Wet GBA, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

Het is in dit geval aan [appellante] om aan te tonen dat de in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adresgegevens van [partij] over de periode van 4 januari 2005 tot en met 16 maart 2005 feitelijk onjuist zijn. [appellante] is daar niet in geslaagd.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet onomstotelijk vaststaat dat de in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adresgegevens van [partij] over genoemde periode feitelijk onjuist zijn. De constatering dat de aangifte van [partij] niet was ondertekend is daarvoor onvoldoende. [partij] beschikte bij het doen van aangifte van de adreswijziging over een door [appellante] ondertekende verklaring waarin zij verklaart toestemming te verlenen om zichzelf in te schrijven op het adres [locatie]. Naar het college onweersproken heeft gesteld, bevindt deze verklaring zich op de achterzijde van het formulier van de aangifte adreswijziging van [partij]. Voorts beschikte [partij] bij het doen van aangifte van de adreswijziging over een kopie van het identiteitsbewijs van [appellante]. [appellante] heeft daarvoor geen verklaring gegeven.

De enkele stelling van [appellante] dat [partij] niet op haar adres heeft gewoond, is onvoldoende om aan te tonen dat de adresgegevens van [partij] over de periode van 4 januari 2005 tot en met 16 maart 2005 feitelijk onjuist zijn. Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

350-581.