Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200807326/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) aan [wederpartij] bouwvergunning verleend voor een woonhuis met bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Harenkarspel (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Woningwet
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 30 met annotatie van R. Ortlep
Module Ruimtelijke ordening 2009/2375
JOM 2010/598
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807326/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 augustus 2008 in zaak nr. 07/2247 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) aan [wederpartij] bouwvergunning verleend voor een woonhuis met bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Harenkarspel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 februari 2007 herroepen en alsnog geweigerd een bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 25 augustus 2008, verzonden op 28 augustus 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juli 2007 vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Been en W. Wilkens, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S.N. Mulder, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door H. Tegelaar, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, ondanks het oordeel van de Afdeling over de volwaardigheid van het bedrijf in de uitspraak van 16 augustus 2006 (zaaknr. 200509796/1) inzake het wijzigingsplan, het college in het kader van de bouwvergunningprocedure gehouden is zelfstandig te overwegen of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en dat daartoe het inwinnen van nader deskundig advies niet noodzakelijk is. Het college stelt zich op het standpunt dat uit eigen berekeningen is gebleken dat van een volwaardig agrarisch bedrijf geen sprake is.

Het college betoogt dat de rechtbank, gelet op het vorenstaande, ten onrechte gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien.

2.1.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor reële en volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven.

2.1.2. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de vraag of het agrarisch bedrijf van [wederpartij] als volwaardig kan worden aangemerkt in het kader van de toets of het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan opnieuw aan de orde diende te komen en dat de grondslag voor deze beoordeling wordt ontleend aan artikel 4 van de planvoorschriften. Dat de Afdeling in de uitspraak met betrekking tot het wijzigingsplan het bedrijf van [wederpartij] als volwaardig heeft aangemerkt is bij deze beoordeling niet doorslaggevend, aangezien gewijzigde omstandigheden thans tot een ander oordeel kunnen leiden.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat zich zodanige omstandigheden hebben voorgedaan. De rechtbank heeft in de eigen berekeningen van de commissie bezwaar- en beroepsschriften, die door het college zijn onderschreven, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het advies van het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) van 2007, dat concludeert tot volwaardigheid, niet gevolgd kan worden. Daargelaten dat deze berekeningen niet gelijk gesteld kunnen worden met een advies van het LEI of van een andere ter zake deskundige, leiden ook deze berekeningen tot aantallen NGE (Nederlandse Grootte-Eenheid), die boven de minimale norm voor volwaardigheid liggen. Gelet hierop kan de weigering bouwvergunning te verlenen daarop niet worden gebaseerd. De omstandigheid dat ondanks tijdsverloop is gebleken dat [wederpartij] het agrarisch bedrijf nog steeds niet als hoofdberoep uitoefent, kan evenmin als zodanig feit of omstandigheid worden aangemerkt. [wederpartij] heeft hierover bij de behandeling door de Afdeling van de zaak met betrekking tot het wijzigingsplan reeds verklaard dat hij zijn tijdelijke dienstbetrekking zal beëindigen zodra de bedrijfsbebouwing op het perceel is opgericht. De Afdeling zag destijds geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen. Nu de bedrijfsbebouwing nog niet is opgericht of kon worden opgericht, bestaat geen aanleiding thans wel aan deze verklaring te twijfelen.

In hetgeen het college overigens heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.1.3. Gelet op artikel 44 van de Woningwet dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de bouwvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de bouwvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet deze worden geweigerd. Anders dan het college betoogt, is een afweging van belangen hierbij niet aan de orde. Nu zich gezien het vorenstaande geen weigeringsgronden als bedoeld in voormeld artikel voordoen, was het college gehouden de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Het betoog faalt.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Harenkarspel aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de gemeente Harenkarspel griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

392.