Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200900930/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) een verklaring gegeven als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een wijziging van de veehouderij van [vergunninghouder] (hierna: de maatschap) aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 29 december 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/5375
JOM 2009/300
JM 2009/52 met annotatie van Zigenhorn
OGR-Updates.nl 09-41 met annotatie van Valérie Lam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900930/1/M2.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Uden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) een verklaring gegeven als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een wijziging van de veehouderij van [vergunninghouder] (hierna: de maatschap) aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 29 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De maatschap heeft stukken in het geding gebracht.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door ing. A.A.S.A.M. Zwaans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, vergezeld door [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter overweegt allereerst dat het treffen van een voorziening om - zoals [verzoeker] kennelijk wenst - te verhinderen dat overeenkomstig de gemelde veranderingen wordt gebouwd, niet mogelijk is. Gebleken is dat de desbetreffende bouwwerkzaamheden inmiddels zijn voltooid.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.4. De voorzitter overweegt dat in dit geding ter beoordeling staat of de door het college krachtens artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer gegeven verklaring voldoet aan de daaraan in dat artikel gestelde eisen. De argumenten en stellingen van [verzoeker] die hierop geen betrekking hebben, blijven in het navolgende onbesproken.

2.5. De melding heeft betrekking op de wijziging van een stal door het slopen van een drijfmestput, het naar voren plaatsen van de voerruimte, het plaatsen van een kantine, en het verhogen van de nok. Het college heeft bij het bestreden besluit verklaard dat deze veranderingen niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken, noch tot een andere inrichting, en evenmin aanleiding geven tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 en 8.25.

2.6. [verzoeker] heeft betoogd dat niet alle voor de inrichting verleende milieuvergunningen in werking zijn getreden. Wat daar ook van zij, dit betekent niet dat het college niet krachtens artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer een verklaring mocht geven. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 juni 2004 in zaak nr. 200406607/1 bieden de bewoordingen van artikel 8.19 geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de onderliggende vergunning niet alleen moet zijn verleend, maar dat het besluit tot vergunningverlening tevens in werking moet zijn getreden alvorens een melding kan worden gedaan en het bevoegd gezag daarop een verklaring kan geven.

[verzoeker] heeft ter zitting nog betoogd dat de gemelde veranderingen leiden tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de voor haar geldende vergunningen mag veroorzaken. Hij heeft deze stelling echter niet aannemelijk gemaakt.

Nu ook voor het overige in het betoog van [verzoeker] geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat het college ten onrechte de bestreden verklaring heeft gegeven, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

262-576.