Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200804842/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) geweigerd aan

[appellant] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de uitbouw met dakterrassen aan de achtergevel van de bovenwoning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804842/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 mei 2008 in zaak nr. 07/7004 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) geweigerd aan

[appellant] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de uitbouw met dakterrassen aan de achtergevel van de bovenwoning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2008, verzonden op 14 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partij], een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Frank, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door R. Vingerling, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in het veranderen van een bestaande uitbouw door het aanbrengen van een met een balustrade omheind dakterras op de uitbouw.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aanbrengen van de balustrade rond het dakterras onder bescherming van het overgangsrecht valt, zodat de gevraagde bouwvergunning ten onrechte wegens strijd met het bestemmingsplan is geweigerd.

2.2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenhof e.o." (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel, voor zover thans van belang, de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin".

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften zijn de gronden, welke blijkens de kaart voor "Woondoeleinden" zijn aangewezen, bestemd voor:

1. eengezinshuizen;

2. meergezinshuizen;

3. eengezinshuizen en/of meergezinshuizen;

4. bergingen;

een en ander met bijgebouwen en in de bestemming passende andere bouwwerken, tuinen en erven;

en voorts met dien verstande, dat, voor zover thans van belang:

a. de onder 1 tot en met 4 genoemde gebouwen zich moeten bevinden binnen de op de kaart aangegeven bouwstroken.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, welke blijkens de kaart als zodanig zijn aangewezen, bestemd voor tuinen met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met een hoogte van maximaal 2 m, waarbij onder 'andere bouwwerken' niet worden begrepen stallingsruimten voor auto's.

Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid ten behoeve van de bouw van bergruimten, volières, tuinhuisjes, plantenkasjes en soortgelijke bij een tuin passende gebouwtjes, met uitzondering van stallingsruimten voor auto's, met dien verstande, dat:

a. de gezamenlijke grondoppervlakte per bouwperceel maximaal 15 m2 mag bedragen;

b. de goothoogte maximaal 2,50 m mag bedragen boven het direct aangrenzende terreinniveau.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp voor het plan en die afwijken van het plan, mits de bestaande afwijking van het plan niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. (…).

2.2.2. Voor het oordeel dat het bouwwerk waarop het bouwplan ziet onder de bescherming van het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Vaststaat dat de uitbouw waarop het omheinde dakterras is voorzien in strijd met het bestemmingsplan is opgericht buiten de op de plankaart aangegeven bouwstrook. Daargelaten of deze uitbouw onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, staat vast dat ten tijde van de ter inzage legging van het bestemmingsplan geen balustrade op de uitbouw aanwezig was. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het aanbrengen van de balustrade leidt tot een vergroting van de bestaande afwijking van het bestemmingsplan, hetgeen reeds in de weg staat aan toepasselijkheid van het overgangsrecht.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte voor het bouwplan geen vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend, nu het gebruik van het terras onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Voorts voert [appellant] aan dat geen planologisch belang bestaat bij weigering van de vrijstelling en doet hij in dat kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1. Het met een balustrade omheinde dakterras is een bouwvergunningplichtig bouwwerk. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De beslissing hiervoor al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om geen vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in de gestelde omstandigheid dat het gebruik van het terras onder bescherming van het overgangsrecht valt, daargelaten of die stelling juist is, aanleiding had moeten zien vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Het college heeft voorts het bouwplan stedenbouwkundig onwenselijk geacht, nu dit diep insteekt in het binnengebied. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aan het planologisch belang bij het voorkomen van precedentwerking, in het midden latend of thans daadwerkelijk sprake is van een ongerept binnengebied, en aan de belangen van omwonenden bij behoud van privacy in redelijkheid grotere betekenis heeft mogen toekennen dan aan het belang van [appellant] bij realisering van het bouwplan in de voorziene omvang. In hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan.

Over het door [appellant] in het kader van de weigering vrijstelling te verlenen gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat de door hem bedoelde situaties niet zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het bouwplan.

Het betoog faalt.

2.4. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college de vrijstelling in redelijkheid kunnen weigeren. Gelet hierop was het college gehouden om de gevraagde bouwvergunning te weigeren. [appellant] heeft derhalve geen belang meer bij een oordeel over de vraag of het college het advies van de welstandscommissie terecht aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

392.