Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200803908/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) bouwvergunning aan [belanghebbende] verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 172 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803908/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], gemeente Veere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 april 2008 in zaak nr. 08/213 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) bouwvergunning aan [belanghebbende] verleend voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2008, verzonden op 22 april 2008, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2009, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Spierdijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een uitbreiding aan de achterzijde van de woning op het perceel. Volgens de bouwtekening is de aanbouw ongeveer 6,65 m lang en 6,31 m breed. Het dak is voorzien van een lichtstraat.

2.2. [appellant] betoogt dat hij in zijn belangen is geschaad door de houding van de voorzieningenrechter ter zitting en doordat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen. Dit betoog slaagt niet, omdat uitsluitend de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2008 ter beoordeling voorligt.

2.3. [appellant] komt voorts op tegen de voeging ter zitting van zijn beroep met dat van [persoon]. Hij doet dat tevergeefs, omdat de voorzieningenrechter zijn beroep niet heeft gevoegd, maar alleen gelijktijdig heeft behandeld met het beroep van [persoon].

Voorts is [belanghebbende] met recht als belanghebbende aangemerkt. Hij is immers de vergunninghouder.

2.4. Op 8 april 2008 heeft [belanghebbende] verzocht om wijziging van de op 27 september 2007 verleende bouwvergunning. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het college de bouwvergunning overeenkomstig de aanvraag gewijzigd. [appellant] is ter zitting bij de rechtbank op 10 april 2008 op de hoogte gesteld van de gewijzigde bouwvergunning.

2.4.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het beroep mede gericht moet worden geacht tegen het besluit van 10 april 2008. Indien hangende een bezwaar- of beroepschriftprocedure met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, zijn op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor een dergelijke wijziging geen nieuwe bouwaanvraag nodig zou zijn geweest, indien nog niet zou zijn beslist op de oorspronkelijk aanvraag.

De wijzigingen waarvoor het college bij besluit van 10 april 2008 bouwvergunning heeft verleend, betreffen het verminderen van de breedte van de aanbouw, het verplaatsen van een binnendraagmuur en het aanbrengen van een raam in het toilet. Deze veranderingen zijn, gelet op hun omvang in verhouding tot de omvang van het bouwplan voor de aanbouw waarvoor op 27 september 2007 bouwvergunning is verleend, en op hun geringe ruimtelijke uitstraling, wijzigingen van ondergeschikte aard.

Nu het beroep, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, mede gericht moet worden geacht tegen het besluit van 10 april 2008, zijn de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen dit besluit en de termijn voor het instellen van beroep dan ook niet aan de orde.

De omstandigheden dat, naar [appellant] stelt, in het besluit van 10 april 2008 een onjuist huisnummer is vermeld en dat [appellant] het tijdsverloop tussen het besluit van 27 september 2007 en dat van 10 april 2008 te lang vindt, maakt het vorenstaande niet anders, nu het huisnummer op een kennelijke verschrijving berust en vorenbedoeld tijdsverloop thans niet ter zake doet.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant] in zijn belangen is geschaad nu het college eerst advies heeft aangevraagd bij de welstandscommissie over het bouwplan, nadat de bouwvergunning reeds was verleend. Niet de bouwvergunning, maar het door [appellant] gemaakte bezwaar daartegen was immers aanleiding om het welstandsadvies van 13 februari 2008 aan te vragen. Het college heeft het besluit op bezwaar van 29 januari 2008 eerst op 14 februari 2008 verzonden.

2.5. [appellant] heeft eerst ter zitting betoogd dat hij in zijn belangen is geschaad vanwege de houding van het college ten opzichte van [belanghebbende] en vanwege het achterwege blijven van vragen van de rechtbank daaromtrent. Voorts heeft hij ter onderbouwing van voornoemd betoog aangevoerd dat het college niet alle stukken bij de commissie voor de bezwaarschriften heeft ingediend en dat die commissie zich niet onafhankelijk heeft opgesteld. Niet valt in te zien waarom [appellant] dit niet eerder dan ter zitting heeft kunnen inbrengen, zodat het college daarop naar behoren had kunnen reageren. Dit is in strijd met de goede procesorde, zodat aan deze standpunten voorbij kan worden gegaan.

2.6. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Koudekerke" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" met de nadere aanduidingen W6 en W3(e).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften is een aan- of uitbouw een ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door haar indeling en inrichting bestemd is hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van het hoofdgebouw.

Ingevolge het eerste lid, onder 31, van dat artikel, is een hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge het eerste lid, onder 39d, voor zover thans van belang, is het peil: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften, mogen de bouwgrenzen en de voorgevelrooilijn in afwijking van de plankaart en hoofdstuk II uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende ondergeschikte onderdelen, mits die overschrijding niet meer dan 1,50 meter bedraagt en de breedte niet meer dan 3,00 meter.

Ingevolge artikel 7, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften, gelden voor de toelaatbare dakvoethoogte dan wel bouwhoogte van gebouwen de volgende bepalingen: het op de kaart achter een bestemmingsaanduiding ingeschreven Arabische cijfer geeft - tenzij in hoofdstuk II anders is bepaald en behoudens eventuele vrijstellingsmogelijkheden - de maximaal toelaatbare dakvoethoogte van gebouwen in meters aan.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag de maximale dakvoethoogte van gebouwen worden overschreden door lichtstraten.

Ingevolge artikel 8, derde lid, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd, met uitzondering van de bouwvlakken met de nadere aanwijzing (e);

g. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

i. de bouwvlakken met de nadere aanwijzing W3(e) mogen voor ten hoogste 50% worden bebouwd, met een maximum van 60 m2;

l. de dakvoethoogte van een bijgebouw en een aan- of uitbouw mag ten hoogste 3,00 meter bedragen en de bouwhoogte mag ten hoogste 6,00 meter bedragen.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft verleend. Hij voert daartoe aan dat de uitbreiding, ten onrechte is aangemerkt als aanbouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften en dat deze niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, omdat de uitbreiding in verhouding tot de woning te groot is.

2.7.1. Volgens de van de gedingstukken deel uitmakende bouwtekening is de aanbouw wat bouwmassa betreft weliswaar een forse toevoeging aan de woning, maar gezien de omstandigheid dat deze duidelijk lager is dan de woning en daaraan is gebouwd, is de aanbouw in bouwkundig opzicht nog steeds ondergeschikt aan de woning. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwwerk kan worden aangemerkt als een aanbouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften en dat deze ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanbouw niet in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert daartoe aan dat de hoogte van de aanbouw de maximum bouwhoogte voor dergelijke bouwwerken overschrijdt. Ook voert hij aan dat de aanbouw is gebouwd buiten het daarvoor bestemde bouwvlak met de nadere aanduiding W6 en dat de overschrijding groter is dan die ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften is toegestaan. Voorts overschrijdt de aanbouw de zijdelingse perceelsgrens, aldus [appellant].

2.8.1. De aanbouw is gedeeltelijk geprojecteerd in het bouwvlak met de aanduiding "W6" en gedeeltelijk in het bouwvlak met de aanduiding "W3(e)". Buiten deze bouwvlakken wordt niet gebouwd. Het bouwen van de aanbouw is derhalve toegestaan. Voorts blijkt uit de bouwtekening dat de aanbouw maximaal 2,91 m hoog zal zijn. De toegestane hoogte wordt derhalve niet overschreden. De stelling dat is gebouwd in afwijking van de vergunning kan nu niet aan de orde komen, aangezien uitsluitend de bouwaanvraag zoals deze is ingediend ter toetsing voorligt.

Dat de aanbouw, naar [appellant] stelt, ook op het naastgelegen perceel wordt gebouwd, is ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet geen grond om bouwvergunning te weigeren, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.9. Tenslotte betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de aanbouw in strijd is met de redelijke eisen van welstand, nu op grond van de sneltoetscriteria van de Welstandsnota Veere 2004 (hierna: de welstandsnota) een aanbouw aan de achterkant van het hoofdgebouw niet dieper mag zijn dan 3 m.

2.9.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de aanbouw mocht toetsen aan de sneltoetscriteria van paragraaf 7.1 van de welstandsnota. Nu het bouwplan niet aan het sneltoetscriterium voldoet dat een aanbouw aan de achterkant van het hoofdgebouw niet dieper mag zijn dan 3 m, heeft het college dat bouwplan in overeenstemming met hetgeen vermeld staat in paragraaf 7.1 van de welstandsnota, alsnog aan de Stichting Dorp, Stad en Land (hierna: welstandscommissie) voorgelegd. De welstandscommissie heeft op 13 februari 2008 een positief welstandsadvies (hierna: het welstandsadvies) uitgebracht.

Nu het welstandsadvies bestaat uit een enkele akkoordverklaring en [appellant] dat welstandsadvies heeft bestreden door aan te voeren dat de voorziene zijmuur te kolossaal is, kon het college niet volstaan met het overnemen van dat welstandsadvies, maar had het college gemotiveerd moeten ingaan op hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Nu er sprake was van een enkele akkoordverklaring doet de omstandigheid dat [appellant] geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd niet ter zake. Het besluit van 29 januari 2008 is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen. Het betoog slaagt.

2.10. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 29 januari 2008 vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 april 2008 in zaak nr. 08/213;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 14 februari 2008, kenmerk /08U.01573;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 359,23 (zegge: driehonderdnegenvijftig euro en drieëntwintig cent); het dient door gemeente Veere aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat gemeente Veere aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdéénenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

17-560.