Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200803969/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2006 tot toepassing van bestuursdwang jegens [appellant] strekkende tot het verwijderen van een paardenstal, een als paardenstal dienst doende container en een fundering ten behoeve van een op te richten paardenstal (hierna: de bouwwerken) op het perceel [locatie] te Best (hierna: het perceel). Het bezwaar is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803969/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Best,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 april 2008 in zaak nr. 07/2469 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Best.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2006 tot toepassing van bestuursdwang jegens [appellant] strekkende tot het verwijderen van een paardenstal, een als paardenstal dienst doende container en een fundering ten behoeve van een op te richten paardenstal (hierna: de bouwwerken) op het perceel [locatie] te Best (hierna: het perceel). Het bezwaar is ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2008, verzonden op 28 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 12 juli 2007 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het ontbreken van een begunstigingstermijn ongegrond is verklaard, de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand gelaten en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Hassankhan, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Gehandeld is in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Hiertoe voert hij aan dat het college heeft toegezegd dat voor de bouwwerken op het perceel bouwvergunning zou worden verleend.

2.3.1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Ter zitting is komen vast te staan dat de brief van het college van 31 maart 2006 - waarin onder meer is toegezegd dat [appellant] de ten behoeve van de renovatie afgebroken paardenstallen mag herbouwen, mits hiervoor een vaste plaats wordt aangewezen en mits een bouwvergunning wordt aangevraagd en [appellant] instemt met nader in de brief aangegeven afspraken - geen betrekking heeft op de paardenstal en de als paardenstal dienst doende container, welke tijdelijk op het perceel aanwezig waren. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat voor de plaats van de fundering van de op te richten paardenstal geen overleg met het college heeft plaatsgevonden, hiervoor geen bouwvergunning is aangevraagd en dat [appellant] niet heeft ingestemd met de in de brief van 31 maart 2006 verwoorde nadere afspraken met het college. Onder deze omstandigheden kon aan de brief niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat voor dit bouwwerk bouwvergunning zou worden verleend. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens het college anderszins toezeggingen zijn gedaan dat voor de bouwwerken bouwvergunning zou worden verleend.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

414-593.