Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200804885/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2006 heeft appellante (hierna: de raad) een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804885/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Lelystad,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 mei 2008 in zaak nr. 07/1853 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats],

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2006 heeft appellante (hierna: de raad) een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2007 heeft de raad het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 juli 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door W. Akster, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [twee van de wederpartijen], bijgestaan door mr. A.P.J. Timmermans, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [wederpartijen], die zeven windturbines langs de Overijsselse Tocht exploiteren, hebben verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te lijden als gevolg van de vermindering van de energieopbrengst daarvan als gevolg van het vrijstellingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad van 3 december 2002, dat de realisatie van drie windturbines door [VOF Windmolenpark] op de gronden ten westen van hun windturbines mogelijk maakt. De drie windturbines staan in lijn met de zeven windturbines van [wederpartijen] en hebben een ashoogte van 70 meter, elk drie rotorbladen met een lengte van 33 meter en staan op een onderlinge afstand van ongeveer 445 meter.

2.2.1. De gronden waarop de windturbines zijn gerealiseerd hebben ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Lelystad (gedeelte Oostelijk Flevoland)", vastgesteld door de minister van Verkeer en Waterstaat op 27 december 1979, de bestemming "Agrarisch gebied zonder bebouwing".

2.2.2. Niet in geschil is dat [wederpartijen] door de planologische wijziging in een enigszins nadeliger positie zijn komen te verkeren en dientengevolge enige schade lijden. De raad heeft de door de planwijziging veroorzaakte schade echter voor hun rekening gelaten, omdat de planologische wijziging ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve van de realisering van hun zeven windturbines op 29 mei 2001 voorzienbaar was en zij daarmee derhalve rekening hebben kunnen houden.

2.3. De raad betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad in het besluit van 6 september 2007 wat betreft de voorzienbaarheid een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het advies van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van oktober 2006.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Volgens het advies van de SAOZ was voor [wederpartijen] ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve van de realisering van hun zeven windturbines kenbaar dat de oprichting van een kleinschalige lijnopstelling met maximaal tien windturbines op de onderhavige gronden was toegestaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de raad met het door haar ingenomen standpunt dat de planologische wijziging ten tijde van de verlening van die vrijstelling en bouwvergunning voor [wederpartijen] voorzienbaar was, dan ook geen onjuiste uitleg gegeven aan dit advies

2.4. De raad betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planologische wijziging niet voorzienbaar was omdat het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland ten aanzien van de plaatsing van windturbines aan de Overijsselse Tocht geen concrete aanknopingspunten bevat en ook de gemeente Lelystad geen duidelijk beleid heeft ten aanzien van windturbines.

2.4.1. De rechtbank moest onderzoeken of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning voor de zeven windturbines op 29 mei 2001 voor [wederpartijen] aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op de gronden ten westen van hun windturbines in voor hun ongunstige zin zou veranderen. Daarbij is van belang of concrete beleidsvoornemens bestonden die openbaar zijn gemaakt. Niet is vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen krachtens enige wettelijke bepaling is vastgesteld. Evenmin is vereist dat, zoals [wederpartijen] hebben gesteld, sprake moet zijn van een eigen gemeentelijk beleid.

2.4.2. Volgens het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland kunnen onder bepaalde voorwaarden kleinschalige opstellingen in Oostelijk- en Zuidelijk Flevoland en één kleinschalige opstelling in de Noordoostpolder worden gerealiseerd. De kleinschalige opstellingen moeten bestaan uit minimaal zes en maximaal tien windturbines met een maximale ashoogte van 70 meter.

Op de bij het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland behorende kaart 4.7. is onder meer aangegeven in welke gebieden kleinschalige opstellingen niet kunnen worden geplaatst.

In de "Beleidsregel plaatsing windmolens" (hierna: de Beleidsregel), vastgesteld door gedeputeerde staten van Flevoland op 21 februari 2001 en in werking getreden op 1 maart 2001, is het in het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland neergelegde beleid met betrekking tot de plaatsing van windmolens en voormelde kaart opgenomen en zijn aanvullende regels gesteld.

2.4.3. Ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning voor de zeven windturbines op 29 mei 2001 was voor [wederpartijen] op grond van de Beleidsregel kenbaar dat kleinschalige opstellingen bestaande uit minimaal zes en maximaal tien windturbines ter plaatse konden worden gerealiseerd. Uit de Beleidsregel kan niet worden afgeleid dat het binnen een lijnopstelling maximaal toegestane aantal windturbines tegelijkertijd opgericht dient te worden. De gronden waarop de drie windturbines van VOF Windmolenpark Heijbro inmiddels zijn gerealiseerd zijn, evenals de gronden waarop de zeven windturbines van [wederpartijen] zijn gerealiseerd, volgens de bij het Provinciaal Omgevingsplan Flevoland behorende kaart niet als "Uitgesloten gebied" gemarkeerd, zodat dat [wederpartijen] er rekening mee konden en moesten houden dat in lijn met hun zeven windturbines nog ruimte was voor de realisering van maximaal drie windturbines. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de door de planwijziging veroorzaakte schade voor rekening van [wederpartijen] kan worden gelaten, omdat de nadelige planwijziging ten tijde van de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning voor de zeven windturbines op 29 mei 2001 voorzienbaar was. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 september 2007 van de raad alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 mei 2008 in zaak nr. 07/1853;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

344.