Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200900224/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan het Lange Land Ziekenhuis een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een ziekenhuis met kantoren aan de Toneellaan 1 en de Kadelaan 6 te Zoetermeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900224/2/M1.

Datum uitspraak: 2 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) aan het Lange Land Ziekenhuis een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een ziekenhuis met kantoren aan de Toneellaan 1 en de Kadelaan 6 te Zoetermeer.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2009. Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Haak, advocaat te Den Haag, en C. van der Dussen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting het Lange Land Ziekenhuis, vertegenwoordigd door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en [belanghebbende], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekers] stellen dat bij de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit niet alle relevante stukken, zoals eerder verleende vergunningen, ter inzage hebben gelegen. Voorts waren de wel ter inzage gelegde stukken volgens hen incompleet.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2.2. Ter zitting is van de zijde van het college verklaard dat bij de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit alle relevante stukken volledig ter inzage hebben gelegen en dat ook bij het bezoek van [verzoeker] aan het gemeentehuis het complete ter inzage liggende pakket stukken steeds ter vrije beschikking van hem op tafel heeft gelegen. Gezien deze verklaringen ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. [verzoekers] hebben zich in het beroepschrift wat de gronden over noodgebouwen, geluidhinder door het Centrum Acute Zorg, het nierdialysecentrum en de polikliniek 2½ betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [verzoekers] hebben in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Nu de voorzitter verwacht dat de Afdeling het beroep daarom in zoverre ongegrond zal verklaren, ziet de voorzitter in deze gronden geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Ten aanzien van de grond over lichthinder vanwege het Centrum Acute Zorg overweegt de voorzitter als volgt. [verzoekers] hebben volstaan met te stellen dat zij lichthinder ondervinden zonder dit nader te onderbouwen. Ook ter zitting is niet gebleken dat de lichthinder die zou worden ondervonden zodanig van omvang is, dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed vereist dat ter zake een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.5. Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2009

288.