Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH5475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
200809285/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 november 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4109
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2829
JOM 2010/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809285/2/M2.

Datum uitspraak: 2 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door ing. M.M.J. Pijnenburg en M.M.L. van Lankvelt, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorie├źn milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze een appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

[verzoeker] heeft geen zienswijzen met betrekking tot luchtkwaliteit naar voren gebracht. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, acht de voorzitter aannemelijk dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. Het verzoek van [verzoeker] om het treffen een voorlopige voorziening dient om die reden in zoverre te worden afgewezen.

2.3. [verzoeker] voert aan dat het college ten onrechte bij het bestreden besluit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (hierna: milieuvergunning) heeft verleend aan [vergunninghoudster] omdat dit zal leiden tot een toename van stankhinder die toch al ernstig is. Voorts betoogt [verzoeker] dat, zo begrijpt de voorzitter het verzoek, het college op basis van de vastgestelde gemeentelijke verordening voor zijn woning een onjuiste geurnorm heeft gehanteerd. Tevens stelt hij dat de cumulatieve stankhinder, mede veroorzaakt door de aanwezigheid van een pluimveehouderij in de nabije omgeving, leidt tot een voor hem onaanvaardbare stankoverlast. Het college had bij het nemen van het bestreden besluit volgens [verzoeker] ook rekening moeten houden met de in de toekomst geplande uitbreiding van deze pluimveehouderij.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde voldoet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden.

2.3.2. Voor de gemeente Boxmeer is een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder vastgesteld. Ingevolge deze verordening geldt voor woningen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, zoals de woning van [verzoeker], een waarde van 14,0 odour units per kubiek meter lucht. Deze waarde stemt overeen met de waarde van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet geurhinder. De voorzitter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college voor de woning van [verzoeker] een onjuiste norm heeft gehanteerd. Nu [verzoeker] niet bestrijdt dat uit de uitgevoerde berekening in het kader van de Wet geurhinder volgt dat aan de geldende geurnorm is voldaan ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2008 in zaak nr. 200707440/1) dient het college op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder bij de beslissing omtrent verlening van de gevraagde vergunning de stankhinder uitsluitend te betrekken op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wet geurhinder. Deze artikelen voorzien niet in een toetsing van cumulatieve stankhinder. Het college heeft een dergelijke beoordeling dan ook terecht niet uitgevoerd. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat ook in zoverre geen aanleiding.

2.4. [verzoeker] betoogt dat het college in de milieuvergunning van onjuiste geluidgrenswaarden is uitgegaan. In dit verband voert hij aan dat het college voor de te hanteren geluidgrenswaarden aansluiting had moeten zoeken bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Bovendien had het uitgevoerde akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting van de inrichting volgens [verzoeker] op metingen gebaseerd moeten worden en niet slechts op berekeningen.

2.4.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.2. Het college heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In vergunningvoorschrift 6.2.1 heeft het college voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de richtwaarden voor een landelijk gebied als grenswaarden opgenomen. Indien zoals hier de grenswaarden worden afgestemd op de richtwaarden, eist de Handreiking niet om daarbij tevens het referentieniveau van het omgevingsgeluid te betrekken. In vergunningvoorschrift 6.2.2 heeft het college maximale geluidgrenswaarden opgelegd die niet hoger zijn dan de in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar aangemerkte grenswaarden. Het college heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

2.4.3. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat vanwege de inrichting aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. [verzoeker] heeft niet concreet onderbouwd dat die conclusie niet juist is.

2.4.4. Met betrekking tot de stelling van [verzoeker] dat het college had moeten eisen dat de uitbreiding van de varkenshouderij, in verband waarmee de revisievergunning is aangevraagd, ter beperking van geluidhinder voor [verzoeker] in de richting van de nabij gelegen snelweg had moeten plaatsvinden in plaats van in de richting van de woning van [verzoeker], overweegt de voorzitter dat het college van de aanvraag diende uit te gaan en daarop diende te beslissen. Het stond het college dan ook niet vrij te eisen dat de uitbreiding op een andere plaats diende te worden gesitueerd dan was aangevraagd.

2.4.5. Het verzoek van [verzoeker] tot het treffen van een voorlopige voorziening dient ook wat betreft het geluidaspect te worden afgewezen.

2.5. [verzoeker] vreest voor vliegenoverlast als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de varkenshouderij. In dit verband heeft het college volgens [verzoeker] ten onrechte nagelaten vooraf nader onderzoek te doen naar mogelijke vliegenoverlast.

2.5.1. Het college neemt het standpunt in dat het voldoende voorschriften aan de milieuvergunning heeft verbonden om vliegenoverlast te voorkomen. Het college verwijst daartoe naar de vergunningvoorschriften 1.1.2 en 9.1.5.

2.5.2. Gelet op het feit dat [verzoeker] niet nader heeft gemotiveerd waarom deze voorschriften ter voorkoming van vliegenoverlast onvoldoende zijn, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het verzoek van [verzoeker] tot het treffen van een voorlopige voorziening dient ook in zoverre te worden afgewezen.

2.6. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2009

373-596.