Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200801062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2007, nr. 2007/49927, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roermond hierna: de raad) bij besluit van 31 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Maasniel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801062/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2007, nr. 2007/49927, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roermond hierna: de raad) bij besluit van 31 mei 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Maasniel".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2008, waar [appellanten] zijn verschenen. Daarnaast zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.H.T. Heesakkers, ambtenaar in dienst bij de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. T.A.M. van Oosterhout, advocaat te Maastricht, en [ directrice].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten] betogen dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op de reactie van het college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2007 op de ingediende bedenkingen. Daarnaast voeren zij aan dat het advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke plannen en de reactie van het college van burgemeester en wethouders niet met het goedkeuringsbesluit van het college ter inzage hebben gelegen.

2.2.1. Uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Algemene wet bestuursrecht noch enige andere bepaling vloeit de verplichting voort de reactie van het college van burgemeester en wethouders toe te zenden aan degenen die bedenkingen hebben ingediend teneinde hen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Voorts hebben [appellanten] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die leiden tot het oordeel dat het college uit het oogpunt van zorgvuldigheid reden had moeten zien degenen die bedenkingen hebben ingediend in de gelegenheid te stellen op de schriftelijke reactie van het college van burgemeester en wethouders te reageren.

Ingevolge artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt, behoudens toepassing van artikel 29, het goedkeuringsbesluit met het bestemmingsplan voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Tot het ter inzage leggen van het advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke plannen en de schriftelijke reactie van het college van burgemeester en wethouders op de ingebrachte bedenkingen bestaat gezien de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht geen verplichting. Voorts heeft deze beroepsgrond betrekking op de fase na de datum van het bestreden besluit zodat reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit hierdoor niet kan worden aangetast. Bovendien heeft het college deze stukken desgevraagd aan [appellanten] toegezonden en hebben zij hiervan kennis kunnen nemen ter voorbereiding van hun beroep. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellanten] in hun belangen zijn geschaad door de omstandigheid dat voornoemde stukken niet met het goedkeuringsbesluit ter inzage hebben gelegen.

2.3. [appellanten] betogen dat de raad ten onrechte de zienswijze van [belanghebbende] bij zijn besluitvorming heeft betrokken, nu de raad deze zienswijze niet ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad gegevens uit de door [belanghebbende] ingediende stukken bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken.

2.3.2. De raad heeft de zienswijze van [belanghebbende] van 27 september 2006 niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen daarvan. Niet in geschil is dat de raad informatie uit deze zienswijze bij de beantwoording van de zienswijze van [appellanten] heeft betrokken. De enkele omstandigheid dat de door [belanghebbende] ingediende zienswijze niet ontvankelijk is verklaard, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat de raad informatie uit deze zienswijze niet bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken.

[appellanten] hebben geen overige feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de raad in dit geval informatie uit de zienswijze van [belanghebbende] niet had mogen gebruiken bij de voorbereiding van zijn besluit. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de raad gegevens uit de door [belanghebbende] ingediende zienswijze bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken.

2.4. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte de reactie van het college van burgemeester en wethouders bij de beantwoording van de bedenkingen heeft overgenomen zonder zelf onderzoek in te stellen.

2.4.1. Het college heeft in het bestreden besluit expliciet aangegeven de visie van het college van burgemeester en wethouders op de door [appellanten] ingediende bedenkingen te onderschrijven. Voor zover het college aldus heeft verwezen naar de reactie van het college van burgemeester en wethouders, vormt deze reactie onderdeel van het standpunt van het college met betrekking tot de door [appellanten] ingebrachte bedenkingen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 februari 2003 in zaak nr. 200103151/1) staat in beginsel geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel eraan in de weg dat het college aansluit bij de visie van het college van burgemeester en wethouders. [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die leiden tot het oordeel dat het college in dit geval niet in redelijkheid bij de visie van het college van burgemeester en wethouders heeft kunnen aansluiten, dan wel dat het college nader onderzoek diende te verrichten.

2.5. Het plan strekt tot het actualiseren van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij de huidige gronden en functies zo veel mogelijk positief zijn bestemd.

2.6. [appellanten], wonend aan de [locatie 1] te [plaats], betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" aan de achter hun woning gelegen [locatie 2]. Zij brengen in dit verband naar voren dat aan een deel van de gronden waaraan in het vorige plan de bestemming "Achtererven" was toegekend thans ten onrechte een bedrijfsbestemming is toegekend, nu de bedrijfsactiviteiten van het aan de [locatie 2] gevestigde takel- en bergingsbedrijf [belanghebbende] strijdig waren met het voorgaande plan.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de grens van het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" niet binnen de voormalige bestemming "Achtererven" valt.

2.6.2. Aan het perceel aan de [locatie 2] (hierna ook: het perceel) is de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend met voor een gedeelte van het perceel de nadere aanduiding "differentiatievlak bedrijfsdoeleinden b1". Blijkens de stukken heeft de raad naar aanleiding van de inspraakreactie van [appellanten] op het voorontwerp van het plan het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" aangepast en de grens ervan verschoven in de richting van de Wilhelminalaan, met de bedoeling deze grens gelijk te stellen met de grens van de op grond van het vorige bestemmingsplan "Tegelarijveld 1e herziening" geldende bestemming "Eengezinshuizen c.q. zakenpanden bebouwingsklasse NNII". De grens van het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" ligt in het onderhavige plan op 24 m afstand van het perceel van [appellanten]. Gebleken is dat deze grens aldus ten opzichte van de grens van de bestemming "Eengezinshuizen c.q. zakenpanden bebouwingsklasse NNII" onder het vorige plan, 3 m is verschoven in de richting van het perceel van [appellanten]. Ter zitting is komen vast te staan dat dit is ontstaan doordat is gemeten vanaf de gevel van de op het perceel aanwezige loods. De Afdeling ziet, gelet op het geringe verschil van 3 m en de niet onlogische begrenzing van het differentiatievlak langs de bestaande loods, geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de in het plan opgenomen begrenzing van het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1". De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat de afstand van de grens van het differentiatievlak tot aan de woning van [appellanten] 31 m bedraagt en dat het gedeelte van het perceel dat is gelegen tussen het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" en het perceel van [appellanten] de bestemming "Woondoeleinden (W)" zonder nadere aanduiding heeft, zodat bedrijfsactiviteiten daar niet zijn toegestaan.

In het voorgaande bestemmingsplan "Tegelarijveld 1e herziening" was voor het deel van het perceel waar thans de aanduiding "differentiatievlak bedrijfsdoeleinden b1" geldt, de bestemming "Eengezinshuizen c.q. zakenpanden bebouwingsklasse NNII" opgenomen. Aan de rest van het perceel was onder dat plan de bestemming "Achtererven" toegekend. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Tegelarijveld 1e herziening" mochten op gronden bestemd voor "Eengezinshuizen c.q. zakenpanden bebouwingsklasse NNII" uitsluitend eengezinshuizen dan wel winkels, toonzalen, kantoren, horeca- of kleinbedrijven, al dan niet met woning met de daartoe nodige bijgebouwen en andere bouwwerken, worden gebouwd. Ingevolge artikel 4.1.2 van de planvoorschriften bij het onderhavige plan, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de aanduiding "differentiatievlak bedrijfsdoeleinden b1" mede bestemd voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze bedrijfsactiviteiten zijn ingevolge dit artikel beperkt tot verhuur van motorvoertuigen in het kader van een vervangend-vervoer-service en tot de opslag van inventaris en goederen in een loods, met tevens verhuur van een loods. Gelet op het voorgaande waren de thans binnen het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" toegelaten bedrijfsactiviteiten onder het vorige plan reeds toegelaten op grond van de bestemming "Eengezinshuizen c.q. zakenpanden bebouwingsklasse NNII".

2.7. [appellanten] voeren voorts aan dat de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 1997 in zaak no. R03.93.6355 (aangehecht) en de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 juni 2000 in zaak no. 00/97 BSTPL (aangehecht) niet zijn nageleefd. In dit verband wijzen zij erop dat het college van burgemeester en wethouders naar aanleiding van deze uitspraak van de rechtbank Roermond bij besluit van 31 oktober 2000 heeft afgezien van het voornemen om door middel van een bestemmingsplanwijziging de bedrijfsactiviteiten van het takel- en bergingsbedrijf, voor zover in strijd met het vorige plan, te legaliseren.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad de gerechtelijke uitspraken wel in acht heeft genomen, nu deze uitspraken betrekking hebben op het deel van het perceel waarvoor in het vorige plan de bestemming "Achtererven" van toepassing was.

2.7.2. Voornoemde uitspraak van de Afdeling betreft een verzoek om handhaving met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten op het gedeelte van het perceel aan de [locatie 2] met de bestemming "Achtererven". Voornoemde uitspraak van de rechtbank Roermond betreft een besluit tot principe-medewerking van het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek van [belanghebbende] om de bedrijfsactiviteiten op het gehele perceel aan de [locatie 2] toe te laten. In de thans aan de orde zijnde procedure staat het goedkeuringsbesluit inzake het bestemmingsplan "Maasniel" ter beoordeling. De vraag in hoeverre voornoemde uitspraken zijn nageleefd kan, wat daar verder ook van zij, in deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen. De door [appellanten] aangehaalde uitspraken geven op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het college goedkeuring aan het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" diende te onthouden.

2.7.3. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld omdat met het plan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 31 oktober 2000 wordt geschonden, overweegt de Afdeling dat burgemeester en wethouders bij dit besluit hebben meegedeeld af te zien van hun voornemen om de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] ook toe te staan op het gedeelte van het perceel waarvoor op grond van het destijds geldende plan de bestemming "Achtererven" gold. In het thans aan de orde zijnde plan is voor dit gedeelte van het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)" zonder nadere aanduiding opgenomen, zodat bedrijfsactiviteiten hier niet zijn toegestaan. In zoverre is het plan niet strijdig met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2000. Voor zover [appellanten] betogen dat door de verschuiving van de grens van het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1", zoals hiervoor beschreven onder 2.6.2., op een gedeelte van het perceel dat op grond van het vorige plan de bestemming "Achtererven" had, nu bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, overweegt de Afdeling dat, gelet op de relatief beperkte omvang van dit perceelsgedeelte, de aanleiding voor de verschuiving van bedoelde grens en de resterende afstand tot het perceel van [appellanten], zoals hiervoor omschreven onder 2.6.2., niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een substantiële uitbreiding van het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1". Niet kan worden geoordeeld dat de raad het plan in zoverre niet in afwijking van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2000 heeft mogen vaststellen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad bij de vaststelling van het plan niet volledig aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders gebonden kon worden geacht. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.8. [appellanten] betogen dat het gemeentebestuur zich wat betreft de besluitvorming over het plan op onaanvaardbare wijze heeft vastgelegd doordat voorafgaand aan de vaststelling van het plan de gedeeltelijke bedrijfsverplaatsing van [belanghebbende] bij notariële akte is geregeld. Zij menen dat hun belangen hiermee op onaanvaardbare wijze worden geschaad.

2.8.1. Het college heeft geen aanleiding gezien op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8.2. Blijkens de schriftelijke uiteenzetting van het college van burgemeester en wethouders en blijkens de notitie zienswijzen en standpuntbepaling is op 27 december 2002 bij notariële akte de overdracht geregeld van een strook grond aan de Elmpterweg door de Regionale Ontwikkeling Midden-Limburg BV aan de gemeente, waarbij de gedeeltelijke verblijfsverplaatsing van [belanghebbende] naar de Elmpterweg is vastgelegd. Een deel van de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] is uitgezonderd van deze bedrijfsverplaatsing. De strekking van de notariële akte is vertaald in het onderhavige plan. Het stond de gemeente in beginsel vrij de gedeeltelijke bedrijfsverplaatsing van [belanghebbende] in een privaatrechtelijke overeenkomst vast te leggen. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de raad hiermee zodanig in zijn beslissingsbevoegheid werd beperkt dat hij niet zorgvuldig en in vrijheid over het plan kon beslissen.

Het college behoefde in de voornoemde omstandigheden dan ook in redelijkheid geen aanleiding te zien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.9. [appellanten] betogen verder dat onduidelijk is welke bedrijfsactiviteiten artikel 4.1.2 van de planvoorschriften toelaat.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is welke bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten op het perceel aan de [locatie 2] en heeft in hetgeen [appellanten] op dit punt aanvoeren geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.9.2. Ingevolge artikel 4.1.2 van de planvoorschriften zijn de gronden met de aanduiding "differentiatievlak bedrijfsdoeleinden b1" mede bestemd voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze bedrijfsactiviteiten zijn beperkt tot verhuur van motorvoertuigen in het kader van een vervangend-vervoer-service en tot de opslag van inventaris en goederen in een loods met tevens verhuur van een loods.

De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat de bedrijfsactiviteiten hiermee zijn toegespitst op de thans bestaande situatie. Nu in artikel 4.1.2 van de planvoorschriften de bedrijfsactiviteiten nader zijn gespecificeerd, is naar het oordeel van de Afdeling de aard van de te verwachten bedrijfsactiviteiten voldoende duidelijk. Voor zover [appellanten] vrezen dat indien de loods wordt verhuurd, onduidelijk is welke activiteiten in de loods zullen plaatsvinden, merkt de Afdeling op dat ook na eventuele verhuur van de loods de aard van de activiteiten binnen de bestemming zal moeten passen.

2.10. [appellanten] betogen tevens dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de toegelaten bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie 2] noodzakelijk zijn, nu een deel van het bedrijf reeds is verplaatst naar de Elmpterweg. Voorts past het toelaten van bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie 2] niet binnen het gemeentelijk beleid, aldus [appellanten].

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat gezien de lichte omvang van de bedrijfsactiviteiten, deze activiteiten passend zijn in de omgeving.

2.10.2. Blijkens de schriftelijke uiteenzetting van het college van burgemeester en wethouders zijn de hoofdactiviteiten van het takel-, bergings- en transportbedrijf [belanghebbende] verplaatst naar een bedrijfsperceel aan de Elmpterweg. In verband met de geluidscontouren van het vliegveld Brüggen is het niet mogelijk tevens de bedrijfswoning naar die locatie te verplaatsen. Voorts dient voor de verhuur van motorvoertuigen in het kader van de vervangend-vervoer-service een 24-uurs bereikbaarheid te worden gewaarborgd. Gelet hierop is dit onderdeel van de bedrijfsactiviteiten gehandhaafd op de huidige locatie aan de [locatie 2], aldus het college van burgemeester en wethouders.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het toelaten van bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie 2] past binnen het beleid voor het desbetreffende gebied. In de omgeving van het perceel zijn meerdere bedrijven gevestigd, aldus de raad. [appellanten] hebben dit op zichzelf niet betwist. Gelet op voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] op dit punt naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de desbetreffende bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Wilhelminalaan worden toegestaan, dan wel dat het toestaan van de desbetreffende bedrijfsactiviteiten in strijd zou zijn met het gemeentelijk beleid.

2.11. [appellanten] voeren voorts aan dat artikel 4.1.3 van de planvoorschriften tegenstrijdig is aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, aangezien enerzijds een beperking in de duur van de resterende bedrijfsactiviteiten in het plan is opgenomen en anderzijds een vrijstellingsbevoegdheid die het mogelijk maakt vrijstelling te verlenen voor zwaardere bedrijfsactiviteiten.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 4.1.3 en artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften niet tegenstrijdig zijn.

2.11.2. Ingevolge artikel 4.1.3 van de planvoorschriften geldt de in artikel 4.1.2 opgenomen medebestemming tot het tijdstip waarop de afwijkende functie is vervangen door een functie die past binnen de doeleindenomschrijving als bedoeld in artikel 4.1.1, dan wel tot het tijdstip waarop gronden en/of opstallen gedurende twee jaar niet meer voor de afwijkende functie zijn gebruikt.

Artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen voor de uitoefening van bedrijven, vallende onder kleine economie, met dien verstande dat activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldings- c.q. vergunningsplichtig zijn, in beginsel niet worden toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving zal optreden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 30, van de planvoorschriften wordt onder kleine economie verstaan bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis verbonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.

Hieruit volgt dat de medebestemming in beginsel komt te vervallen indien de afwijkende functie wordt vervangen door een functie die past binnen de bestemming "Woondoeleinden (W)", dan wel indien de opstallen twee jaar niet meer voor de afwijkende functie zijn gebruikt. Slechts in bepaalde gevallen, te weten indien aan de voorwaarden van artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder g, wordt voldaan, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor bedrijven, vallende onder kleine economie. Bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat geen overlast voor de omgeving zal optreden. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4.1.3 en artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften niet tegenstrijdig zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. [appellanten] brengen voorts naar voren dat onduidelijk is welke invloed het stallen van de motorvoertuigen op het perceel aan de [locatie 2] heeft op de parkeerbalans.

2.12.1. Het college heeft geen aanleiding gezien op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.12.2. Volgens de schriftelijke uiteenzetting van het college van burgemeester en wethouders zullen de bedrijfsactiviteiten geen invloed hebben op de parkeerbalans. Het stallen van de personenauto's in het kader van de vervangend-vervoer-service zal uitsluitend binnen het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden b1" plaatsvinden. Ook voor de overige toegelaten bedrijfsactiviteiten zal geen gebruik worden gemaakt van openbare parkeerplaatsen, nu het perceel voldoende parkeerruimte biedt. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] op dit punt naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het college er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat de bedrijfsactiviteiten geen invloed zullen hebben op de parkeerbalans.

2.13. [appellanten] betogen ten slotte dat het toelaten van de bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie 2] hun woongenot aantast en een ernstige waardedaling van hun woning met zich zal brengen. In dit kader voeren zij aan dat de minimaal aan te houden afstand van 30 meter voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2, zoals opgenomen in de brochure "bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure), niet in acht is genomen.

2.13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het woongenot van [appellanten] niet dusdanig wordt aangetast dat hieraan doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend. Voorts brengt het college naar voren dat wel aan de afstand van 30 meter uit de VNG-brochure wordt voldaan.

2.13.2. Ingevolge artikel 4.1.2 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de aanduiding "differentiatievlak bedrijfsdoeleinden b1" mede bestemd voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en beperkt tot verhuur van motorvoertuigen in het kader van een vervangend-vervoer-service en tot opslag van inventaris en goederen in een loods met tevens verhuur van een loods. Blijkens de VNG-brochure bedraagt de minimale richtafstand tussen bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 en nabijgelegen woningen 30 meter. Blijkens de plankaart is de afstand van het differentiatievlak tot de gevel van de woning van [appellanten] ongeveer 31 meter. Nu de VNG-brochure uitgaat van een minimale afstand van de grens van het bestemmingsvlak enerzijds en de gevel van de woning anderzijds wordt in het geval van [appellanten] aan de richtafstand uit de VNG-brochure voldaan. Voorts zijn de hoofdactiviteiten van het takel- en bergingsbedrijf verplaatst naar de Elmpterweg en zijn thans uitsluitend de in artikel 4.1.2 van de planvoorschriften omschreven bedrijfsactiviteiten op het perceel toegelaten. Gelet op het voorgaande en mede gezien de aard van de toegelaten bedrijfsactiviteiten heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woongenot van [appellanten] niet dusdanig zal worden aangetast dat in zoverre goedkeuring aan het plan dient te worden onthouden. Voorts hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de eventuele waardevermindering van hun woning dusdanig zal zijn dat het college hieraan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen bij zijn besluit omtrent goedkeuring van het plan.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op de bestreden punten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

204-575.