Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200805075/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Zijpe (hierna: de raad) verzoeken van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805075/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Zijpe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 mei 2008 in zaak nr. 07/639 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Zijpe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Zijpe (hierna: de raad) verzoeken van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft de raad het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2008, verzonden op 26 mei 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juli 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. A. de Snoo, advocaat te Amsterdam, en mr. M. de Ruyter, advocaat te Alkmaar, en [wederpartijen], vertegenwoordigd door A. Jager, werkzaam bij Maat en Ruijgrok Juridisch Adviesbureau Ruimtelijke Ordening BV te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.2. [wederpartijen] zijn eigenaren van de percelen met woningen aan de [locatie nrs.] te [plaats]. Zij hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun woningen ten gevolge van de verleende vrijstellingen, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, voor het bouwrijp maken van het Vlak van Petten, de realisering van een dijktalud van circa 12,5 meter breed en 3 meter hoog en de realisering van 200 nieuwbouwwoningen. De meest nabij gelegen nieuwbouwwoningen zijn gerealiseerd op een afstand van 55 tot 58 meter van de achterzijden van hun woningen.

2.2.1. Voorheen rustte op deze gronden krachtens het bestemmingsplan "Buitengebied 1989 tweede herziening", vastgesteld door de raad op 25 maart 1997 en grotendeels goedgekeurd door gedeputeerde staten op 28 oktober 1997, de bestemming "Agrarische productiegebieden Ia".

2.2.2. De raad heeft de planschadeverzoeken ter advisering voorgelegd aan Arcadis Ruimte en Milieu B.V. (hierna: Arcadis), die in november 2005 met betrekking tot elk van de verzoeken afzonderlijk rapport heeft uitgebracht.

Volgens Arcadis zijn [wederpartijen] door het dijktalud, met een hoogte van 3 meter en gelegen op een afstand van ongeveer 10 meter van de perceelgrenzen, niet in een nadeliger situatie komen te verkeren. Onder het oude regime konden op korte afstand van de perceelgrenzen bouwwerken, geen gebouwen, worden gerealiseerd met een maximale hoogte van 2,2 meter, utilitaire bouwwerken met een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale nokhoogte van 6 meter, antennes met een maximale bouwhoogte van 25 meter en een windenergie-installatie.

Volgens Arcadis zijn [wederpartijen] door de onder het nieuwe planologische regime mogelijk gemaakte nieuwbouwwoningen in een nadeliger situatie komen te verkeren. De nieuwbouwwoningen hebben een intensiever gebruik van de betreffende gronden, geluidoverlast en verlies van privacy door inkijk vanuit de eerste verdiepingen van de nieuwbouwwoningen in hun woningen tot gevolg. Ook is sprake van een toename van het verkeer en de daarmee gepaard gaande geluidstoename en in de woningen schijnende autoverlichting. Voorts is sprake van een wijziging van de bouwmogelijkheden. Volgens Arcadis is sprake van planschade, variërend van € 2.500,- tot € 5.500,-.

2.2.3. Bij de in bezwaar gehandhaafde beslissing om geen vergoeding toe te kennen heeft de raad zich, in afwijking van de adviezen van Arcadis, maar in navolging van een nadien ingewonnen advies van 8 maart 2006 van [adviseur], op het standpunt gesteld dat [wederpartijen] door de planologische wijzigingen niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren, zodat van op grond van artikel 49 van de WRO voor vergoeding in aanmerking komende schade geen sprake is.

2.2.4. De rechtbank heeft dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigd, omdat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom afwijking van de adviezen van Arcadis gerechtvaardigd is en waarom [wederpartijen] door de planologische wijzigingen niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren. De raad heeft zich verder volgens de rechtbank, gezien de tekeningen, ten onrechte op het standpunt gesteld dat van inkijk in de woningen vanuit de woning [locatie], die schuin op de kavel staat, geen sprake kan zijn.

2.3. Het betoog van de raad dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zijn beslissing om het advies van Arcadis terzijde te schuiven voldoende heeft gemotiveerd, slaagt.

2.3.1. Aanleiding tot het inwinnen van een nieuw advies was onder meer de onjuiste vermelding van een aantal goot- en nokhoogten in de adviezen van Arcadis. Zo is Arcadis er ten onrechte vanuit gegaan dat onder het oude planologische regime de realisering van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een hoogte van 2,2 meter na vrijstelling mogelijk was, in plaats van 4,5 meter. Voorts heeft Arcadis niet onderkend dat onder het oude planologische regime voor utilitaire bouwwerken een vrijstellingsmogelijkheid voor de toegestane goot- en nokhoogten van 10% bestond. Ook is door Arcadis geen althans onvoldoende rekening gehouden met voordelen als gevolg van het nieuwe planologische regime. In het advies van [adviseur] is daar wel rekening mee gehouden en voor desbetreffende bouwwerk van de juiste maximaal mogelijke hoogtes uitgegaan. De raad heeft zich dan ook op basis van dat advies op het standpunt mogen stellen dat de onder het oude regime mogelijk te realiseren bebouwing van de betreffende gronden met utilitaire bouwwerken in dit geval een nadeliger effect op de woonomgeving van [wederpartijen] zou hebben gehad dan de onder het nieuwe regime mogelijk gemaakte aanleg van het dijktalud en bebouwing van die gronden met vrijstaande villa's. Immers als gevolg van het dijktalud ontstaat er een beter uitzicht vanuit hun woningen dan het uitzicht op onder het oude regime mogelijke utilitaire bouwwerken. Het dijktalud en de bebouwingsafstand van de nieuwbouwwoningen tot de woningen van [wederpartijen], te weten 55 tot 58 meter, waarborgen bovendien hun privacy. Terwijl vanuit de onder het oude regime mogelijke utilitaire bouwwerken direct zicht op hun woningen kon bestaan en lichten van agrarische voertuigen naar binnen konden schijnen, voorkomt het dijktalud hinder van geluid of lichten. Onder het nieuwe regime is alleen inkijk in hun woningen mogelijk vanuit de eerste verdiepingen van een deel van de nieuwbouwwoningen. Onder het oude planologische regime was voorts bebouwing op kortere afstand van hun woningen mogelijk dan onder het nieuwe planologische regime. De raad heeft, het vorenstaande in aanmerking genomen, deugdelijk gemotiveerd waarom in afwijking van de adviezen van Arcadis het standpunt is ingenomen dat [wederpartijen] als gevolg van de planologische wijzigingen niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren, zodat van voor vergoeding in aanmerking komende planschade geen sprake kan zijn. De rechtbank heeft het besluit van 30 januari 2007 ten onrechte wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de raad overigens heeft betoogd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 januari 2007 van de raad alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 mei 2008 in zaak nr. 07/639;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. K. Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

344.