Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200802521/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een fokzeugen- en rundveehouderij aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 februari 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 47 met annotatie van W.J.B. Claassen-Dales
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2548
JOM 2009/865
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802521/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een fokzeugen- en rundveehouderij aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 februari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008, beroep ingesteld.

Nadere stukken zijn ontvangen van [appellant A] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar [appellant A] en anderen, in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom en drs. E.F.T. Smets-Wolters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Tevens is [vergunninghouder] bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, R. Nijdam en G. van Iersel als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben dan wel het veranderen van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden. De afstand van de woning van [appellant B] tot de inrichting is dusdanig groot dat gelet op de aard en omvang van de inrichting niet aannemelijk is dat hij daar milieugevolgen van de inrichting kan ondervinden. [appellant B] is geen belanghebbende, zodat het beroep voor zover door hem ingediend niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellant A] en anderen voeren aan dat bij het bepalen van de ammoniakemissie is uitgegaan van onjuiste emissiefactoren. Volgens hen is het hierdoor niet uitgesloten dat de ammoniakemissie niet daalt, maar toeneemt.

Zij stellen dat op een afstand van 345 meter een voor verzuring gevoelig gebied is gelegen en dat op een afstand van 250 meter een niet voor verzuring gevoelig bos is gelegen. Volgens [appellant A] en anderen had de vergunning geweigerd moeten worden op grond van artikel 3, derde lid van de Wet ammoniak en veehouderij (oud).

2.3.1. Het college voert aan dat het bedrijf niet is gelegen in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied. Bovendien gaat het beroep uit van de onjuiste vooronderstelling dat de ammoniakemissie toeneemt. Uit de beoordeling van de ammoniakemissie blijkt dat de emissie afneemt zodat van strijdigheid met artikel 3, derde lid van de Wet ammoniak en veehouderij (oud) geen sprake is. Het college voegt hier aan toe dat naast de, op zich zelf al voldoende zijnde, ammoniakreductie door het gehanteerde huisvestingssysteem nog een extra reductie van 70% wordt bereikt door de toepassing van een biologisch luchtwassysteem.

2.3.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (oud) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Uit het derde lid volgt, voor zover hier van belang, dat een vergunning voor een gpbv-installatie (zoals hier aan de orde) in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd wordt, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 4 van de Wet ammoniak en veehouderij (oud) wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied.

2.3.3. Niet in geschil is dat de inrichting niet geheel of gedeeltelijk in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied is gelegen. In zoverre noopt de Wet ammoniak niet tot het weigeren van de vergunning.

[appellant A] en anderen hebben in het beroepschrift noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat het college bij het bepalen van de ammoniakemissie is uitgegaan van onjuiste emissiefactoren, aangezien de emissiefactoren die gelden dan wel golden voor de toe te passen dan wel toegepaste huisvestingssystemen zijn gehanteerd. Evenmin is gebleken dat het college niet in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de ammoniakemissie van het bedrijf door de met het bestreden besluit vergunde veranderingen afneemt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht concluderen dat de ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden geen aanleiding geven om de ammoniakemissie van de inrichting nog verder met nadere vergunningvoorschriften te beperken. Reeds hierom verplicht artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (oud) niet tot het weigeren van de vergunning. De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant A] en anderen voeren aan dat er in de vergunning ten onrechte geen controlevoorschriften staan opgenomen die het permanent in werking zijn van de luchtwassers garanderen. Volgens hen valt daardoor niet te garanderen dat de ammoniakemissie van het bedrijf daalt.

2.4.1. Het college wijst erop dat vergunningvoorschrift 9.2.4 voorschrijft dat de luchtwasser bij het in gebruik zijn van de stal in werking is. Bovendien volgt uit vergunningvoorschrift 9.2.14 dat een logboek moet worden bijgehouden van het opstarten en stilleggen van de installatie.

2.4.2. Daargelaten dat het vergunde huisvestingssysteem reeds een daling van de ammoniakemissie met zich meebrengt, vloeit uit de door het college aangehaalde vergunningvoorschriften voort dat de luchtwasser bij ingebruikname van de stal in werking dient te zijn. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

2.5. [appellant A] en anderen voeren aan dat de biologische luchtwassers niet zonder meer als best beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt nu het college niet naar het energie- en waterverbruik van de luchtwassers heeft gekeken en er volgens hen geen sprake is van een afname van de ammoniakuitstoot.

De Afdeling overweegt dat biologische luchtwassystemen, ondanks de nadelige neveneffecten ervan (zoals het water- en energieverbruik) in de regel tot de beste beschikbare technieken gerekend worden. Er is geen grond voor het oordeel dat die regel hier uitzondering leidt. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant A] en anderen voeren aan dat het energieverbruik aanmerkelijk hoger zal liggen dan is aangevraagd. Zij hebben daartoe een berekening in het beroepschrift en de nadere stukken opgenomen waaruit volgens hen blijkt dat een energiebesparingsonderzoek noodzakelijk is om aan de best beschikbare technieken te kunnen voldoen.

2.6.1. Het college stelt dat de in de vergunningaanvraag opgenomen inschatting van het jaarlijkse energieverbruik realistisch is. Tevens worden in de inrichting een groot aantal voor de branche gebruikelijke energiebesparende technieken toegepast die als best beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt. Hierdoor heeft de inrichting volgens het college een lager dan gemiddeld energieverbruik. In de berekening van [appellant A] en anderen wordt volgens het college van een onjuist bronvermogen van de ventilatoren uitgegaan. Bovendien wordt volgens het college ten onrechte niet uitgegaan van een gemiddelde ventilatiebehoefte.

2.6.2. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten die het college bij de beoordeling van het energieverbruik van de veehouderij heeft gebruikt onjuist zijn. Gelet hierop, de aangevraagde energiebesparende maatregelen, de door het college ten aanzien van het energiegebruik gemaakte berekeningen en de omstandigheid dat het aangevraagde energieverbruik lager ligt dan het gemiddelde verbruik bij een vergelijkbare veehouderij, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het onderhavige geval een energiebesparingsonderzoek niet noodzakelijk is. Deze beroepsgrond faalt. De Afdeling ziet dan ook geen reden voor een nader onderzoek door de Stichting advisering bestuursrechtspraak zoals [appellant A] en anderen hebben verzocht.

2.7. [appellant A] en anderen voeren aan te vrezen dat ten gevolge van de vergunningverlening een groter risico ontstaat op de aanwezigheid van de mrsa bacterie.

2.7.1. Het college voert aan dat het gevaar voor de volksgezondheid dat de mrsa bacterie oplevert geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu. Het enkele feit dat in de inrichting meer dieren worden gehouden is volgens het college geen zodanige omstandigheid dat er sprake is van een dusdanig grote toename van het risico op besmetting met de mrsa bacterie dat de vergunning had moeten worden geweigerd. Volgens het college bevat het bestreden besluit bovendien voldoende voorschriften die zien op de hygiëne binnen de inrichting om te stellen dat in het kader van de Wet milieubeheer voldoende maatregelen zijn getroffen om besmettingsgevaar te voorkomen.

2.7.2. Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanig gevaar voor de verspreiding van de mrsa bacterie voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant A] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte in het bestreden besluit niet heeft vastgelegd dat de oude geluidvoorschriften in hoofdstuk 4 van de vigerende vergunning niet meer van toepassing zijn en dat de nieuwe geluidvoorschriften in hoofdstuk 3 op de gehele inrichting van toepassing zijn. Zij stellen dat het daardoor onduidelijk is welke geluidvoorschriften op de met het bestreden besluit vergunde veranderingen van toepassing zijn.

2.8.1. Het college voert aan dat in het beoordelingsverslag expliciet bepaald is dat de oude geluidvoorschriften uit hoofdstuk 4 van de oude vergunning zijn vervallen en door de nieuwe geluidvoorschriften uit hoofdstuk 3 van de nieuwe vergunning zijn vervangen. In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat het beoordelingsverslag deel uitmaakt van de vergunning. Daarnaast is in vergunningvoorschrift 1.1.1 omschreven welke voorschriften van de onderliggende vergunning ook op de veranderingen van toepassing blijven.

2.8.2. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er geen onduidelijkheid bestaat over de op de inrichting van toepassing zijnde geluidvoorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant A] en anderen voeren aan dat vanwege de overschrijding van de richtwaarde voor geluidhinder van 40 dB(A), voornamelijk veroorzaakt door het gebruik van een vacuümpomp bij het oppompen van mest, een andere soort pomp had moeten worden voorgeschreven. Volgens hen kan onder deze omstandigheden een zogenoemde verdringerpomp als de best beschikbare techniek worden aangemerkt.

2.9.1. Het college voert aan dat het gebruiken van een mestwagen met vacuümpomp voor het oppompen en uitrijden van mest niet als een verandering ten opzichte van de oude vergunning kan worden aangemerkt. De door de uitbreiding van de inrichting geproduceerde extra mest wordt met tankwagens door derden opgehaald, maar in de afvoer van de mest die de vergunninghouder zelf over zijn landerijen uitrijdt komt geen verandering. Het bestreden besluit heeft volgens het college dan ook geen betrekking op het al eerder vergunde gebruik van een mestwagen met vacuümpomp door de drijver van de inrichting zelf. Bovendien kan volgens het college een mestwagen met vacuümpomp worden aangemerkt als een beste beschikbare techniek.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat de wijze van het oppompen en uitrijden van mest niet afwijkt van de situatie onder de vigerende vergunning. Er is ook geen verandering van deze bestaande situatie aangevraagd. Gelet hierop faalt deze beroepsgrond.

2.10. [appellant A] en anderen voeren aan dat het niet zonder meer duidelijk is wanneer er sprake is van het afvoeren van een grote hoeveelheid mest die als incidentele bedrijfsactiviteit kan worden beschouwd. Er worden immers ook kleine hoeveelheden mest afgevoerd en over het land uitgereden. Dit maakt het volgens hen onduidelijk wanneer aan welke normstelling moet worden voldaan.

2.10.1. Het college stelt dat het afvoeren van grote hoeveelheden mest door een loonwerker met een tankwagen gebeurt en dat kleine hoeveelheden mest door de drijver van de inrichting zelf met een tractor worden afgevoerd. Volgens het college is daarmee voldoende duidelijk welke normstelling op welke activiteit van toepassing is.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat uit het bestreden besluit voldoende duidelijk blijkt onder welke omstandigheden er gesproken moet worden van een incidentele bedrijfssituatie waarbij grote hoeveelheden mest worden afgevoerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant A] en anderen voeren aan dat het gebruik van de stillere axiaalventilatoren de voorkeur heeft boven het gebruik van de toegepaste centrifugaalventilatoren.

2.11.1. Het college stelt dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport blijkt dat de vergunde ventilatoren geen overschrijding van de geluidnormen veroorzaken.

2.11.2. Vergunninghouder heeft de centrifugaalventilatoren aangevraagd en uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport blijkt dat daarmee aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in deze situatie niet nodig was een ander type ventilator voor te schrijven. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant A] en anderen voeren aan te vrezen voor een hogere geluidbelasting dan berekend in het akoestisch rapport. Volgens hen kan er hierdoor mogelijk niet voldaan worden aan de gestelde geluidnormen.

Zij stellen dat geen rekening is gehouden met het schreeuwen van varkens en mensen bij het verladen, met een straffactor voor tonaal geluid bij het omhoog tillen van de lift bij het laden van varkens, en met een pomp op het terrein van de inrichting die in droge perioden ook in de avond en nacht gebruikt wordt om de landerijen van water te voorzien terwijl de aanname in het akoestisch rapport dat de ventilatoren nooit op vol vermogen zouden draaien niet wordt onderbouwd.

2.12.1. Het college stelt dat in het akoestisch rapport rekening is gehouden met het geschreeuw van varkens bij het laden en lossen. Het geschreeuw van mensen komt slechts enkele momenten voor en valt bovendien weg tegen het geluid van de varkens. Het geluid van de laadlift komt slechts kort voor en valt volgens het college weg tegen de overige geluiden van het laden en lossen. Het gebruik van een beregeningspomp is niet aangevraagd en dus ook niet vergund. Het college stelt verder dat uit de bij de aanvraag gevoegde ventilatiecapaciteitsberekening blijkt dat de ventilatoren op een warme zomerdag op ten hoogste 83% van de maximale capaciteit zullen draaien. Er bestaat volgens het college geen aanleiding om aan te nemen dat de ventilatoren op een hoger vermogen zullen draaien, zodat er ook geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat daardoor de geluidnormen zullen worden overschreden.

2.12.2. De Afdeling stelt vast dat uit het akoestisch rapport blijkt dat in tegenstelling tot wat [appellant A] en anderen hierover stellen, rekening is gehouden met het geschreeuw van varkens bij het laden en lossen. De stelling van het college dat het geschreeuw van mensen ten opzichte van het geschreeuw van de varkens verwaarloosbaar is komt aannemelijk voor.

De door het college gehanteerde Handreiking industrielawaai en vergunningverlening beveelt bij geluid met een tonaal karakter aan een toeslag van 5 dB(A) toe te passen voor dat deel van de beoordelingsperiode waarin sprake is van tonaal geluid. Als criterium geldt dat het geluid duidelijk hoorbaar moet zijn op het desbetreffende beoordelingspunt. Het is reeds op grond van de afstand niet aannemelijk dat eventueel door de laadlift van de vrachtwagens veroorzaakt tonaal geluid als zodanig herkenbaar zal zijn bij woningen van derden. Voor zo'n situatie hoeft geen straffactor te worden gehanteerd.

Het gebruik van een beregeningspomp is niet aangevraagd en dus ook niet vergund. In zoverre heeft de beroepsgrond derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

Gelet op de bij de aanvraag gevoegde ventilatiecapaciteits-berekening acht de Afdeling het niet onaannemelijk dat de ventilatoren op een warme zomerdag op ten hoogste 83% van de maximale capaciteit zullen draaien. Ook de stelling van het college dat de overcapaciteit van de ventilatoren bevorderlijk is voor de efficiëntie en levensduur van de ventilatoren komt niet onaannemelijk voor.

Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen grond om aan te nemen dat in het akoestisch rapport relevante geluidbronnen buiten beschouwing zijn gelaten. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering onmogelijk maken. Deze beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant A] en anderen voeren aan dat er ten onrechte geen controlevoorschriften in de zin van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de vergunning zijn opgenomen waardoor kan worden aangetoond of bij een representatieve bedrijfssituatie aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan.

2.13.1. Het college stelt dat ten aanzien van geluid niet alleen doelvoorschriften, maar ook middelvoorschriften in de vergunning zijn opgenomen. Uit het bij de aanvraag gevoegde en van de vergunning deel uitmakend akoestische rapport blijkt dat aan de gestelde geluidvoorschriften kan worden voldaan. Volgens het college is daarom het opleggen van controlevoorschriften overbodig en onnodig bezwarend.

2.13.2. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het vierde lid is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.13.3. Vaststaat dat de in de vergunning opgenomen geluidvoorschriften doelvoorschriften zijn in de zin van artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Hierbij bestaat geen ruimte voor een afweging door het bevoegd gezag.

De omstandigheid dat uit de berekeningen in het akoestisch onderzoek blijkt dat aan de geluidvoorschriften wordt voldaan en dat ook een aantal middelvoorschriften aan de vergunning zijn verbonden, maakt een controlevoorschrift niet overbodig, aangezien een controleverplichting een ander doel heeft, namelijk controleren of de aangevraagde inrichting, waarbij sprake is van een uitbreiding ten opzichte van de bestaande situatie, wanneer zij eenmaal in bedrijf is genomen daadwerkelijk aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen. Deze beroepsgrond treft doel.

2.14. Het beroep is, voor zover ingediend door [appellant B] niet-ontvankelijk. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daaraan ten aanzien van de geluidvoorschriften geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is verbonden. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.15. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingediend door [appellant B];

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 18 februari 2008, kenmerk MA2006.020, voor zover daaraan ten aanzien van de geluidvoorschriften, geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is verbonden;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij [appellant A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 695,94 (zegge:zeshonderdvijfennegentig euro vierennegentig), voor een gedeelte groot€ 644,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bergeijk aan [appellant A] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de gemeente Bereijk aan [appellant A] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll               w.g. Klap

voorzitter             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

315.