Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200803615/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen voor het plaatsen van een vlot aan de waterzijde van zijn woonboot "[naam]" aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803615/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2008 in zaak nr. 07/281 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen voor het plaatsen van een vlot aan de waterzijde van zijn woonboot "[naam]" aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2008, verzonden op 10 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door E.P. Blaauw, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door Y.A.M. Ekelschot en A.J.M. van Dijk, beiden werkzaam bij de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de Vhb) is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

Ingevolge het vierde lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot afmetingen en met het oog op ordening, welstand, openbare orde, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart.

2.1.1. Ingevolge de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam moet in de bovenvermelde bepaling van de Vhb voor "het college" worden gelezen "het dagelijks bestuur".

2.1.2. Het dagelijks bestuur hanteert bij de toepassing van artikel 2.5.2, tweede lid, van de Vhb de nota "Wonen op de Amstel geregeld" van 24 februari 2004 (hierna: de nota). Hierin is bepaald dat de oppervlakte van de buitenruimte bij een woonboot maximaal 25 m2 mag zijn. Een nautische toets zal per geval moeten uitwijzen of de beoogde buitenruimte ook op de plek past. Volgens de nota wordt reeds aanwezige buitenruimte vergund en wordt bij vervanging van de aanhorigheden of de woonboot en bij wijziging van de eigenaar de 25 m2-regeling toegepast. Een uitzondering hierop vormen de steigers of vlotten waar nautisch bezwaar tegen bestaat. Deze moeten direct verwijderd of aangepast worden.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft de gevraagde ontheffing geweigerd, omdat uit het nautische advies van de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam van 18 januari 2006 blijkt dat het door [appellant] gewenste vlot nautische hinder oplevert. Het vlot is volgens dat advies geprojecteerd in het verlengde van de eerste brugopening van de Berlagebrug en zal daardoor een vrije doorgang door vaartuigen die van die opening gebruik maken belemmeren.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur het advies van de dienst Binnenwaterbeheer in redelijkheid heeft kunnen overnemen en ten grondslag kunnen leggen aan zijn weigering om ontheffing te verlenen voor het vlot van [appellant]. Zij volgt niet het betoog van [appellant] dat van een onaanvaardbare nautische situatie geen sprake is.

2.3.1. [appellant] bestrijdt dit oordeel tevergeefs. De eerste brugopening van de Berlagebrug is bestemd voor en biedt de mogelijkheid tot doorvaart. Het dagelijks bestuur heeft met verwijzing naar het advies van de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam voldoende aannemelijk gemaakt dat die doorvaart wordt belemmerd indien naast de woonboot van [appellant], die volgens het advies reeds een kwart van de brugopening blokkeert, ook nog een vlot wordt geplaatst.

[appellant] heeft gesteld dat het met aanwending van de voor het varen met schepen en roeiboten vereiste vaardigheden mogelijk is zijn vlot te ontwijken. Ter onderbouwing heeft hij in beroep een advies overgelegd, gedateerd 1 oktober 2007, waarin voorts wordt gesteld dat het vlot de veiligheid verhoogd van de woonboot van [appellant] omdat het aanvaringen met dat vaartuig voorkomt.

Het betoog faalt. Bij de beoordeling of het dagelijks bestuur de ontheffing mocht weigeren staat voorop dat de eerste brugopening bestemd is voor scheepvaart en derhalve door de scheepvaart zonder hinder moet kunnen worden gebruikt. Derhalve is voor die beoordeling bepalend, niet of vaartuigen het vlot van [appellant] al dan niet met moeite en stuurmanskunst kunnen ontwijken, maar of aannemelijk is dat het scheepvaartverkeer hinder zal ondervinden van het vlot. Het dagelijks bestuur heeft aannemelijk gemaakt dat het wateroppervlak dat wordt ingenomen door het vlot van [appellant] beschikbaar moet zijn als manoeuvreerruimte voor de vaartuigen die van de eerste brugopening gebruik wensen te maken en dat derhalve de situatie ter plaatse, anders dan [appellant] betoogt, niet veiliger wordt door het aanbrengen van het vlot. Dat [appellant] het vlot aan de buitenzijde van zijn woonboot wenselijk acht ter voorkoming van aanvaringen en om schepen te dwingen af te remmen zodat hinder van golfslag wordt voorkomen, doet niet af aan het vorenoverwogene. Het dagelijks bestuur stelt zich terecht op het standpunt dat, nu [appellant] er zelf voor heeft gekozen ligplaats in te nemen op een druk bevaren waterweg en op een zodanige plaats dat zijn woonboot reeds enige hinder voor de doorvaart door de eerste brugopening veroorzaakt, de nautische belangen die zich verzetten tegen de beoogde situering van het vlot moeten prevaleren boven de aangevoerde belangen van [appellant].

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de Vhb geen grondslag voor de weigering biedt omdat het Binnenvaartpolitiereglement voorziet in verkeersregulering en de Vhb daarvoor moet wijken slaagt evenmin. Blijkens het besluit op bezwaar stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat uit een oogpunt van veiligheid en doelmatig gebruik van het water een vrije doorvaart ter plaatse van de Berlagebrug mogelijk moet zijn. Het dagelijks bestuur heeft de gevraagde ontheffing derhalve geweigerd met het oog op de ordening van het gebruik van het openbare water. Het is daarmee niet buiten de grenzen van de Vhb getreden.

2.5. [appellant] voert ten slotte aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Hij wijst op de aan de woonbootbewoners van de Amsteldijk gerichte brief van het stadsdeel Zuideramstel van 4 mei 2004 en de aan hem persoonlijk gerichte brief van het stadsdeel van 7 oktober 2004, die bij hem de verwachting hebben gewekt dat ontheffing zou worden verleend.

2.5.1. In zijn brief van 4 mei 2004 heeft het stadsdeel het nieuwe woonbotenbeleid, neergelegd in de nota, uiteengezet. Ten aanzien van de buitenruimte bij de woonboten is vermeld dat besloten is dat alle aanhorigheden die op dat moment bij de woonboot aanwezig zijn, worden vergund. De brief van 7 oktober 2004, die [appellant] ter zitting heeft overgelegd, strekt tot bevestiging van de aanvraag van [appellant] om verlenging van de ligplaatsvergunning voor zijn woonschip "De Verbeelding". In die brief is, met verwijzing naar de brief van 4 mei 2004, vermeld dat naast een ligplaatsvergunning ook een vergunning voor de bij het woonvaartuig behorende aanhorigheden vereist is. Daarbij is meegedeeld dat eerst alle ligplaatsvergunningen worden afgegeven, waarna de aanhorigheden zouden volgen.

Aan deze brieven heeft [appellant] niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat voor het plaatsen van het vlot ontheffing zou worden verleend. In de brief van 4 mei 2004 wordt verwezen naar de nota en de daarin vermelde, hierboven weergegeven overgangsregeling, doch daarin is tevens vermeld dat ten aanzien van vlotten waartegen nautische bezwaren bestaan hierop uitzondering wordt gemaakt en dat deze vlotten direct moeten worden verwijderd of aangepast. [appellant] was ervan op de hoogte dat tegen zijn vlot nautische bezwaren bestonden. Op 7 juli 2003 is hij immers door de dienst Binnenwaterbeheer aangeschreven om zijn vlot te verwijderen. Daarbij is meegedeeld dat voor het stadsdeel Zuideramstel nieuw beleid in ontwikkeling is, waarin mogelijk onder bepaalde omstandigheden bepaalde voorzieningen zouden worden toegestaan, maar dat dit vlot ook dan niet voor ontheffing in aanmerking zou komen in verband met de nautische onaanvaardbaarheid van de situering ervan. Gelet hierop had [appellant], zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, moeten begrijpen dat de algemeen gestelde mededeling in de brief van 4 mei 2004 geen betrekking had op zijn vlot. De brief van 7 oktober 2004 bevat evenmin een toezegging dat ontheffing zal worden verleend.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Visser

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009

148.