Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200705084/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2007, no. 1242756, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 2006".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/286
JBO 2009/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705084/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2 A], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 2 B], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellante sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellante sub 6]], gevestigd te [plaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellanten sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],

14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te [woonplaats],

15. [appellanten sub 15], beiden wonend te [woonplaats],

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellanten sub 17], gevestigd te [plaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellante sub 20 A], gevestigd te [plaats], en [appellant sub 20 B], wonend te [woonplaats],

21. [appellanten sub 21], beiden wonend te [woonplaats],

22. de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,

23. Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, gevestigd te Boxtel,

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25. het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,

26. de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, gevestigd te Boxtel, [vennoot A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B], wonend beiden te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],

28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007, no. 1242756, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 2006".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 20 juli 2007, [appellante sub 2 A], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 2 B] (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 20 juli 2007, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 1 augustus 2007, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007, [appellante sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellanten sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellant sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellante sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellante sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellanten sub 15] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 29 augustus 2007, [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, [appellanten sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, [appellant sub 18] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellante sub 20 A] en [appellant sub 20 B] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, [appellanten sub 21] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant Het groene hart (hierna: Het groene hart) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere (hierna: de werkgroep en andere) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 24] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 27] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007 en [appellant sub 28] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, beroep ingesteld.

[appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellante sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellant sub 4] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007. [appellante sub 5] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2007. [appellant sub 12] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellant sub 18] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007. [appellanten sub 20] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 27 september 2007 en Hexspoor-Van der Griend hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007. [appellant sub 24] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], [appellanten sub 21], [appellant sub 24], [appellant sub 27], het college, en de raad van de gemeente Boxtel hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 5], [appellant sub 9], [appellanten sub 11], [appellante sub 13], [appellante sub 14], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A] en Het groene hart hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 september 2008, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 3], bijgestaan door H. Ras, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, [appellante sub 5], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, [appellant sub 7], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 8], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 9], bijgestaan door ing. W. Hilbink, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door drs. H.P.W. Havens, [appellanten sub 11], in persoon, [appellant sub 12], vertegenwoordigd door J.A.J.M. van Houtum, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door drs. H.P.W. Havens, [appellante sub 14], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellanten sub 15], vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols, [appellant sub 16], bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, [appellanten sub 17], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 18], in persoon, [appellant sub 19], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellanten sub 20], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, [appellanten sub 21], bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, Het groene hart, vertegenwoordigd door B.H.P.A. van Dinther, werkzaam bij de Brabantse Milieufederatie, de werkgroep en andere, vertegenwoordigd door B.H.P.A. van Dinther, werkzaam bij de Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 24], vertegenwoordigd door L.J.M. Faase, rentmeester, en mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Hoppenbrouwers, ambtenaar in dienst van de gemeente, de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A], vertegenwoordigd door mr. D. Kik, werkzaam bij de ZLTO, en bijgestaan door P. Schalk, boomteeltdeskundige en J. Roymans, archeoloog, [appellant sub 27], bijgestaan door ir. L.J. Vollebregt, [appellant sub 28], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.M.C. van Driel-Faasen en A.J. Vos, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. H. Hoppenbrouwers, ing. M. van Oostveen, M. van Geel, M.W.C Heesbeen, ing. E.J. van Mil en drs. P.H.C.M. van der Velden, ambtenaren in dienst van de gemeente, G.H.C. van den Oetelaar, wethouder, en drs. F.P. Kortlang, werkzaam bij ArchAeO, Archeologische Advisering en Ondersteuning, en R.K. Voetbalvereniging ODC, vertegenwoordigd door K. Bekers, vice-voorzitter, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellante sub 6] heeft in beroep onder meer aangevoerd dat ten onrechte aan haar perceel gelegen aan de overzijde van de Schijndelsedijk op de ecologische waardenkaart de aanduiding 'leefgebied das' is toegekend. Zij betoogt dat de feitelijke situatie noch het streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in balans", zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (hierna: het streekplan) deze aanduiding rechtvaardigt. Bovendien is het aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereiste onnodig belemmerend voor de agrarische bedrijfsvoering, aldus [appellante sub 6].

2.1.1. In het deskundigenbericht is gesteld dat het desbetreffende perceel in het kader van de ruilverkaveling inmiddels aan een ander bedrijf is toegewezen. [appellante sub 6] heeft nu de beschikking gekregen over een perceel dat elders ligt, waaraan niet de aanduiding 'leefgebied das' is toegekend. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien het voorgaande nog procesbelang heeft bij een uitspraak op dit punt. Het beroep van [appellante sub 6] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. [appellanten sub 11] hebben in beroep aangevoerd dat ten onrechte de zandpaden in de omgeving van hun bedrijven niet op de plankaart zijn ingetekend. Ter zitting hebben zij te kennen gegeven geen belang meer te hebben bij de beoordeling van deze beroepsgrond. Het beroep van [appellanten sub 11] is op dit punt niet-ontvankelijk.

2.3. Het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze noch op bij het college ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze en bij het college ingebrachte bedenkingen heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht en geen bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en"Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Het beroep van de Werkgroep en andere voor zover dat betrekking heeft op het bolle/open akkercomplex Blauwhoefse Loop en Kalksheuvel steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over deze bolle akkers. Het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", berust niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over dit plandeel.

2.4.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre niet ontvankelijk.

Het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B] is in zoverrre niet ontvankelijk.

Intrekking

2.5. Ter zitting heeft [appellant sub 16] zijn beroepgrond betreffende kuilvoerplaten en sleufsilo's, ingetrokken.

Formeel bezwaar

2.6. [appellanten sub 11] hebben als procedureel punt aangevoerd dat zij ten onrechte niet door het college zijn uitgenodigd om hun ingediende bedenkingen mondeling toe te lichten.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat per 1 juli 2005 de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO is komen te vervallen. Gelet op het feit dat het ontwerpplan niet vóór 1 juli 2005 ter inzage was gelegd, was het college niet wettelijk verplicht om [appellanten sub 11] te horen in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen.

Het betoog van [appellanten sub 11] op dit punt faalt.

Toetsingskader

2.7. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De beroepen met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)"

2.8. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde betogen dat ten onrechte gronden die voor boomteelt zijn bestemd, in het plan mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of de cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) op die gronden voorkomen.

Dit klemt volgens hen te meer nu het merendeel van de gronden die voor boomteelt in gebruik mogen worden genomen op plankaart 7 en 8 zijn aangewezen voor een ecologisch, cultuurhistorische en/of archeologische waarde en in het plan ter bescherming van die waarden een aanlegvergunningstelsel is opgenomen.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde voeren aan dat naar het voorkomen van de voornoemde waarden, met name de archeologische waarden, op gronden die volgens het plan voor agrarische doeleinden zijn bestemd onvoldoende onderzoek is verricht. Zij stellen dat de agrarische gronden in het plangebied al generaties lang door boomkwekers zijn bewerkt, zodat eventuele archeologische waarden tot een diepte van 50 centimeter al aangetast zijn. Zij betogen voorts dat door de veelal onduidelijke begripsomschrijving van aanlegvergunningplichtige werken en werkzaamheden onduidelijk is voor welke werken en/of werkzaamheden een aanlegvergunning vereist is. Indien een aanlegvergunningplicht zou bestaan, betekent dit een ernstige belemmering van de bedrijfsvoering, aldus [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde.

2.8.1. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] exploiteren allen een agrarisch bedrijf in het plangebied. Het merendeel van hen heeft een boomkwekerij in het plangebied. Een aantal heeft concrete plannen om een boomkwekerij op te richten in het plangebied. In de boomkwekerijsector brengt een normale bedrijfsvoering mee dat percelen worden geruild met andere agrariërs, zodat voor een beoordeling van de bezwaren van de boomkwekers niet alleen relevant zijn de gronden die op dit moment bij de boomkwekers in beheer waren, maar alle gronden waar boomteelt mogelijk is. De Afdeling stelt vast dat het plan boomteelt toelaat op de gronden met de bestemmingen "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". De gronden met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn tevens bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) op die gronden voorkomen. In de voorschriften behorende bij de voornoemde bestemmingen is opgenomen dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de in de tabel aanlegvergunningen genoemde werken of werkzaamheden uit te voeren, indien en voor zover de gronden blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of de cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) een waarde hebben en in de tabel bij de betreffende waarde en de betreffende werken en werkzaamheden een 'a' is vermeld. Vrijwel alle gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" dan wel "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" vertegenwoordigen gezien de plankaarten 7 en 8 één of meerdere ecologische, cultuurhistorische en/of archeologische waarden. Het voornoemde verbod is volgens de voorschriften bij deze bestemmingen niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

De vergunning wordt blijkens de planvoorschriften bij de voornoemde bestemmingen slechts verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

2.8.2. De raad heeft zich wat betreft de begrenzing van de ecologische waarden zoals opgenomen op plankaart 7 gebaseerd op broedvogelgegevens van de provincie Noord-Brabant, literatuuronderzoek en de streekplankaart. De aanduidingen 'hoge ensemblewaardering historische geografie' en 'bolle akker/open akker' zijn gebaseerd op de rapporten "217-Inventarisatie en Waardering Cultuurhistorie Buitengebied gemeente Boxtel eindrapport" uit 2005 van Past2Present-Archeologic b.v en Oranjewoud b.v. en "Gemeente Boxtel, Een cultuurhistorische en archeologische waardestelling van Bolle Akkers en Open Akkers in het buitengebied van Boxtel en Liempde" van ArchAeO, Archeologische Advisering en Ondersteuning. Wat betreft de begrenzing van de aanduiding 'indicatieve archeologische verwachtingswaarde hoog of middelhoog' is de raad uitgegaan van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden, die is opgesteld door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de RACM) en die is opgenomen in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. De 'archeologische monumenten' zijn overgenomen van de Archeologische Monumentenkaart die is opgesteld door de RACM en die is geïntegreerd in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.

2.8.3. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest om het normale, bestaande gebruik van gronden ten behoeve van boomteelt aan een aanlegvergunningstelsel te onderwerpen. Wel geldt volgens de raad een aanlegvergunningplicht voor gronden die binnen de planperiode voor boomteelt in gebruik worden genomen. De vraag of een aanlegvergunning kan worden verleend, zal dan worden beoordeeld aan de hand van de uitkomsten van een door de gebruiker van de grond te overleggen onderzoek naar de archeologische waarden van die gronden, aldus de raad. Naar het oordeel van de Afdeling volgt dit onderscheid niet eenduidig uit de planvoorschriften. Voorts heeft het college, noch de raad er blijk van gegeven dat rekening is gehouden met de noodzaak van wisselteelt voor een gezonde boomteeltsector en is bij het leggen van de dubbelbestemming op de agrarische gronden niet bezien of een verbod van de opgesomde werken en/of werkzaamheden, gekoppeld aan een aanlegvergunningenstelsel, voor de bestaande boomkwekers, die voor een normale bedrijfsvoering van de wisselteelt afhankelijk zijn, niet leidt tot een onevenredige belemmering van hun bedrijfsvoering. Van een zorgvuldige afweging van de belangen die (mogelijk) zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en de bedrijfsbelangen van de boomkwekers is niet gebleken. Dit klemt te meer nu een nader inventariserend onderzoek ontbreekt naar de aanwezigheid van die waarden op de gronden, waaraan de dubbelbestemming is toegekend, terwijl in het streekplan is bepaald dat in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. De Afdeling stelt verder vast dat de definities van de aanlegvergunnningsplichtige werken/werkzaamheden 'afgraven', 'ophogen', 'vergraven' en 'rooien van houtgewas' zoals opgenomen in bijlage 3 van de planvoorschriften waarnaar in de voorschriften behorende bij de voornoemde bestemmingen wordt verwezen, onduidelijk zijn en dat de definitie van 'diepploegen' in diezelfde bijlage een andere is dan de definitie van 'diepploegen' zoals opgenomen in de begripsbepaling in artikel 1 van de planvoorschriften. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat op dit punt een onduidelijke situatie in het leven is geroepen.

2.8.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant sub 4], van [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], zijn in het geheel, en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 6], [appellant sub 12], en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde". Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de voornoemde plandelen.

Het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige

2.9. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte hun bedenking inhoudende dat een deel van de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak aan [locatie 1] valt buiten behandeling heeft gelaten. Zij voeren aan dat het toegekende bouwvlak te klein is. [appellanten sub 1] wensen dat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak wordt opgenomen en dat er de nodige uitbreidingsruimte wordt toegekend. Ten onrechte is volgens [appellanten sub 1] geen rekening gehouden met het feit dat er sprake is van een gemengd bedrijf.

2.9.1. Het college betoogt dat de bedenking van [appellanten sub 1] dat een deel van de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak valt niet steunt op een bij de raad ingediende zienswijze, zodat deze bedenking buiten beschouwing dient te worden gelaten. Ambtshalve heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de mestsilo's en varkensstallen geheel binnen het toegekende bouwvlak vallen. Verder heeft het college ambtshalve geconstateerd dat een deel van de bestaande sleufsilo's buiten het in het plan opgenomen bouwvlak wat betreft de gronden aan de [locatie 1] valt. Gelet hierop heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" wat betreft [locatie 1]. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de raad in redelijkheid in de door [appellanten sub 1] gestelde omstandigheid dat het om een gemengd bedrijf gaat, geen reden behoefde te zien om extra uitbreidingsruimte aan het bedrijf toe te kennen.

2.9.2. [appellanten sub 1] exploiteren een rundvee- en varkenshouderij aan [locatie 1]. In het plan zijn de gronden aan [locatie 1] ten dele aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)". Ingevolge artikel 3.2 van de planvoorschriften mogen op de tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. De totale omvang van de gronden met deze bestemming bedraagt ruim 2,5 hectare.

Voor het overige hebben de gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" gekregen. In artikel 5.2 van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden (AD)" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. uitsluitend andere-bouwwerken zijn toegestaan.

(…)

d. kuilvoerplaten en sleufsilo's niet zijn toegestaan.

(…).

De gronden zijn in het reconstructieplan aangewezen als verwevingsgebied.

2.9.3. In de zienswijze hebben [appellanten sub 1] aangevoerd de omvang van het toegekende bouwvlak aan [locatie 1] te klein te vinden. Hiermee richten zij zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" wat betreft de gronden aan [locatie 1]. Het in hun bedenking aangevoerde bezwaar dat ten onrechte bebouwing buiten het bouwblok aan [locatie 1] is gelaten, kan als nadere onderbouwing hiervan worden beschouwd. Dit bezwaar vindt derhalve zijn grondslag in de door [appellanten sub 1] bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Gelet op het voorgaande had het college de bedenking op dit punt niet buiten beschouwing mogen laten. De Afdeling stelt echter vast dat het college bij het bestreden besluit ambtshalve is ingegaan op hetgeen [appellanten sub 1] op dit punt in hun bedenkingen hebben aangevoerd. Dit betekent dat zij niet in hun belangen zijn geschaad door het feit dat het college bij het bestreden besluit de hierbedoelde bedenking als zodanig buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens het deskundigenbericht valt alleen een deel van de sleufsilo's buiten het bouwblok. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Gelet op de overwegingen van het bestreden besluit heef het college erkend dat een deel van de sleufsilo's buiten het bouwvlak valt en heeft het college beoogd in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan. In het dictum van het bestreden besluit heeft het college evenwel goedkeuring onthouden aan het bouwvlak behorend bij het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", aan [locatie 1]. Door de onthouding van goedkeuring aan het bouwvlak wordt het betrekken van gronden buiten het bouwvlak bij het bouwvlak nog niet mogelijk. Het college heeft in zoverre iets anders gedaan dan het college heeft beoogd en het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.9.3.1. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" alsmede voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" ter hoogte van de bestaande sleufsilo's aan [locatie 1] wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit plandeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

In dit geval ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" in stand te laten.

2.9.4. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat afgezien van de vergroting van het bouwvlak benodigd om de bestaande bebouwing als zodanig te bestemmen, nog meer gronden aan [locatie 1] zouden moeten worden bestemd tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens pagina 48 van de plantoelichting heeft de raad wat betreft de toekenning van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen en gemengde bedrijven met een intensieve veehouderijtak in een verwevingsgebied het volgende beleid toegepast. Aan deze bedrijven wordt de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend, waarbij de bouwrechten uit het vorige plan worden gerespecteerd. Enkel op een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' is uitbreiding mogelijk tot maximaal 2,5 hectare. Indien er al sprake is van een groter bouwblok dan 2,5 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is.

Het plan is op dit punt in overeenstemming met het voornoemde beleid.

Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat zij op grond van het reconstructieplan recht hebben op een bouwvlak van maximaal 2,5 hectare voor een intensieve veehouderij en dat daarnaast nog een bepaald oppervlak aan bouwvlak voor de melkveehouderijtak dient te worden toegekend, overweegt de Afdeling als volgt.

In het reconstructieplan - voor zover hier van belang - is de toekenning/ uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in verwevingsgebied in beginsel gemaximeerd tot 2,5 ha. Voor het overige is het aan de raad om per individueel geval op basis van argumenten van ruimtelijke ordening bouwblokken toe te staan. De plansystematiek is in het onderhavige geval zodanig dat niet is uitgesloten dat het gehele bouwvlak van ruim 2,5 hectare wordt aangewend voor de intensieve veehouderij. De keuze voor de invulling van het bouwvlak is aan de desbetreffende ondernemer. Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat het bouwvlak voldoende groot is voor het exploiteren van de inrichting zoals is vergund krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 19 juni 2007 en dat [appellanten sub 1] geen concrete plannen tot uitbreiding kenbaar hebben gemaakt aan de raad, behoefde het college in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding te zien om in het onderhavige geval niet vast te houden aan het gemeentelijke beleid.

2.9.4.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.10. [appellanten sub 1] voeren aan dat het toegekende bouwvlak aan [locatie 2] slechts voor de helft hun eigendom is. Ten behoeve van de ontwikkeling van de veehouderij zou echter een bouwvlak van voldoende omvang moeten worden gegeven, aldus [appellanten sub 1]. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank 's Hertogenbosch op 16 juni 2008 heeft uitgesproken dat van rechtswege een bouwvergunning is verleend op gronden aan de westzijde van het bouwvlak. Ook dit maakt het volgens hen noodzakelijk dat het bouwvlak aan de westzijde wordt verruimd. [appellanten sub 1] voeren tot slot aan dat het college hun bedenking inzake de op de ontwikkelingenkaart opgenomen zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van het nu toegekende bouwvlak aan [locatie 2] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.10.1. De gronden aan [locatie 2] waren oorspronkelijk in eigendom bij [vorige eigenaar]. In het vorige plan "Buitengebied 1994" was aan de gronden aan [locatie 2] de bestemming "Agrarische bedrijfscentra II" met als aanduiding onder meer een uitbreidingsrichting naar de westzijde met de gebiedsbestemming "Ano" toegekend. Ten aanzien van deze uitbreidingsmogelijkheid is in artikel II.15., lid B, onder I, van de voorschriften van dat plan bepaald dat gebouwen dienen te worden opgericht binnen of aansluitend op het op de kaart aangegeven bedrijfscentrum II, waarbij voor zover de gebouwen niet passen binnen het op de kaart aangegeven bedrijfscentrum, een situering dient te worden aangehouden, welke aansluit op de op de kaart aangegeven 'uitbreidingsrichting' en de gezamenlijke grondoppervlakte van de gebouwen ten hoogste 6000 m² bedraagt. In 1997 heeft [vorige eigenaar] het oostelijke gedeelte van de gronden aan [locatie 2] verkocht aan [appellanten sub 17]. Omstreeks 2003 is het andere gedeelte van het perceel verkocht aan [appellanten sub 1]. [appellanten sub 1] exploiteert op dit deel van de gronden sindsdien een varkensmesterij.

2.10.2. In het voorliggende plan heeft de raad aan de gronden aan [locatie 2] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. De gronden aan de westzijde van dit perceel zijn in het plan bestemd als "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (AL)". Het bouwen van gebouwen op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (AL)" is niet toegestaan.

2.10.3. Niet in geding is dat in het plan de bestaande bedrijfsgebouwen van [appellanten sub 1] aan [locatie 2] als zodanig zijn bestemd en dat het oostelijke gedeelte van het bouwvlak nog uitbreidingsmogelijkheden biedt. Ten aanzien van het bezwaar van [appellanten sub 1] dat het oostelijke deel van de gronden aan [locatie 2] niet hun eigendom betreft, zodat hun bedrijf ter plaatse feitelijk geen uitbreidingsmogelijkheden heeft, overweegt de Afdeling dat voor de planologische aanvaardbaarheid van het planonderdeel het in beginsel niet relevant is wie de eigendom bezit van de in het plan opgenomen gronden. Dit is slechts anders indien op voorhand duidelijk is dat de gewijzigde eigendomsverhoudingen aan de verwezenlijking van het planonderdeel binnen de planperiode van tien jaar in de weg staan en tevens vaststaat dat niet binnen de planperiode tot onteigening zal worden overgegaan. Deze uitzonderingssituatie doet zich niet voor.

Uit de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 16 juni 2008, zaaknummer AWB 07/856 blijkt dat [appellanten sub 1] een aanvraag voor een bouwvergunning voor het bouwen van drie sleufsilo's hebben ingediend, welke aanvraag het college van burgemeester en wethouders van Boxtel op 1 augustus 2005 heeft ontvangen. De sleufsilo's zijn geprojecteerd ten westen van de in het destijds geldende plan "Buitengebied 1994 als "Agrarisch bedrijfscentrum II' aangewezen gronden. In de uitspraak is het volgende overwogen: "Verweerder heeft op de aanvraag beslist op 9 februari 2006. Derhalve is niet beslist binnen de in artikel 46 van de Woningwet gestelde wettelijke termijn van 12 weken na ontvangst van de aanvraag. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder de beslistermijn heeft verdaagd. Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan moet ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet de bouwvergunning van rechtswege geacht worden te zijn verleend." Ter zitting is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders hoger beroep tegen deze uitspraak heeft ingesteld. Er is derhalve nog geen onherroepelijke bouwvergunning ontstaan. Gelet hierop behoefde het college hier bij het nemen van het bestreden besluit dan ook geen rekening mee te houden. Mocht in de toekomst alsnog een onherroepelijke bouwvergunning ontstaan, dan kan het college van burgemeester en wethouders gebruik maken van de bevoegdheid toegekend in artikel 6.7.1. van de planvoorschriften om de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" te wijzigen in de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" voor de uitbreiding van het bedrijfscentrum.

Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat het college hun bedenking inzake de op de ontwikkelingenkaart opgenomen zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van het nu toegekende bouwvlak aan [locatie 2] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geding is dat deze zonering is overgenomen uit het reconstructieplan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, nr. 200506285/1, volgt dat ten aanzien van het reconstructieplan beroep heeft open gestaan tegen de daarin neergelegde zonering intensieve veehouderij. De onderdelen van bestemmingsplannen die voortvloeien uit onderdelen van het reconstructieplan waartegen beroep heeft open gestaan, vallen onder de reikwijdte van artikel 29, derde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc). Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Rwc, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kan het inbrengen van bedenkingen als bedoeld in artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen betrekking hebben op die onderdelen van een bestemmingsplan die voortvloeien uit een bekendgemaakt reconstructieplan.

Het college heeft de voornoemde bedenking van [appellanten sub 1] dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

2.10.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige

2.11. [appellanten sub 2] richten zich tegen de begrenzing van het aan hun gronden aan [locatie 3 en 4] toegekende bouwvlak. Volgens hen heeft de begrenzing een grillig verloop, waardoor bruikbare delen wegvallen en bouwwerken daardoor niet of minder goed geplaatst kunnen worden. Verder betogen [appellanten sub 2] dat de omvang van het toegekende bouwvlak te klein is.

Ten onrechte is de oppervlakte van het bouwvlak gemaximeerd tot een oppervlakte die een intensieve veehouderij op grond van provinciaal beleid maximaal mag hebben, terwijl het in deze om een gemengd bedrijf gaat, aldus [appellanten sub 2]. Een verdere ontwikkeling van het bedrijf is op deze manier volgens hen niet meer mogelijk.

2.11.1. [appellant sub 2 A] exploiteert een varkens- en rundveehouderij aan [locatie 3 en 4]. Het perceel beslaat een oppervlakte van 3,5 hectare. Aan het overgrote deel van de gronden aan [locatie 3 en 4] is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.2 van de planvoorschriften mogen op de tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. Een klein gedeelte aan de noordzijde van het perceel is in het plan aangewezen voor "Agrarische doeleinden (AD)". In artikel 5.2 is van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. uitsluitend andere-bouwwerken zijn toegestaan.

(…)

d. kuilvoerplaten en sleufsilo's niet zijn toegestaan.

(…).

De gronden zijn in het reconstructieplan aangewezen als verwevingsgebied.

2.11.1.1. Blijkens pagina 48 van de plantoelichting heeft de raad wat betreft de toekenning van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen en gemengde bedrijven met een intensieve veehouderijtak in een verwevingsgebied het volgende beleid toegepast. Aan deze bedrijven wordt de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend, waarbij de bouwrechten uit het vorige plan worden gerespecteerd. Enkel op een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' is uitbreiding mogelijk tot maximaal 2,5 hectare. Indien er al sprake is van een groter bouwblok dan 2,5 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is.

Het plan is op dit punt in overeenstemming met het voornoemde beleid.

Voor zover [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dat zij op grond van het reconstructieplan recht hebben op een bouwvlak van maximaal 2,5 hectare voor een intensieve veehouderij en dat daarnaast nog een bepaald oppervlak aan bouwvlak voor de melkveehouderijtak dient te worden toegekend, overweegt de Afdeling als volgt.

In het reconstructieplan - voor zover hier van belang - is de toekenning/ uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in verwevingsgebied in beginsel gemaximeerd tot 2,5 ha. Voor het overige is het aan de raad om per individueel geval op basis van argumenten van ruimtelijke ordening bouwblokken toe te staan. De plansystematiek is in het onderhavige geval zodanig dat niet is uitgesloten dat het gehele bouwvlak van ruim 2,5 hectare wordt aangewend voor intensieve veehouderij. De keuze voor de invulling van het bouwvlak is aan de desbetreffende ondernemer. Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat het bouwvlak voldoende groot is voor het exploiteren van de inrichting zoals is vergund krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 21 augustus 2007 en dat het bouwvlak zelfs nog enige uitbreidingsruimte biedt, behoefde het college in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding te zien om in het onderhavige geval niet vast te houden aan het gemeentelijke beleid.

2.12. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat het in het vorige plan als agrarische bedrijfswoning aangemerkte pand aan [locatie 5] in het voorliggende plan ten onrechte is bestemd als "Woondoeleinden (W)". Volgens hen heeft de raad in dit geval het feitelijk gebruik doorslaggevend geacht, terwijl de raad in een vergelijkbaar geval juist geweigerd heeft het feitelijke gebruik als uitgangspunt te nemen bij het toekennen van een woonbestemming. Ten onrechte is volgens hen op de andere belangen, waaronder de bestaande gebruiken in de nabijheid van het perceel, geen acht geslagen.

2.12.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv, voor zover thans van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wgv, voor zover thans van belang, wordt een vergunning, in afwijking van het tweede lid, niet geweigerd, indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt en de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid.

2.12.2. In het vorige plan waren de gronden aan [locatie 5] bestemd als "Agrarische bedrijfscentra 1". In het plan is aan de gronden aan [locatie 5] de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend. Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder 1, sub c, mogen op de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat een woonhuis uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige woning.

2.12.3. Het college heeft in het bestreden besluit op zichzelf terecht de feitelijke situatie als uitgangspunt genomen. Voor zover [appellanten sub 2] hebben betoogd dat het college in een ander geval niet de feitelijke situatie als uitgangspunt heeft genomen, wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het in dat geval om een tweede bedrijfswoning gaat. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de door hen aan de orde gestelde situatie.

Wat betreft het betoog van het college ter zitting dat de toegekende woonbestemming aan het perceel [locatie 5] betrokkenen niet verder zal beperken in de ontwikkeling van hun agrarisch bedrijf, overweegt de Afdeling als volgt.

Niet in geding is dat het pand aan [locatie 5] dient te worden aangemerkt als geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voor een dergelijke woning ingevolge de Wgv geldende normen zijn gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten opzichte van de situatie waarin het pand aan [locatie 5] dienst doet als bedrijfswoning bij een veehouderij het toekennen van de bestemming "Woondoeleinden (W)" aan het perceel [locatie 5] geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van [appellanten sub 2] tot gevolg heeft. De afstand tussen de gronden waarop het bouwvlak van [appellanten sub 2] betrekking heeft en de voormalige bedrijfswoning aan [locatie 5] bedraagt ongeveer 40 meter. Gelet hierop en gelet op de ligging van de woning in het buitengebied, geeft hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 5] geen aanleiding voor het oordeel dat het college het woon- en leefklimaat ter plaatse niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.

2.12.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.13. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" wat betreft zijn gronden aan [locatie 6]. Hij betoogt dat deze bestemming in de weg staat aan de door hem gewenste herbouw van de voormalige keuterboerderij, waarvan thans op zijn gronden nog restanten aanwezig zijn, teneinde als woning voor zijn zoon te kunnen dienen. [appellant sub 3] voert, onder verwijzing naar een brief van de boerderijcommissie Brabants Heem, aan dat het in deze om een uniek erfgoed gaat, waarvan het voortbestaan alleen kan worden gewaarborgd door aan de boerderij een nieuwe functie te geven.

2.13.1. Op de gronden aan [locatie 6] bevinden zich restanten van een voormalige boerderij, die in 1956 onbewoonbaar is verklaard. In het plan is aan de gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toegekend. In artikel 5.2 van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden (AD)" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat - voor zover hier van belang - uitsluitend andere-bouwwerken zijn toegestaan.

De bouw van een woonboerderij is derhalve niet mogelijk.

2.13.2. Vaststaat dat van de voormalige keuterboerderij aan [locatie 6] nog ongeveer vijf procent aan restanten aanwezig is. Gelet hierop alsmede op het feit dat het vorige plan ter plaatse niet voorzag in een burgerwoning, moet de wens van [appellant sub 3] worden beschouwd als een verzoek de nieuwvestiging van een burgerwoning in het buitengebied mogelijk te maken. In het streekplan is in paragraaf 3.4.13 bepaald dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw niet is toegestaan. Weliswaar is in de provinciale beleidsnota Buitengebied in ontwikkeling bepaald dat in bebouwingsconcentraties onder voorwaarden (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume mogelijk is, maar het college heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat in deze van een bebouwingsconcentratie geen sprake is. De wens van [appellant sub 3] is derhalve in strijd met het streekplan.

Volgens hoofdstuk 5 van het streekplan is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] ter ondersteuning van zijn betoog omtrent de cultuurhistorische waarde een brief heeft overgelegd van de boerderijcommissie Brabants Heem van 5 augustus 2005.

In deze brief wordt gesteld dat de restanten op de gronden aan [locatie 6] afkomstig zijn van een keuterboerderijtje uit omstreeks 1750 en dat door zijn zeer hoge cultuurhistorische waarde het behoud ervan voorop staat. Niet aannemelijk is echter gemaakt dat voor het behoud van het erfgoed uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het toekennen van de bestemming "Woondoeleinden (W)" noodzakelijk is.

2.13.3. In overweging 2.8.4. is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)".

De conclusie is echter dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 5]

2.14. [appellante sub 5] betoogt dat het in het plan aan haar gronden aan de [locatie 7] toegekende bouwvlak te klein is. Zij wenst een bouwvlak van 0,6 hectare, zoals dat volgens haar in het vorige plan aan haar gronden was toegekend. [appellante sub 5] wijst er op dat in het kader van de Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant ook wordt uitgegaan van een bouwvlak van 0,66 hectare voor haar perceel.

Zij voert aan dat ten onrechte in het onderhavige geval één van de schuilstallen, de kuilvoeropslag en een deel van de erfverharding buiten het bouwvlak is gelaten. [appellante sub 5] betwist dat er sprake is van een excentrische ligging van de schuilstal. Zij betoogt dat bij twee andere agrarische bedrijven aan de [locatie 8] te [plaats] en [locatie 9] te [plaats] wel de bestaande situatie volledig is gerespecteerd.

2.14.1. [appellante sub 5] exploiteert aan de [locatie 7] te [plaats] een schapenhouderij. Het bedrijf heeft een omvang van 16,8 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge). Aan de gronden met een oppervlakte van 0,1 hectare met daarop de woning met garage en drie schuilstallen is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend.

De overige gronden hebben in het plan de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" gekregen. Op deze gronden bevindt zich een vierde schuilstal en een onverharde kuilvoeropslag.

2.14.2. Blijkens de zienswijze op het deskundigenbericht zijn de raad en het college bij nadere beschouwing van mening dat voor de buiten het bouwvlak gelegen schuilstal een eng begrensd bouwvlak dient te worden opgenomen. Zij hebben meegedeeld het gewenst te vinden dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan de [locatie 7] te [plaats] ter plaatse van de schuilstal door de Afdeling wordt vernietigd. Tevens wordt de Afdeling verzocht zelf voorziend goedkeuring aan dit gedeelte van het plan te onthouden.

De Afdeling is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit tevens dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan de [locatie 7] te[plaats] ter plaatse van de schuilstal.

Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". In het bovenstaande ziet de Afdeling aanleiding om eveneens om deze reden goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan [locatie 7] te [plaats] ter plaatse van de schuilstal.

2.14.3. Voor zover [appellante sub 5] betoogt dat afgezien van de gronden ter plaatse van de schuilstal nog meer gronden voor een bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" in aanmerking zouden moeten komen, overweegt de Afdeling als volgt.

Volgens het gemeentelijke beleid worden bedrijven met een omvang tussen 10 en 30 Nge niet aangemerkt als volwaardige bedrijven maar als nevenberoepsbedrijven en worden deze aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing voorzien van een eng begrensd agrarisch bouwvlak.

In hetgeen [appellante sub 5] heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten. De Afdeling stelt vast dat met het in het plan opgenomen bouwvlak gekoppeld aan een bouwvlak ter plaatse van de schuilstal zoals dat de raad en het college inmiddels voor ogen staat voor het bedrijf van [appellante sub 5] aan het voornoemde beleid wordt voldaan.

Het beroep van [appellante sub 5] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het voornoemde beleid heeft kunnen vasthouden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [appellante sub 5] thans geen concrete uitbreidingsplannen heeft.

Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] dat ten onrechte de kuilvoeropslag en verhardingen buiten het bouwvlak zijn gelaten, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" aangewezen gronden, bestemd voor infrastructurele voorzieningen zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het plan. Erfverhardingen die bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het plan zijn derhalve als zodanig bestemd. De bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" verzet zich evenmin tegen de onverharde kuilvoeropslag.

Ten aanzien van de door [appellante sub 5] gemaakte vergelijking met de agrarische bedrijven aan De [locatie 8] te Liempde en [locatie 9] te Boxtel, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze bedrijven in het plan eveneens een eng begrensd bouwvlak hebben gekregen.

Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 5] dat zij in het vorige plan de beschikking had over een groter bouwvlak, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Voor zover [appellante sub 5] heeft gewezen op het feit dat de Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant uitgaat van een bouwvlak van 0,66 hectare voor haar perceel, overweegt de Afdeling dat uit het door [appellante sub 5] overgelegde berekeningsformulier Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant blijkt dat het in dit verband gaat om een oppervlakte voor bonte weiderand en niet om een bouwvlak in de zin van het plan.

2.14.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 5] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 5] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6] voor het overige

2.15. [appellante sub 6] betoogt dat in het plan ten onrechte niet al haar bestaande kassen als zodanig zijn bestemd.

2.15.1. [appellante sub 6] exploiteert een kwekerij aan de [locatie 10] te [plaats]. De kwekerij beschikt onder meer over kassen met een oppervlakte van ongeveer 3990 m². In het plan is aan een deel van de gronden van [appellante sub 6] ter hoogte van de kruising van de Geelderseweg met de Geelders de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend. Aan de andere percelen is de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden met landschappelijke waarden (AL)" toegekend. Ingevolge artikel 3.2.2. lid h van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van hoge ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter in de vorm van teeltondersteunende kassen op gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" niet meer bedragen dan 1000 m². In lid j is bepaald dat in afwijking van het bepaalde onder h de oppervlakte van hoge ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter niet meer bedragen dan 2313 m², indien en voor zover het bestemmingsvlak is gelegen aan [locatie 10].

2.15.2. Op 5 december 1977 is een bouwvergunning verleend voor de bouw van een kas met een oppervlakte van 570 m² en een kas met een oppervlakte van 1743 m². Niet aannemelijk is geworden dat er nadien nog bouwvergunningen zijn verleend met betrekking tot deze gronden. Het standpunt van het college dat in het plan rekening is gehouden met het vergunde oppervlak is derhalve juist. In aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat voor het overige oppervlak aan kassen een bouwvergunning is verleend en reeds eerder aan [appellante sub 6] mededeling is gedaan van strijdigheid op dit punt met het destijds geldende bestemmingsplan heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de opstallen niet als zodanig bestemd dienen te worden.

2.16. [appellante sub 6] betoogt dat in het plan ten onrechte het halfverharde zandpad ten zuiden van haar kassen niet als zodanig is bestemd.

2.16.1. In het plan is aan het desbetreffende pad de bestemming "Zandpad (ZP)" toegekend. Ingevolge artikel 27.1. van de planvoorschriften zijn de gronden daarmee bestemd voor onverharde wegen en paden, met dien verstande dat zij halfverhard mogen zijn indien en voor zover zij reeds halfverhard waren op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan; met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen, zoals groen- en waterhuiskundige voorzieningen.

In de zienswijze op het deskundigenbericht alsmede ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het pad reeds halfverhard was op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan en derhalve als zodanig is bestemd. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat deze beroepsgrond feitelijke grondslag mist.

2.17. [appellante sub 6] richt zich voorts tegen de artikelen 3.3, 3.5.2 en 6.3 van de planvoorschriften. Zij stelt dat deze bepalingen onvoldoende objectieve criteria bevatten.

2.17.1. Ingevolge artikel 3.3.1. van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders wat betreft gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" nadere eisen stellen ten aanzien van

a. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;

b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;

c. voorzieningen ter voorkomen van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan.

In artikel 3.3.2. van de planvoorschriften is bepaald dat de genoemde nadere eisen uitsluitend mogen worden gesteld:

a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing;

b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden;

c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik;

d. ten behoeve van de milieusituatie;

e. ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De Afdeling is van oordeel dat deze nadere eisenregeling aldus voldoende objectief is begrensd.

2.17.2. Ingevolge artikel 6.3. van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van bebouwing ten behoeve van:

a. de verkeersveiligheid;

b. de milieusituatie;

c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De Afdeling is van oordeel dat deze nadere eisenregeling aldus voldoende objectief is begrensd.

2.17.3. Ingevolge artikel 3.5.1 van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van:

a. het bepaalde in 3.1 ten behoeve van nevenactiviteiten, mits:

[…]

b. het bepaalde in 3.2.2. onder d ten behoeve van een geringe afstand, indien:

1. deze situering uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of een doelmatige inrichting van het terrein noodzakelijk wordt geacht en uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar wordt geacht;

2. deze situering noodzakelijk is in verband met de bestaande bebouwing;

c. het bepaalde in 3.2.2. onder e tot niet meer dan 6 m, indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is;

d. het bepaalde in 3.2.2. onder g ten behoeve van een geringe dakhelling, indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk en/of gewenst is;

e. het bepaalde in 3.2.2. onder h ten behoeve van een gezamenlijke oppervlakte van 2500 m², indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk en/of gewenst is.

In artikel 3.5.2. van de planvoorschriften is bepaald dat de in 3.5.1. onder b, c, d en e genoemde vrijstellingen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het bebouwingsbeeld.

De Afdeling is van oordeel dat de vrijstellingsbevoegdheid hiermee voldoende objectief is begrensd.

2.18. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd omtrent de omvang van het bouwblok, het zandpad en de artikelen 3.3, 3.5.2 en 6.3 geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 6] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.19. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfactiviteiten toegestaan' wat betreft de gronden aan [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften. Het college betoogt dat ter plaatse in het verleden met toepassing van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt. Het is in strijd met deze regeling om op de locatie waar met toepassing van deze regeling is gesloopt, opnieuw bedrijfsgebouwen op te richten, aldus het college.

2.19.1. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met dit besluit. Hij betoogt dat de RBV-regeling geen bepaling bevat die nieuwe bebouwing uitsluit op gronden waar met toepassing van de RBV-regeling bebouwing is gesloopt. Ook het streekplanbeleid sluit volgens hem niet uit dat op dergelijke gronden nieuwbouw plaatsvindt. [appellant sub 7] wijst er op dat de oude bedrijfslocatie aan de [locatie 12] niet geschikt noch bestemd was voor zijn bedrijfactiviteiten en dat de locatie aan de [locatie 11] is gekozen na uitvoerig overleg met het gemeentebestuur. Hij voert aan dat het vorige plan zijn tractorenhandel zonder meer toestond.

2.19.2. [appellant sub 7] exploiteerde tot en met 2006 een tractorenhandel aan de [locatie 12] in de bebouwde kom van Lennisheuvel. Niet in geding is dat die locatie niet bestemd en geschikt was voor een tractorenhandel. [appellant sub 7] heeft begin 2006 de gronden aan [locatie 11] gekocht. Bij brief van 13 maart 2006 heeft het gemeentebestuur zich in principe akkoord verklaard om mee te werken aan de bedrijfsverplaatsing naar deze locatie. [appellant sub 7] heeft begin 2007 zijn bedrijfsvoorraad naar de [locatie 11] verplaatst.

2.19.2.1. Op het [perceel] was voordat [appellant sub 7] een deel van het perceel kocht een legkippenhouderij en een eiersorteerinrichting/groothandel in eieren gevestigd, genaamd [bedrijf] Het [bedrijf] heeft in het kader van de RBV de legkippenhouderijtak geheel beëindigd en de aanwezige agrarische bedrijfsopstallen gesloopt. Van de gesloopte bedrijfsbebouwing is 5583 m² ingezet om ruimte-voor-ruimte kavels te kunnen realiseren.

2.19.2.2. In het plan is aan het gedeelte van de gronden aan [locatie 11] met daarop de woning met tuin de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend, met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan'. Ingevolge artikel 12.1 zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" aangewezen gronden voor zover aangeduid met 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan' op het adres [locatie 11] bestemd voor handel in tractoren. In artikel 12.2.1 is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor gebouwen op het perceel [locatie 11] een maximaal oppervlak geldt van 1200 m², een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale hoogte van 9 meter. De rest van de gronden aan de [locatie 11] is in het plan bestemd als "Agrarische doeleinden".

2.19.3. In het bestreden besluit is, zoals het college ter zitting heeft erkend, uitgegaan van een foutief uitgangspunt ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden onder het vorige plan van het perceel [locatie 11]. Het gaat, anders dan waarvan is uitgegaan, niet om gebruik als tractorenhandel dat in strijd was met het vorige plan, maar om gebruik van gronden voor tractorenhandel dat in het vorige plan als zodanig was bestemd. Het bestreden besluit berust in zoverre derhalve niet op een deugdelijke motivering. Dit klemt in het onderhavige geval te meer nu in de RBV niet is bepaald dat nieuwbouw op een locatie waar met gebruikmaking van die regeling bebouwing is gesloopt, niet is toegestaan.

Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan' wat betreft de gronden aan [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.20. [appellant sub 8] betoogt dat het plan ten onrechte slechts voorziet in één bouwvlak voor zijn gronden aan de [locatie 13] en de [locatie 14]. Hij wenst opname van twee afzonderlijke bouwvlakken, één voor de gronden aan [locatie 13] en één voor de gronden aan [locatie 14]. [appellant sub 8] voert aan ter plaatse twee afzonderlijke agrarische bedrijven te exploiteren, met afzonderlijke milieuvergunningen, mestnummers, USB-nummers en Laser-nummers en een gescheiden boekhouding. [appellant sub 8] betoogt dat hij aan het gemeentelijk beleid opgenomen in paragraaf 3.3.1. van de plantoelichting een recht ontleent aan opname van een bouwblok voor beide bedrijven. [appellant sub 8] betoogt dat zijn bedrijfsvoering door de huidige planregeling voor de tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht, hetgeen niet aanvaardbaar is. Tot slot betwist [appellant sub 8] de stelling van de raad en het college dat splitsing van het bouwvlak gezien moet worden als nieuwvestiging, hetgeen in strijd is met het streekplan. Mocht er al sprake zijn van strijd met het streekplanbeleid, dan heeft het college ten onrechte de mogelijkheid om af te wijken van het beleid niet onderzocht, aldus [appellant sub 8].

2.20.1. [appellant sub 8] is eigenaar van de percelen [locatie 13 en 14]. Hij exploiteert aan de [locatie 13] een melkveehouderij en een varkensmesterij. Aan de [locatie 14] exploiteert hij een vleesstierenmesterij. In het vorige plan was aan de gronden aan [locatie 13] de bestemming "Agrarisch bedrijfscentra II" toegekend. Ingevolge artikel II.15, lid B, onder 1, sub a, van de voorschriften van dat plan mocht ter plaatse niet meer dan één agrarisch bedrijf worden gevestigd. De gronden aan de [locatie 14] waren in het vorige plan bestemd als "Agrarisch gebied".

In het plan is aan de gronden van [appellant sub 8] aan [locatie 13 en 14] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.1.van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor agrarische bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor het bedrijfscentrum van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

a. per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan.

b. intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend zijn toegestaan indien en voor zover de gronden zijn aangeduid met intensieve veehouderij toegestaan.

(…)

In artikel 1 van de planvoorschriften is het begrip agrarisch bedrijf gedefinieerd als: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt en boomkwekerijen daaronder begrepen) en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij.

2.20.2. De gronden van [appellant sub 8] zijn in het reconstructieplan aangeduid als verwevingsgebied. In het reconstructieplan is bepaald dat in verwevingsgebied nieuwe bouwblokken niet zijn toegestaan.

Nu het voorheen geldende plan niet voorzag in twee bouwvlakken op de gronden van [appellant sub 8], leidt inwilliging van het verzoek van [appellant sub 8] tot het toekennen van een nieuw bouwblok als bedoeld in het reconstructieplan. Instemming met de wens van [appellant sub 8] leidt derhalve tot strijd met het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 8] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het in het reconstructieplan neergelegde beleid heeft kunnen vasthouden.

De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat volgens het deskundigenbericht de organisatorische binding tussen alle bedrijfsactiviteiten op de percelen [locatie 13 en 14] van dien aard is dat één agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend en dat dit in het plan als zodanig is bestemd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen reden dit standpunt niet te volgen. Het feit dat [appellant sub 8] er voor heeft gekozen om op een later moment dan de datum waarop de gronden aan [locatie 13] zijn aangeschaft, de gronden aan de [locatie 14] aan te kopen en daarop uit oogpunt van risicospreiding een afzonderlijke bedrijfstak op te richten met een gescheiden boekhouding, brengt niet met zich dat recht bestaat op een tweede bouwvlak in het onderhavige plan.

Voor zover [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat hij op grond van het gemeentelijk beleid zoals weergegeven in paragraaf 3.3.1. in aanmerking komt voor een extra bouwvlak, overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt voor de bouwvlaktoekenning in het onderhavige plan de regeling onder het vorige plan vormde. Nu in het vorige plan aan de gronden van [appellant sub 8] slechts één bouwvlak was toegekend, kan hij aan het gemeentelijk beleid geen recht ontlenen voor opname van twee bouwvlakken.

2.20.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.21. [appellant sub 10] richt zich ten eerste tegen het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de gronden in de nabijheid van zijn gronden aan de [locatie 15] te [plaats]. Hij voert aan dat deze bestemming niet in overeenstemming is met het standpunt van de raad verwoord in het overzicht zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Boxtel 2006 dat aan de gronden de passende bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" zal worden gegeven. [appellant sub 10] voert aan dat ter plaatse geen sprake is van een bosgebied.

2.21.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat de reactie van de raad op de zienswijze van [appellant sub 10] met betrekking tot het voornoemde plandeel was dat aan de zienswijze wordt tegemoetgekomen door aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toe te kennen, maar dat dit vervolgens niet als zodanig op de plankaart is verwerkt.

Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de gronden in de nabijheid van zijn gronden aan de [locatie 15] te [plaats]. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel.

2.21.2. [appellant sub 10] betoogt voorts dat een deel van zijn gronden grenzend aan de Blauwehoefseloop ten onrechte de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is toegekend. Hij bestrijdt dat de gronden in de GHS liggen.

2.21.3. In de zienswijze op het deskundigenbericht heeft de raad te kennen gegeven dat met betrekking tot de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" langs de Blauwhoefseloop de raad kan instemmen dat aan deze gronden de bestemming "Agrarische doeleinden" moet worden toegekend. De raad heeft hierbij aangegeven dat dit destijds niet conform het raadsbesluit is gewijzigd.

Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit tevens dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde" wat betreft de gronden van [appellant sub 10] grenzend aan de Blauwehoefseloop.

Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". In het bovenstaande ziet de Afdeling aanleiding om eveneens om deze reden goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden van [appellant sub 10] grenzend aan de Blauwehoefseloop.

Het beroep van [appellanten sub 11] voor het overige

2.22. [appellanten sub 11] betogen ten eerste dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijze en het college de ingebrachte bedenkingen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad en het college de zienswijzen onderscheidenlijk de bedenkingen samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze of de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad en het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.23. [appellanten sub 11] betogen dat de landbouwkundige drooglegging op de gronden die in gebruik zijn bij [appellant sub 11 B] onvoldoende is voor het gebruik dat van die gronden wordt gemaakt. In samenhang hiermee betogen zij dat de overstromingsfrequentie op deze gronden te hoog is. [appellanten sub 11] wijten dit aan het te hoge peil van het grond- en oppervlaktewater ter plaatse. In dit verband voeren zij aan dat een en ander moeilijk te doorgronden is omdat niet alle waterlopen worden aangegeven op de plankaarten.

2.23.1. In paragraaf 3.9.8. van de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen. Uit deze paragraaf blijkt dat ten behoeve van de watertoets op 26 mei 2005 overleg heeft plaatsgevonden tussen de gemeente Boxtel en het Waterschap De Dommel. Van dit gesprek is een verslag opgenomen dat als bijlage 5 bij de plantoelichting is opgenomen. Als bijlage 7 bij de plantoelichting is de reactie van het Waterschap in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van de WRO opgenomen. Gelet op de voornoemde stukken is de Afdeling van oordeel dat is voldaan aan het gestelde in artikel 12, tweede lid, onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Niet gebleken is dat het plan ten opzichte van het vorige plan zodanige wijzigingen in de omgeving van de bedrijven van [appellanten sub 11] met zich brengt, dat sprake zal zijn van relevante gevolgen voor de waterhuishouding in dit gebied.

De raad heeft er voor gekozen de hoofdwaterlopen in het plan te bestemmen als "Water (W)" en de overige waterlopen als zodanig te bestemmen middels opname in de omschrijving van de desbetreffende bestemming. In hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden deze wijze van bestemmen onaanvaardbaar te achten.

De Afdeling overweegt verder dat het waterbeheer in deze procedure niet ter beoordeling staat. Ook de bezwaren tegen het reconstructieplan, de Milieuverordening, het Waterhuishoudkundigplan en het Waterbergingsplan kunnen hier niet aan de orde komen.

2.24. [appellanten sub 11] betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het oprichten van een drietal windmolens op het perceel [locatie 16] van [appellant sub 11 A].

2.24.1. In paragraaf 3.6.4. van het streekplan is bepaald dat solitaire windturbines niet zijn toegestaan in een regionale natuur- en landschapseenheid (RNLE) en in de groene hoofdstructuur daarbuiten. Ten opzichte van de oprichting van solitaire windturbines in de agrarische hoofdstructuur buiten de RNLE is de provincie terughoudend. Dit geldt met name in open gebieden. De gronden van [appellant sub 11 A] liggen binnen de op de streekplankaart aangeduide RNLE. De wens van [appellanten sub 11] is derhalve in strijd met het provinciaal beleid. Volgens hoofdstuk 5 is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. [appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

In dit verband is van belang dat de Milieudienst Regio Eindhoven in opdracht van de gemeente Boxtel het rapport "Duurzame Energiescan (D.E-scan)" van 1 juni 2005 heeft uitgebracht. Uit paragraaf 3.4. van dit rapport blijkt dat onderzoek naar de mogelijkheden van windenergie in de gemeente Boxtel heeft uitgewezen dat er vijf locaties geschikt zijn voor de plaatsing van windturbines. Het perceel van [appellant sub 11 A] en de omgeving daarvan worden daarbij niet genoemd.

2.25. [appellanten sub 11] hebben verder aangevoerd dat het plan ten onrechte wat betreft hun gronden niet voorziet in nevenactiviteiten.

2.25.1. In het plan is aan de gronden van [appellant sub 11 A] aan de [locatie 16] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' en 'nevenactiviteiten toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.1, lid f, van de planvoorschriften zijn op de volgende adressen, indien en voor zover de bijbehorende gronden zijn aangeduid met 'nevenactiviteit toegestaan' tevens de volgende nevenacitiviteiten toegestaan:

- [locatie 16]: kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen.

(…)

Het beroep op dit punt mist wat betreft de gronden van [appellant sub 11 A] derhalve feitelijke grondslag.

2.25.2. Aan de gronden van [appellant sub 11 B] aan de [locatie 17] is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AD)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. De gronden van [appellant sub 11 B] zijn daarmee niet bestemd voor nevenactiviteiten. Gelet op het feit dat [appellant sub 11 B] geen concrete plannen voor nevenactiviteiten heeft overgelegd aan het gemeentebestuur, in artikel 3.5.1. van de planvoorschriften aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is toegekend om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3.1 ten behoeve van nevenactiviteiten en het college van burgemeester en wethouders ter zitting te kennen heeft gegeven dat bij het overleggen van concrete plannen voor nevenactiviteiten in de toekomst het toepassen van deze bevoegdheid zal worden overwogen, heeft het college in redelijkheid met het plan op dit punt kunnen instemmen.

2.26. [appellanten sub 11] voeren aan dat het plan ten onrechte geen twee bedrijfswoningen op het perceel [locatie 17] toestaat.

2.26.1. In paragraaf 3.4.13 van het streekplan is bepaald dat nieuwbouw van bedrijfswoningen slechts is toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. [appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 17] noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. De wens van [appellanten sub 11] is derhalve in strijd met het provinciaal beleid. Volgens hoofdstuk 5 is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. [appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

2.27. [appellanten sub 11] betogen dat hun gronden ten onrechte niet zijn aangewezen als bebouwingscluster.

2.27.1. De raad heeft betoogd dat het uitgangspunt bij het opstellen voor het plan is geweest om uitsluitend oude gehuchten aan te wijzen voor een bebouwingscluster. In hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden dit uitgangspunt onredelijk te achten. Vast staat dat de gronden van [appellanten sub 11] niet behoren tot een oud gehucht. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen instemmen met de wijze van bestemmen op dit punt.

2.28. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 11] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 11] is op deze punten ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12] voor het overige

2.29. [appellant sub 12] kan zich niet verenigen met de begrenzing van het aan zijn gronden aan Donders te Boxtel toegekende bouwvlak. Hij voert aan dat de te bouwen kas waarvoor hij een bouwvergunning heeft aangevraagd, buiten het bouwblok valt.

2.29.1. In het plan is aan een groot deel van het perceel van [appellant sub 12] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend. Het overige deel van het perceel is bestemd als "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)". De ligging van het in het plan aan de gronden toegekende bouwvlak middels de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" komt overeen met die onder het vorige plan. Op de gronden is thans geen bebouwing aanwezig. [appellant sub 12] is voornemens op dit perceel een sierteeltboomkwekerij uit te gaan oefenen. In het deskundigenbericht is gesteld dat het bouwvlak voldoende groot is voor het oprichten van een bedrijf zoals [appellant sub 12] voor ogen staat. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 12] gesteld heeft geen reden dit standpunt niet te volgen. Voor zover [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat door de huidige begrenzing de kas waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd, buiten het bouwvlak valt, overweegt de Afdeling dat de bouwvergunning is geweigerd en ten tijde van het bestreden besluit de procedure hieromtrent nog gaande was. Mede gelet hierop behoefde het college geen overwegende betekenis toe te kennen aan het belang van [appellant sub 12] om op de plaats waarop de aanvraag voor een bouwvergunning ziet een kas te bouwen. Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat, mocht de uitkomst van de voornoemde procedure daartoe aanleiding geven, de raad bereid is om het plan te herzien voor het aanpassen van de vorm van het bouwvlak aan het bouwplan van [appellant sub 12], mits dit niet tot een vergroting van het bouwvlak leidt.

2.29.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 15]

2.30. [appellanten sub 15] voeren aan dat de bouwmogelijkheid voor twee aaneengesloten woningen op hun perceel aan de Oirschotseweg in het voorliggende plan ten onrechte is vervallen. Voorts stellen zij dat een perceel aan de overzijde van hun woning, waaraan de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" is toegekend, ten onrechte niet is aangeduid als 'landschappelijke - en natuurwetenschappelijk waarde'. Dit belemmert het herstel van de gronden als natuurgebied, nadat de ter plaatse gevestigde boomkwekerij zijn activiteiten heeft beëindigd, aldus [appellanten sub 15].

Tevens bestrijden zij de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", die aan een deel van hun gronden is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat de toegekende bestemming niet is gemotiveerd, dat van de zijde van de gemeente het vertrouwen is gewekt dat op het perceel geen natuurwaarden aanwezig zijn, en dat niet valt in te zien waarom de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" op dit perceel gehandhaafd dient te blijven, terwijl deze bestemming niet is toegekend aan het perceel aan de overzijde van hun woning.

2.30.1. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 1994" liet blijkens de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2003, no. 200203635/1 op het perceel, uitsluitend ter plaatse van een inmiddels gesloopt dubbel woonhuis, de bouw van één blok van twee aaneengesloten woningen toe. Op het perceel is met vrijstelling een bouwvergunning verleend voor de bouw van een vrijstaande woning op een locatie iets ten noorden van de locatie van het gesloopte dubbele woonhuis. De Afdeling stelt vast dat de verleende bouwvergunning en vrijstelling niet met zich brengen dat de bestemming van de gronden waarop het dubbele woonhuis stond is gewijzigd.

Zowel de locatie van het voormalige dubbele woonhuis, als de locatie van nieuwe woning, zijn op de plankaart begrepen in het bestemmingsvlak "Woondoeleinden (W)". Blijkens de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, is binnen het desbetreffende bestemmingsvlak één woning toegestaan. Uit het voorgaande volgt dat de bouwmogelijkheid op de locatie van het voormalige dubbele woonhuis in het voorliggende plan is vervallen.

De Afdeling is van oordeel dat het college de bestemming "Woondoeleinden (W)" in dit geval in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het feit dat aan de belangen van [appellanten sub 15] die voortvloeien uit de voorgaande bestemming reeds in voldoende mate tegemoet is gekomen. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat de nieuwe woning op verzoek van [appellanten sub 15] op een andere locatie is gebouwd dan waar het voormalige dubbele woonhuis stond en dat het dubbele woonhuis op grond van een aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde diende te worden gesloopt en ook daadwerkelijk is gesloopt.

2.30.2. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 15] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond.

2.31. Aan een perceel aan de overzijde van de woning van [appellanten sub 15] is de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toegekend. Uit de stukken blijkt dat ter plaatse in strijd met de voorheen geldende bestemming een boomkwekerij is gevestigd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel heeft handhavend opgetreden tegen dit gebruik. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 augustus 2004, AWB 04/1833 VV/AWB 041213, (www.rechtspraak.nl) geoordeeld dat het gebruik op grond van het overgangsrecht kon worden voortgezet en dat derhalve geen bevoegdheid bestond handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan heeft de raad van de gemeente Boxtel besloten dit feitelijke gebruik als zodanig te bestemmen. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat het feitelijk gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd. Een bestemmingsregeling die herstel van natuurwaarden mogelijk maakt, heeft het college derhalve in redelijkheid niet aan de orde kunnen achten.

2.31.1. Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)". De conclusie is echter dat hetgeen [appellanten sub 15] in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond.

2.32. Ten aanzien van de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" van de aan hun woonperceel grenzende gronden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gronden grenzen aan een natuurgebied en aan een waterloop die is aangeduid voor beekherstel. Anders dan [appellanten sub 15] hebben betoogd, is de Afdeling van oordeel dat het college de ligging van het perceel als een toereikende motivering voor de toegekende bestemming heeft kunnen beschouwen. Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft in een brief van 4 juli 1997 aan het architectenbureau van [appellanten sub 15] meegedeeld dat er voor zover bekend op de locatie van de nieuw te bouwen woning geen bijzondere natuurlijke waarden in het geding zijn. Anders dan [appellanten sub 15] betogen, behoefde het college aan de inhoud van de brief geen doorslaggevend gewicht toe te kennen, reeds omdat deze in zoverre betrekking heeft op de locatie van de nieuwe woning en niet op perceel met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)".

Dat het in overweging 2.3 van deze uitspraak bedoelde perceel, anders dan het perceel van [appellanten sub 15], is bestemd voor "Agrarische doeleinden (AD)", behoefde voor het college geen aanleiding te zijn goedkeuring te onthouden aan de bestemming van het perceel van [appellanten sub 15]. Van gelijke gevallen is geen sprake, reeds omdat op het in overweging 2.3 bedoelde perceel een boomteeltbedrijf wordt uitgeoefend.

2.32.1. Hiervoor is reeds goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". De conclusie is echter dat hetgeen [appellanten sub 15] in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 17]

2.33. [appellanten sub 17] betoogt dat het college ten onrechte geen medewerking wil verlenen aan de planologische splitsing van het agrarisch bouwvlak [locatie 2]. Anders dan het college, stelt zij zich op het standpunt dat splitsing niet in strijd is met het streekplan. Subsidiair betoogt zij dat het college had moeten bezien of afwijking van het streekplan is gerechtvaardigd. Voorts acht zij de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" en de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" voor haar gronden niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. Zij acht het tevens onjuist dat haar gronden zijn aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties', 'foerageergebied taigarietgans' en 'bolle akker'. Zij wijst erop dat de desbetreffende gronden zijn geëgaliseerd en in gebruik zijn voor containerteelt en dat het aanlegvergunningvereiste bij afwezigheid van te beschermen waarden, niet noodzakelijk en onnodig bezwarend is voor de bedrijfsvoering.

2.33.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat splitsing van het bouwvlak in strijd is met het streekplan omdat sprake is van nieuwvestiging. Het streekplan definieert nieuwvestiging als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok. Nu het voorheen geldende bestemmingsplan niet voorzag in twee afzonderlijke bouwblokken op het perceel [locatie 2], leidt inwilliging van het verzoek van [appellanten sub 17] tot nieuwvestiging als bedoeld in het streekplan en derhalve tot strijd met het streekplan. In hetgeen [appellanten sub 17] ter zake heeft betoogd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in dit geval aanleiding had moeten zien af te wijken van het streekplan. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het standpunt van de raad van de gemeente Boxtel, inhoudende dat niet valt in te zien welk reconstructiedoel wordt gediend met de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok in een extensiveringsgebied, zelfs als door de splitsing het bestaande bouwblok, waarop een intensieve veehouderij mag worden uitgeoefend, wordt gehalveerd. Het enkele feit dat [appellanten sub 17] aan de gemeente Boxtel, in verband met de gewenste afsplitsing, een aanbod heeft gedaan een deel van haar gronden af te staan ten gunste van natuurontwikkeling, behoefde voor het college evenmin aanleiding te zijn van het streekplan af te wijken.

2.33.2. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 17] is in zoverre ongegrond.

2.34. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat [appellanten sub 17] ter plaatse een boomteeltbedrijf exploiteert. In het bestemmingsplan is een boomteeltbedrijf gedefinieerd als een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen (…), een en ander in de vorm van vollegrondsteelt of containerteelt. Een glastuinbouwbedrijf is in het bestemmingplan, voor zover hier van belang, gedefinieerd als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin de productie geheel of in overwegende mate plaatsvindt in kassen. Een agrarisch bedrijf is in het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, gedefinieerd als een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt en boomkwekerijen daaronder begrepen), niet zijnde een glastuinbouwbedrijf.

De Afdeling stelt vast dat voornoemde begripsbepalingen er aan in de weg staan dat op gronden met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" een boomteeltbedrijf wordt uitgeoefend, nu een glastuinbouwbedrijf geen agrarisch bedrijf is als bedoeld in het bestemmingsplan. Niet gebleken is dat is beoogd de activiteiten van [appellanten sub 17] in de glasopstand niet als zodanig te bestemmen.

2.34.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)", wat betreft de gronden van [appellanten sub 17]. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel.

2.35. De overige gronden van [appellanten sub 17] zijn bestemd voor "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". Ingevolge artikel 7.1, onder a, zijn de gronden onder meer bestemd voor de instandhouding van de agrarische exploitatiemogelijkheden voor reële agrarische bedrijven. De Afdeling stelt vast dat de uitoefening van het boomteeltbedrijf van [appellanten sub 17] op de als zodanig bestemde gronden, is toegelaten. De gronden van [appellanten sub 17] met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn op de ecologische waardenkaart aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties' en deels als 'foerageergebied taigarietgans'. De bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" in combinatie met voornoemde aanduidingen brengt blijkens de tabel "Aanlegvergunningen" met zich dat bepaalde werken en werkzaamheden eerst zijn toegelaten na een aanlegvergunning, of zijn aangemerkt als strijdig gebruik.

2.36. Blijkens het deskundigenbericht beslaan de teelt in de volle grond en de containerteelt een oppervlakte van 18.000 m² respectievelijk 37.000 m² . Blijkens het deskundigenbericht zijn de gronden die in gebruik zijn als containerveld geëgaliseerd en bedekt met waterdichte folie, filtratiemateriaal en waterdoorlatende folie. Hierop worden planten en struiken in plastic potten (containers) geplaatst. De containervelden worden in langgerekte stroken aangelegd en gescheiden door betonnen paden.

Gelet op de inrichting en het intensieve gebruik van de percelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" acht de Afdeling niet toereikend gemotiveerd welke waarden voornoemde aanduidingen rechtvaardigen. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling tevens dat blijkens de plantoelichting een geschikt foerageergebied voor de taigarietgans wordt gekenmerkt door openheid, rust en vochtig grasland. De gronden van [appellanten sub 17] hebben deze kenmerken niet.

Voor zover [appellanten sub 17] heeft betoogd dat haar gronden op plankaart 8 ten onrechte zijn aangeduid als 'bolle akker/open akker', overweegt de Afdeling dat de gronden op plankaart 8 niet als zodanig zijn aangeduid. Dit onderdeel van het beroep mist derhalve feitelijke grondslag.

2.36.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 17] is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties' en 'foerageergebied taigarietgans' van de gronden van [appellanten sub 17] op plankaart 7 'ecologische waardenkaart'. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", waarvan deze aanduidingen deel uitmaken, is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

Het beroep van [appellant sub 18]

2.37. [appellant sub 18] stelt dat het bestemmingsplan op haar perceel aan de [locatie 18], ten onrechte niet voorziet in de bouw van een woning. Zij betoogt dat er voor het college voldoende aanleiding bestond af te wijken van het streekplan.

2.37.1. Anders dan [appellant sub 18] heeft betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college er in redelijkheid niet van mocht uitgaan dat het perceel in het buitengebied ligt. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het perceel blijkens bij het deskundigenbericht gevoegde foto's ten oosten van de Heuvelstraat ligt, die door het college in redelijkheid beschouwd kan worden als de begrenzing van de ten westen daarvan gelegen kern Liempde. De hoofdfunctie van de gronden ten oosten van de Heuvelstraat is agrarisch. Dat het perceel is gelegen tussen twee burgerwoningen, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze burgerwoningen aan het gebied ten oosten van de Heuvelstraat niet het agrarisch karakter ontnemen.

Blijkens paragraaf 3.4.13 van het streekplan is het beleid erop gericht het wonen zoveel mogelijk te concentreren in kernen, en op het tegengaan van spreiding van woonbebouwing om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Het college heeft dit beleid, gelet op de ligging van het perceel, op goede gronden toegepast.

Het college is bevoegd af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. In hetgeen [appellant sub 18] heeft betoogd kan geen aanknopingspunt gevonden worden voor het oordeel dat handhaving van de beleidslijn die is gericht op het voorkomen van verstening van het buitengebied, voor [appellant sub 18] gevolgen heeft die onevenredig zijn tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

2.37.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.38. [appellant sub 19] heeft bezwaren tegen de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" die aan een deel van zijn gronden is toegekend. Hij voert daartoe aan dat met de gemeente Boxtel is afgesproken de agrarische bestemming van een groot gedeelte van zijn gronden te handhaven.

2.38.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met de afspraken die zijn gemaakt tussen [appellant sub 19] en het gemeentebestuur van Boxtel. De door [appellant sub 19] gewenste bestemming laat volgens het college ook gebruik toe dat niet in overeenstemming is met voornoemde afspraken. Het college acht dit niet gewenst.

2.38.2. [appellant sub 19] exploiteert ter plaatse een handel in volumineuze ijzerwaren op het perceel van een voormalige boomkwekerij. Onder de voorwaarde dat [appellant sub 19] een adequaat landschapsplan overlegt, zijn hem in het voorliggende plan uitbreidingsmogelijkheden geboden.

Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft [appellant sub 19] bij brief van 8 september 2005 gewezen op de met hem gemaakte afspraken, waarbij onder punt 6 tevens is vermeld: "(…) handhaving van de agrarische bestemming voor een aanzienlijk gedeelte van het perceel (…)".

Anders dan [appellant sub 19], leest de Afdeling hier niet in dat het college heeft toegezegd aan de overige gronden van [appellant sub 19] de door hem gewenste agrarische bestemming toe te kennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting van de zijde van de gemeente Boxtel is toegelicht dat met deze passage is beoogd uitdrukkelijk aan te geven dat de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 19] beperkt dienen te blijven tot zijn gronden die in het voorliggende plan als zodanig zijn bestemd.

Uit een door het Brabants Landschap opgesteld beplantingsplan blijkt dat een deel van de gronden zal worden ingericht als bloemrijk grasland. Aan de desbetreffende gronden is de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" toegekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 9.1, onder a, zijn deze gronden onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. De bestemming laat derhalve het gebruik zoals neergelegd in het beplantingsplan toe. [appellant sub 19] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van deze bestemming belemmeringen oplevert voor zijn handel in volumineuze ijzerwaren.

2.39. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 19] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre ongegrond.

Sportpark de Renbaan

2.40. [appellanten sub 21], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 19], en [appellant sub 28], hebben een groot aantal beroepsgronden aangevoerd tegen het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)". Onder meer hebben zij betoogd dat niet alle stukken die betrekking hebben op het ontwerp-plan, ter inzage hebben gelegen.

2.40.1. Aan gronden aan de Renbaan is de bestemming "Sportdoeleinden (S)" toegekend. Ingevolge artikel 16, eerste lid, zijn deze gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor sportvoorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten; daarbij behorende voorzieningen, zoals een sportkantine, kleedaccommodatie, tribune, en landschappelijke inpassing.

2.40.2. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft blijkens de publicaties ter inzage gelegen van 17 maart 2006 tot en met 27 april 2006. In het kader van het voornemen van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen voor de oprichting van een sportcomplex aan de Renbaan, zijn ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing aanvullende onderzoeken verricht. [appellant sub 19] heeft in dit verband gewezen op aanvullende onderzoeken van Arcadis van 27 januari 2006 en van 20 maart 2006. Deze hebben ondermeer betrekking op luchtkwaliteit, geluidhinder, verkeersaantrekkende werking, flora en fauna, en archeologie. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de gemeente Boxtel desgevraagd verklaard dat de aanvullende onderzoeken zijn verzonden aan degenen die vanwege de procedure ex artikel 19, lid 1, van de WRO, een zienswijze kenbaar hebben gemaakt. Gelet op het onderzoek ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat de aanvullende onderzoeken van Arcadis van 27 januari 2006 en 20 maart 2006, niet tezamen met het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen. Deze stukken dienen te worden aangemerkt als stukken die betrekking hebben op het ontwerp-bestemmingsplan, die redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het ontwerp. Deze hadden derhalve gelet op artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage moeten worden gelegd. Dat deze stukken, naar ter zitting door de vertegenwoordiger van de gemeente Boxtel is verklaard, zijn toegezonden aan degenen die vanwege de procedure ex artikel 19, lid 1, van de WRO, een zienswijze kenbaar hebben gemaakt, kan niet afdoen aan de verplichting de stukken tezamen met het ontwerp-bestemmingsplan voor een ieder ter inzage te leggen.

2.40.3. De beroepsgronden van [appellanten sub 21], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 19], en [appellant sub 28], houden verband met het beoogde gebruik van de van de thans nog agrarische gronden. Daarbij hebben [appellanten sub 21] er tevens op gewezen te vrezen voor muziekevenementen die op het sportcomplex plaats zullen vinden.

2.40.4. De Afdeling is van oordeel dat artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een deugdelijke beoordeling van de beroepen, nu daaruit niet kan worden afgeleid welk gebruik van de gronden in overeenstemming met het bestemmingsplan kan worden geacht. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat in de voorschriften uitsluitend is vastgelegd voor welke voorzieningen de gronden zijn bestemd zonder nadere regulering. De Afdeling acht een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend.

2.40.5. Gelet op het vorenstaande is het plan, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De conclusie is voorts dat voornoemd plandeel is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan in zoverre goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van [appellanten sub 21], en [appellant sub 28] zijn gegrond. De beroepen van [appellant sub 19] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)". Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)".

Het beroep van Het groene hart

2.41. Het groene hart stelt dat het college de bestemming voor het geologische museum de "Groene Poort" ten onrechte heeft goedgekeurd, omdat de desbetreffende bestemming is toegekend in strijd met een eerdere uitspraak van de Afdeling. Voorts voert Het groene hart aan dat het college een deel van haar bedenkingen ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten.

2.41.1. Het groene hart heeft bij brief van 31 januari 2007 bedenkingen naar voren gebracht. In haar bedenkingen geeft Het groene hart - zakelijk weergegeven - aan, bezwaren te hebben tegen de gewijzigde planvaststelling. Tevens wordt aangekondigd dat het college een nadere reactie tegemoet kan zien. In het bestreden besluit stelt het college op pagina 125, punt 3.48.2, dat geen nadere reactie van Het groene hart is ontvangen. Bij haar beroepschrift heeft Het groene hart een brief van 12 februari 2007 gevoegd, die is gericht aan het college. In haar reactie op het deskundigenbericht stelt het college dat de brief van 12 februari 2007 niet bekend is bij het college en daar ook nimmer is ontvangen.

De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende geloofwaardig heeft ontkend dat de brief van 12 februari 2007 is ontvangen. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van Het groene hart aan te tonen dat de brief van 12 februari 2007 daadwerkelijk is verzonden. Het groene hart is daarin niet geslaagd. De Afdeling ziet derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet op alle bedenkingen Van het groende hart is ingegaan. Dit onderdeel van het beroep slaagt niet.

2.42. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 november 2005, nr. 200500006/1 over het uitwerkingsplan "De Groene Poort" overwogen dat het uitwerkingsplan rechtsonzeker is omdat de bestemmingen "Hoofdgebouw -G-" en "Zoombeplanting" elkaar overlappen, zodat aan een deel van de gronden gelijktijdig twee verschillende bestemmingen zijn toegekend. In het voorliggende plan is aan het perceel van het museum de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden (RD)" toegekend. Ingevolge artikel 14.1, lid 1, van de planvoorschriften zijn de gronden ondermeer voor een museum, en parkeer- en groenvoorzieningen. De functies zijn toegelaten binnen het gehele bestemmingsvlak. Anders dan de Werkgroep betoogt, valt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling niet af te leiden dat de zoombeplanting op het perceel uit een oogpunt van rechtszekerheid als zodanig bestemd dient te worden. Hoewel door de wijze van bestemmen in het voorliggende plan een eventuele uitbreiding van het museum ten koste kan gaan van de zoombeplanting, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de planregeling voor het perceel niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel blijkens het deskundigenbericht grotendeels onbebouwd is, zodat een uitbreiding niet noodzakelijkerwijs ten koste behoeft te gaan van de zoombeplanting, en dat het college van burgmeester en wethouders van Boxtel ingevolge de planvoorschriften nadere eisen kan stellen aan de situering van bebouwing.

2.42.1. De conclusie is dat hetgeen Het groene hart in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Het groene hart is ongegrond.

Het beroep van de Werkgroep en andere

2.43. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 3.6.2, aanhef, leden a, tot en met e, en aan het gelijkluidende artikel 5.7.3, aanhef en leden a tot en met e, van de planvoorschriften. Voorts heeft het college goedkeuring onthouden aan de in beide bepalingen voorkomen zinsnede 'vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003'. Voornoemde bepalingen geven een nadere invulling van het begrip duurzame locatie, alwaar na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk is.

2.43.1. De Werkgroep en andere stellen dat het college de onthouding van goedkeuring niet toereikend heeft gemotiveerd.

2.43.2. In artikel 3.6.2. van de planvoorschriften is het volgende bepaald:

"Bij de toepassing van 3.6.1. onder h wordt ten aanzien van de onder sub 2 genoemde voorwaarde in aanmerking genomen dat geen sprake is van een duurzame locatie als de locatie is gelegen in het nationaal landschap het Groene Woud, en tevens is gelegen

a. in de op de ontwikkelingenkaart (plankaart 9) aangegeven extensiveringsgebieden;

b. in de op plankaart 10 aangegeven Regionale Natuur- en Landschapseenheden;

c. op een afstand van minder dan 500 meter van een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied (zie bijlage 1 van de toelichting);

d. grenzend aan de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde en/of de agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde;

e. in een gebied dat op de ecologische waardenkaart (plankaart 7) is aangegeven als gebieden met waardevolle vegetaties, leefgebied vogels halfopen cultuurlandschap of leefgebied struweelvogels.

De toetsing of sprake is van een duurzame locatie dient voorts plaats te vinden aan de hand van de Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003 en integraal onderdeel uitmakend van het reconstructieplan.".

2.43.3. Anders dan de Werkgroep en andere hebben betoogd, vormt reeds het feit dat het nationaal landschap het Groene Woud op de plankaart niet is aangeduid, voldoende motivering voor de onthouding van goedkeuring. Door het ontbreken van die aanduiding, kan niet worden vastgesteld welke locaties als duurzame locatie in de zin van het bestemmingplan zijn aangemerkt. Het college heeft dit terecht in strijd met de rechtszekerheid geacht. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde voorwaarden, als aanvulling op het streekplanbeleid, van een deugdelijke onderbouwing dienen te worden voorzien. De enkele stelling in de plantoelichting dat de aanvullende criteria bedoeld zijn om te voorkomen dat duurzame locaties op kwetsbare gronden liggen, heeft het college in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. Voorts heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het bepaalde in artikel 6.2.1., lid d, te ruim is. Niet alle gronden die op welke wijze dan ook aan de bedoelde plandelen grenzen, kunnen op voorhand worden uitgesloten als duurzame locatie. Nu het kennelijk de bedoeling van de raad is geweest de "Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij", zoals die onderdeel uitmaakt van het reconstructieplan, bij de toetsing te betrekken, heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan de zinsnede 'vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003'. Immers, de Handleiding maakt eerst deel uit van het reconstructieplan door de vaststelling daarvoor door Provinciale Staten.

2.43.4. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.44. De Werkgroep en andere stellen dat water- en bodemwaarden in de beekdalen van de Kleine Aa en de Essche Stroom, ten onrechte niet zijn beschermd voor middel van een aanlegvergunning. Daardoor kunnen onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden in deze natuurontwikkelingsgebieden.

Voorts betoogt de Werkgroep dat voor het zuidelijke deel van het beekdal van de Blauwhoefse Loop, mede gelet op de cultuurhistorische waarden, een GHS-bestemming noodzakelijk is.

2.44.1. Het college heeft in aanmerkingen genomen dat de beekdalen van de Kleine Aa en de Essche Stroom zijn gelegen in de GHS-landbouw van het streekplan, en daarin tevens nader zijn aangeduid als "natuurontwikkelingsgebied". Met de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", in combinatie met de in het plan opgenomen bevoegdheid de bestemming van deze gronden te wijzigen in "Natuur (N)", acht het college het streekplanbeleid voor deze gronden voldoende veilig gesteld. Ten aanzien van het zuidelijke deel van het beekdal van de Blauwhoefse Loop heeft het college verwezen naar het standpunt van de raad, inhoudende dat deze gronden niet in de GHS liggen, en dat de aanwezige waarden afdoende zijn beschermd.

2.44.2. Natuurontwikkelingsgebieden bestaan blijkens het streekplan uit landbouwgronden (vooral in beekdalen en uiterwaarden), die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur. In de natuurontwikkelingsgebieden gaat het er volgens het streekplan om dat ruimtelijke ingrepen achterwege blijven, die natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst kunnen frustreren. De enkele stelling van de Werkgroep en andere, dat er door een gebrek in het aanlegvergunningstel werken en werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden die de natuurontwikkeling kunnen frustreren, acht de Afdeling onvoldoende concreet om daaraan het door hen gewenste gewicht toe te kennen. Ten aanzien van hetgeen is betoogd over het beekdal van de Blauwhoefse Loop, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de GHS in het voorliggende plan onjuist is begrensd.

2.44.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

2.45. De Werkgroep en andere stellen dat twee bestaande glastuinbouwbedrijven hun glasopstanden in strijd met het streekplan tot drie hectare kunnen uitbreiden.

2.45.1. Het college heeft zich in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide glastuinbouwbedrijven maatwerk is geleverd.

2.45.2. Het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf [locatie 19] heeft blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte van 1,75 hectare. Dit bouwvlak kan ingevolge de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6.7.1., lid c, van de planvoorschriften worden uitgebreid tot maximaal drie hectare. Glastuinbouwbedrijven buiten de doorgroeigebieden in de GHS mogen blijkens het streekplan hun bouwblok niet uitbreiden. Glastuinbouwbedrijven buiten doorgroeigebieden in de AHS-landschap dan wel de AHS-landbouw mogen volgens het streekplan hun glasopstand uitbreiden tot drie hectare. De Afdeling stelt vast dat het college bij zijn standpunt niet het antwoord op de vraag heeft betrokken, in welk van vorenbedoelde gebieden het glastuinbouwbedrijf [locatie 19] is gelegen.

2.45.3. De conclusie is dat hetgeen De Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 6.7.1, lid c, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het glastuinbouwbedrijf [locatie 19].

Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden (AL)" en derhalve ook aan voornoemd planonderdeel, is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

2.45.4. Anders dan de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan de glasopstand op het perceel [locatie 20] op grond van het bestemmingsplan niet worden uitgebreid. Het bouwvlak wordt deels omringd door gronden met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". Deze bestemming kan ingevolge het voorliggende plan niet worden gewijzigd ten gunste van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf. De glasopstand kan evenmin worden uitgebreid op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", nu deze gronden blijkens de plankaart door middel van een weg gescheiden worden van het bestemmingsvlak van het glastuinbouwbedrijf. Daardoor wordt niet voldaan aan het in het artikel 5.7.1, lid g, onder 1, van de planvoorschriften genoemde vereiste dat de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" moeten grenzen aan het bestemmingsvlak van het glastuinbouwbedrijf. Het betoog van de Werkgroep ten aanzien van het plandeel [locatie 20] faalt derhalve.

2.46. De Werkgroep en andere betogen dat boomteelt en diverse tuinbouwvoorzieningen zonder aanlegvergunning zijn toegestaan in de gebieden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" of de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", die tevens zijn aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties', of als 'leefgebied struweelvogels', of als 'leefgebied dassen' of als 'leefgebied vlinders'. Volgens de Werkgroep is dit in strijd met het streekplan. Voorts wijzen zij erop dat de criteria voor de vergunningverlening geen deel uitmaken van de planvoorschriften. Bovendien ontbreken belangrijke criteria, zoals de status van het gebied in het rijks- en provinciaal beleid, de cumulatieve effecten van kleine ingrepen, en de gevolgen van de ingreep voor de schaal van het landschap. Voorts betogen de Werkgroep en andere dat de aanduiding 'overig bos' blijkens de tabel "aanlegvergunningen' ook voorkomt in de AHS. Dit is in strijd met het streekplan.

2.46.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de provinciale GHS in het bestemmingsplan toereikend is beschermd. De gebieden die in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" of "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" hebben gekregen vertegenwoordigen volgens het college geen waarden die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Vanwege het feitelijke agrarische gebruik acht het college het redelijk dat op deze gronden een lichter aanlegvergunningregime van toepassing is dan voor de bescherming van de dezelfde waarden die voorkomen in de GHS.

2.46.2. In hetgeen de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat het bestemmingsplan een verdergaande bescherming dient te bieden dan in het streekplan is vermeld. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling tevens dat de Werkgroep haar stelling niet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door het concreet specificeren van plandelen waar grondgebruik is toegelaten dat in redelijkheid, gelet op de betrokken natuurbelangen, niet kan worden aanvaard.

2.46.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

2.47. De Werkgroep en andere voeren aan dat niet alle gronden die op de ecologische waardenkaart zijn aangeduid als 'overig bos' een bestemming hebben gekregen die in overeenstemming is met het streekplan. Daardoor is op het deze gronden van toepassing zijnde aanlegvergunningstelsel niet toereikend.

2.47.1. Het college heeft verwezen naar paragraaf 3.4.5 van het streekplan, waaruit blijkt dat in de AHS-landbouw geen natuurwaarden en daarmee samenhangende landschapswaarden aanwezig zijn die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Gebieden in de AHS-landbouw met de hoofdfunctie "bos en natuur", moeten volgens het streekplan op dezelfde wijze worden beschermd als de GHS en de AHS-landschap. Volgens het college is deze bescherming door het toekennen van de bestemmingen "Natuur (N)", "Bos/beplantingsstrook (BO)"en "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" toereikend. Gelet op het feitelijke gebruik van de overige gebieden met natuur- en landschapswaarden in de AHS-landbouw acht verweerder de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden (AD)" en het daaraan gekoppelde aanlegvergunningstelsel toereikend.

2.47.2. De Afdeling stelt vast dat het college uitvoerig op deze bedenking is ingegaan. Nu de Werkgroep en andere in beroep hun algemene stelling handhaven, maar niet concreet hebben aangeduid in welke gebieden die zijn aangeduid als 'overig bos', werken en werkzaamheden zijn toegelaten die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moeten worden geacht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit standpunt in redelijkheid niet kon innemen.

2.47.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

2.48. De Werkgroep en andere stellen dat het plan na vrijstelling al dan niet permanente hoge tuinbouwvoorzieningen mogelijk maakt in gebieden die als 'leefgebied das' en 'leefgebied struweelvogels' zijn aangeduid. Zij achten dit in strijd met het streekplan.

2.48.1. Het college heeft het bestemmingsplan, voor zover daarbij de hiervoor genoemde teeltondersteunende voorzieningen na vrijstelling kunnen worden opgericht, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.48.2. In hetgeen de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat de vrijstellingsbevoegdheden in het algemeen onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet dan na afweging van alle belangen, waaronder de belangen die zijn gediend met het behoud van desbetreffende leefgebieden, vrijstelling kan worden verleend.

2.48.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

2.49. De Werkgroep en andere stellen dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van een agrarische bedrijf op een locatie aan de De Donders. De kwaliteiten van het gebied, waaronder een waardevol akkercomplex, worden daardoor ernstig aangetast.

2.49.1. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" van de gemeente Boxtel, was ter plaatse een agrarisch bouwblok toegekend. Het streekplan definieert nieuwvestiging als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok. Anders dan de Werkgroep heeft betoogd, is er derhalve geen sprake van nieuwvestiging van een agrarische bedrijf op deze locatie.

2.49.2. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

2.50. De Werkgroep en andere betogen dat de ecologische verbindingszone Sparrenrijk-Kampina, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 1998, E01.95.0521, in het voorliggende bestemmingsplan onjuist is begrensd.

2.50.1. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak slechts geoordeeld dat het college niet adequaat is ingegaan op het bezwaar tegen de bestemming van desbetreffende gronden. Anders dan de Werkgroep betoogt, bevat voornoemde uitspraak van de Afdeling geen oordeel over de begrenzing van de strook. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

2.51. [appellant sub 24] voert aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuurgebied (N)" die is toegekend aan bossen en lanen op het landgoed "De Eikenhorst". Hij voert daartoe aan dat sprake is van een productiebos, en dat dit bestaande gebruik, ook mede gelet op het geen in de plantoelichting is vermeld, binnen de bestemming niet is toegelaten. Dat voor het rooien van houtgewas een aanlegvergunning verleend kan worden acht hij onevenredig belemmerend voor de exploitatie van het productiebos.

2.51.1. Het college acht de bestemming "Natuurgebied (N)" gerechtvaardigd, gelet op de ligging van de gronden in de GHS-natuur. Het rooien van houtgewas is mogelijk na een verleende aanlegvergunning en voor werken en werkzaamheden die de normale exploitatie betreffen geldt geen aanlegvergunningplicht, aldus het college.

2.51.2. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het landgoed een omvang heeft van 60 hectare, waarvan 35 hectare in gebruik is als productiebos. De overige gronden zijn in gebruik als maïs- en grasland. Met de opbrengsten van het productiebos en de landbouwgronden wordt het landgoed in stand gehouden.

Het landgoed is blijkens de streekplankaart gelegen in de hoofdzone GHS-natuur en in de subzone "Overig bos en natuurgebied". Uit bladzijde 99 van het streekplan blijkt dat deze subzone grotendeels betrekking heeft op (productie)bossen op droge gronden en graslanden. Ingevolge artikel 8.1, lid a en lid b, zijn de tot "Natuurgebied (N)" bestemde gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke, natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden, en voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart op die gronden voorkomen. Het landgoed is voor zover hier van belang, op de ecologische waardenkaart aangeduid als 'overig bos'. Ingevolge artikel 8.4.1, onder a, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de "Tabel aanlegvergunnningen", is het rooien van houtgewas op gronden met de bestemming "Natuurgebied (N)" en de aanduiding 'overig bos' aanlegvergunningplichtig.

2.51.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bestemming "Natuurgebied (N)" niet in de weg staat aan het bedrijven van productiebosbouw op het landgoed. Noch de planvoorschriften, noch de plantoelichting, bieden aanknopingspunten voor dit standpunt. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat het bestemmingsplan de bestemming "Bos/beplantingsstrook" kent, die blijkens de plantoelichting expliciet mede is gericht op het gebruik van de als zodanig bestemde gronden als productiebos.

Gelet hierop heeft verweerder zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat het rooien van houtgewas is toegestaan na een verleende aanlegvergunning. Nu de bestemming het gebruik van de gronden als productiebos niet toelaat, kan dit gebruik niet alsnog na een verleende aanlegvergunning toelaatbaar worden geacht.

2.51.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtzekerheid, nu de bestemming het bestaande feitelijke gebruik niet toelaat, en overigens niet is gebleken dat is beoogd dit gebruik niet als zodanig te bestemmen. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 24] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daar goedkeuring is verleend aan de bestemming "Natuurgebied (N)" van het landgoed "De Eikenhorst". Uit het voorgaande volgt tevens dat rechtens slechts één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel.

2.52. [appellant sub 24] betoogt voorts dat de gronden op het landgoed die als gras- en maisland in gebruik zijn ten onrechte zijn bestemd als "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". [appellant sub 24] voert aan dat de desbetreffende landbouwgronden intensief als gras- en maisland worden gebruikt en zwaar worden bemest. Tevens zijn deze gronden op de ecologische waardenkaart ten onrechte aangeduid als 'leefgebied das' en als 'gebieden met waardevolle vegetaties'. De feitelijke situatie, noch het streekplan rechtvaardigen deze aanduidingen. Bovendien is het aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereiste onnodig belemmerend voor de agrarische bedrijfsvoering.

2.52.1. Het college heeft verwezen naar het standpunt van de raad. Deze heeft erop gewezen dat de landbouwpercelen in de hoofdzone GHS-landbouw van het streekplan liggen en dat derhalve de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" gerechtvaardigd is. De aanduiding 'leefgebied das' is in overeenstemming met het streekplan omdat het op de detailkaarten is aangemerkt als 'leefgebied das'. De aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties' is toegekend vanwege het voorkomen van struikheide langs de perceelsranden.

2.52.2. Uit de streekplankaart blijkt dat het landgoed, inclusief de landbouwgronden, in de hoofdzone GHS-natuur en in de subzone "Overig bos- en natuurgebied" ligt. Het standpunt van de raad, dat de landbouwgronden in de hoofdzone AHS-landbouw liggen is derhalve onjuist. Nu deze onjuiste veronderstelling aan het toekennen van de bestemming ten grondslag is gelegd, en overigens niet is gebleken dat het feitelijk gebruik van de gronden betrokken is bij het toekennen van de bestemming, moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid.

Op de streekplankaart blijkt dat het landgoed niet ligt in de subzone "leefgebied dassen". Dat niettemin detailplankaarten van de GHS in omloop zijn, waarop het landgoed is aangeduid als 'leefgebied dieren en planten in GHS en AHS (Dassen)' is op zich zelf onvoldoende rechtvaardiging voor het toekennen van deze aanduiding. Dit klemt te meer nu bij het deskundigenbericht een inventarisatiekaart afkomstig van de gemeente Boxtel is overgelegd. Deze kaart is gebaseerd op veldonderzoek dat in 2004 door de Stichting Das & Boom in opdracht van de provincie Noord-Brabant is verricht. Uit deze kaart blijkt dat er op het landgoed geen dassenburchten voorkomen.

Daargelaten de vraag of langs de perceelsranden daadwerkelijk struikheide voorkomt en daargelaten de vraag of deze struikheide als zodanig planologisch dient te worden beschermd, is de Afdeling van oordeel dat niet toereikend is gemotiveerd waarom deze planologische bescherming grote delen van de agrarische gronden dient te omvatten, en niet uitsluitend de perceelsranden.

2.52.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 24] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daar bij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" en de aanduidingen 'leefgebied das' en de aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties', die het landgoed "De Eikenhorst" betreffen. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel

2.53. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'ruimte voor ruimte kavel' op plankaart 9, "Ontwikkelingenkaart" van een perceel aan de Esschebaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel niet in een bebouwingscluster of kernrandzone ligt, zodat de aanduiding in strijd is met de regeling 'ruimte-voor-ruimte" van het streekplan. De aanduiding van de desbetreffende gronden in het "Uitwerkingsplan landelijke regio Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel" als "transformatie afweegbaar" zet het streekplanbeleid voor de gronden niet opzij. Daartoe is een concrete invulling van het verstedelijkingsprogramma van het uitwerkingsplan vereist.

2.53.1. Het college van burgmeester en wethouders van Boxtel stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde aanduiding. Daartoe wordt aangevoerd dat het "Ontwikkelingsplan Esschebaan" als een voldoende concrete invulling van het verstedelijkingsprogramma moet worden gezien, dat de gronden zijn gelegen in een bebouwingscluster en dat van de zijde van de provincie Noord-Brabant toezeggingen zijn gedaan over de aanvaardbaarheid van de locatie vanwege de regeling 'ruimte-voor-ruimte".

2.53.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eerst met de ontwikkeling van bestemmingsplannen sprake is van een voldoende concrete invulling van de verstedelijkingsopgave van het "Uitwerkingsplan landelijke regio Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel". Daarvan was ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit nog geen sprake. Het college behoefde derhalve aan het "Ontwikkelingsplan Esschebaan" niet de betekenis toe te kennen die het college van burgemeester en wethouders van Boxtel daaraan toegekend wenst te zien. Hieruit volgt dat verweerder het streekplan op goede gronden bij zijn goedkeuringsbesluit heeft betrokken.

In het streekplan is een bebouwingcluster gedefinieerd als een vlakvormige verzameling van gebouwen bij een kruispunt van wegen in het buitengebied. Gelet op het verhandelde ter zitting en het bij het deskundigenbericht gevoegde beeldmateriaal, voldoet de locatie in geen enkel opzicht aan deze definitie. Dat aan de westzijde van de Esschebaan, waar de locatie is gelegen, mogelijk een sportcomplex zal worden gerealiseerd, leidt niet tot het oordeel dat de locatie binnen de planperiode zal zijn gelegen in een bebouwingscluster. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gronden niet in een bebouwingscluster liggen, zodat de aanduiding in strijd is met de regeling 'ruimte-voor-ruimte" van het streekplan.

Over het betoog van het college van burgemeester en wethouders dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot goedkeuring van bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren van de provincie Noord-Brabant, maar bij het college. Het college heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten omtrent de goedkeuring van het plan in zoverre.

2.53.3. De conclusie is dat hetgeen het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 27]

2.54. [appellant sub 27] heeft bezwaren tegen de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" die aan een deel van zijn gronden is toegekend. Volgens [appellant sub 27] zijn op deze gronden feitelijk geen natuurwaarden aanwezig die de toegekende bestemming rechtvaardigen.

2.54.1. Het college heeft erop gewezen dat de gronden op de indicatieve detailkaarten van de GHS zijn aangeduid als 'leefgebied kwetsbare soorten' en als 'struweelvogelgebied', en tevens dat de gronden zijn gelegen aan een waterloop met een natuurlijk karakter. Naar het oordeel van de Afdeling kan de verwijzing naar de kaarten en de ligging aan de waterloop niet dienen als een toereikende motivering van het goedkeuringsbesluit in zoverre. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet is gebleken dat recent onderzoek is verricht naar de natuurwaarden van het perceel. Dit klemt te meer, nu de desbetreffende gronden een relatief geringe oppervlakte hebben, op de plankaart aan drie zijden worden omringd door delen van agrarische bouwvlakken voor intensieve veehouderijen en aan één kant door burgerwoningen.

2.54.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" van de gronden van [appellant sub 27], voor zover op de plankaart gelegen tussen de Hezelaarsetraat, Wessendijk en het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)". Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit plandeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

Proceskostenveroordeling

2.55. Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 9],

[appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21], [appellant sub 24], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 1], [appellante sub 6], de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, [appellant sub 12], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellanten sub 17], [appellant sub 19] en [appellant sub 27] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.56. In verband met de proceskosten van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde, overweegt de Afdeling als volgt. De ZLTO, Afdeling Boxtel- Liempde, heeft de Afdeling via het "Formulier proceskosten" verzocht het college te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, de kosten van twee naar de zitting meegebrachte deskundigen, de kosten van drie in opdracht van haar opgestelde deskundigenrapporten, en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting van een van haar bestuursleden.

2.56.1. De ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. Kik, werkzaam bij de ZLTO. Diens werkzaamheden kunnen niet worden aangemerkt als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat de afdeling Boxtel-Liempde deel uitmaakt van de ZLTO. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van het verzoek van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde om het college te veroordelen in de kosten van twee door haar ter zitting meegebrachte deskundigen en drie in haar opdracht opgestelde deskundigenrapporten, overweegt de Afdeling als volgt.

Het verzoek van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde heeft betrekking op drie rapporten, uitgebracht door respectievelijk drs. J. Roymans, ing. P.H. Schalk en Alterra B.V. De Afdeling stelt vast dat het deskundigenrapport van Alterra B.V. niet door de Afdeling is ontvangen. Reeds hierom kan voor dit rapport geen vergoeding worden toegekend.

De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundigen heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Ten aanzien van het door appellant ter zitting meebrengen van deskundigen is de Afdeling van oordeel dat, mede in aanmerking genomen de inhoud van het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, aan deze maatstaf niet wordt voldaan, zodat geen aanleiding bestaat het college te veroordelen in de door de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde, hiervoor gemaakte kosten.

Ten aanzien van de twee door de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde ingebrachte deskundigenrapporten ziet de Afdeling, gelet op de inhoud en omvang hiervan, aanleiding om in de berekening van de vergoeding van de kosten voor de desbetreffende deskundigenrapporten, in zoverre in afwijking van het door de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde ingevulde proceskostenformulier, uit te gaan van een aantal uren van zestien.

De reiskosten van het verschijnen ter zitting van een bestuurslid van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde, komen wel voor vergoeding in aanmerking.

2.57. De Werkgroep en andere hebben de Afdeling via het "Formulier proceskosten" verzocht het college te veroordelen in de reiskosten van een ter zitting meegebrachte getuige. De kosten verbonden aan het meebrengen van een getuige komen slechts voor vergoeding in aanmerking, indien overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, daarvan mededeling is gedaan. Reeds omdat deze mededeling niet is gedaan, dient een proceskostenveroordeling in zoverre achterwege te blijven.

2.58. Ten aanzien van [appellant sub 28] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

2.59. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart, het college van burgemeester en wethouders van Boxtel en [appellanten sub 11] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 6] wat betreft de aanduiding 'leefgebied das' toegekend aan het voormalige perceel van [appellante sub 6] aan de overzijde van de Schijndelsedijk, het beroep van [appellanten sub 11] wat betreft de zandpaden in de omgeving van hun bedrijven, het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A], wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en"Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" , het beroep van de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, wat betreft het bolle/open akkercomplex Blauwhoefse Loop en Kalksheuvel, het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B] wat betreft het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21], [appellant sub 28], [appellant sub 24] en [appellant sub 27] geheel, en de beroepen van [appellante sub 6] en de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 12], [appellanten sub 2 A], [appellante sub 5], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], [appellanten sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 juni 2007, kenmerk 1242756, voor zover het betreft

a. de goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)";

b. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" aan [locatie 1];

c. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan', wat betreft de gronden aan de [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften;

d. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de gronden in de nabijheid van de gronden van [appellant sub 10] aan de [locatie 15] te Boxtel;

e. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" wat betreft de gronden van [appellanten sub 17] aan [locatie 2];

f. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)" aan de Renbaan;

g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied (N)" van het landgoed "De Eikenhorst";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" aan [locatie 1];

V. onthoudt goedkeuring aan de onder IIIa, IIId, IIIe, IIIf, IIIg genoemde planonderdelen;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 19 juni 2007;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart en het college van burgemeester en wethouders van Boxtel, geheel, het beroep van [appellanten sub 11], voor zover ontvankelijk, geheel en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 12], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij:

• [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 13] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 14] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 16] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellanten sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, Afdeling Boxtel- Liempde in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 847,24 (zegge: achthonderd zevenenveertig euro en vierentwintig cent);

• [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellanten sub 21] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 24] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• de Werkgroep Natuur- en landschapsbeheer Boxtel en andere, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 43,94 (zegge: drieënveertig euro vierennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere

• [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellanten sub 17] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 19] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 27] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,88 (zegge: achthonderdzevenendertig euro en achtentachtig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Deze bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan de genoemde (rechts)personen.

IX. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan de onder II. bedoelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt op de volgende wijze:

• aan [appellant sub 4, [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellante sub 20 A] en [appellant sub 20 B], gezamenlijk, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellante sub 6], de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] gezamenlijk, en [appellanten sub 17], een bedrag van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro);

• aan [appellant sub 9], [appellant sub 16], [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21] gezamenlijk, [appellant sub 24], [appellanten sub 1] gezamenlijk, [appellant sub 12], [appellante sub 5], [appellant sub 28], [appellant sub 19] en [appellant sub 27] een bedrag van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

381/466.