Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200804113/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2006 hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (hierna: het college) een verklaring van geen bezwaar te verlenen voor de bouw van een ruimte-voor-ruimte-woning tussen Groenstraat 4a en 6a te Sprundel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804113/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Rucphen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 april 2008 in zaken nrs. 07/1529 en 07/1631 in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Rucphen,

2. [appellant sub 2],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2006 hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (hierna: het college) een verklaring van geen bezwaar te verlenen voor de bouw van een ruimte-voor-ruimte-woning tussen Groenstraat 4a en 6a te Sprundel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 april 2007 hebben gedeputeerde staten de door het college en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 7 november 2006 herroepen maar opnieuw geweigerd de gevraagde verklaring van geen bezwaar te verlenen.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 28 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 2] en het college daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 25 juni 2008. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 7 juli 2008.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Haan, advocaat te Breda, en bijgestaan door ing. R. Stremme en ing. K.M. Sukel, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch gebied (Ag)". De door [appellant sub 2] gewenste bouw van een burgerwoning is daarmee in strijd. Het college is bereid voor het bouwplan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.

Gedeputeerde staten hebben aan het besluit van 3 april 2007 ten grondslag gelegd dat het perceel niet ligt in een bebouwingscluster in de zin van het streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan) en dat de bouw van de woning niet binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente past, zodat niet wordt voldaan aan twee van de veertien van de in het streekplan neergelegde voorwaarden van de ruimte-voor-ruimte (hierna: RvR)-regeling waarmee vrijstelling kan worden verleend voor de bouw van een burgerwoning in het buitengebied.

2.2. In het streekplan is als vierde voorwaarde voor het toepassen van de RvR-regeling opgenomen dat de bouw van de woning uitsluitend binnen de bebouwde kom mag plaatsvinden dan wel binnen een kernrandzone of een bebouwingscluster en bovendien zoveel mogelijk dient aan te sluiten op de bestaande bebouwing.

Als vijfde voorwaarde is opgenomen dat de bouw van de woning binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente dient te passen.

Volgens het streekplan dient onder "bebouwingscluster" te worden verstaan: een vlakvormige verzameling van gebouwen in het buitengebied.

2.3. Blijkens het besluit van 3 april 2007 hebben gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de vierde voorwaarde van de RvR-regeling, omdat het perceel buiten de grens van het bebouwingscluster "Groenstraat" ligt. Ter bepaling van de begrenzing van dit bebouwingscluster hebben gedeputeerde staten aangesloten bij de feitelijke situatie ter plaatse. De grens van het bebouwingscluster "Groenstraat" aan de kant van die straat waar het perceel is gelegen, wordt gevormd door de kavel van huisnummer 4a en aan de overkant van de Groenstraat door het kavel van huisnummer 7, omdat op beide plaatsen weilanden grenzen aan de tuinen en/of erven, aldus gedeputeerde staten.

2.4. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat met het bouwplan wel wordt voldaan aan de vierde voorwaarde van de RvR-regeling. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat het perceel binnen het bebouwingscluster "Groenstraat" ligt. Volgens de provinciale beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling" van 20 juli 2004 mogen gemeenten de bebouwingsconcentraties, waaronder ook bebouwingsclusters vallen, vaststellen en begrenzen. Voor het bebouwingscluster "Groenstraat" heeft het college dat gedaan door dit cluster op te nemen op de van het bestemmingsplan deel uitmakende plankaart 2, Ontwikkelingen, aldus het college en [appellant sub 2]. Aangezien gedeputeerde staten in het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan van 22 juni 1999 geen goedkeuring hebben onthouden aan deze kaart, is aldus de op de plankaart 2, Ontwikkelingen weergegeven begrenzing van het bebouwingscluster "Groenstraat" goedgekeurd, zo betogen het college en [appellant sub 2].

Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat de voorziene woning zoveel mogelijk aansluit op de bestaande bebouwing.

2.4.1. Het college en [appellant sub 2] betogen in dit verband tevens , maar tevergeefs, dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel heeft gebaseerd op de zogenoemde Voormalige Agrarische Bedrijfsbebouwing-kaart (hierna: de VAB-kaart), terwijl een dergelijke kaart, naar zij stellen, niet bestaat. Uit de pleitaantekeningen van gedeputeerde staten ter zitting van de rechtbank valt af te leiden dat zij de van het bestemmingsplan deel uitmakende kaart 2, Ontwikkelingen aldaar hebben aangeduid als de "kaart voor VAB-beleid". De rechtbank heeft derhalve met de aanduiding "VAB-kaart" plankaart 2, Ontwikkelingen bedoeld.

2.4.2. Het betoog dat uit plankaart 2, Ontwikkelingen, volgt dat het perceel binnen een bebouwingscluster in de zin van het streekplan is gelegen, faalt evenzeer. Het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan dateert van 22 juni 1999, derhalve van vóór voormelde beleidsnota, zodat plankaart 2, Ontwikkelingen niet de invulling kon vormen van de in de nota gegeven mogelijkheid om bebouwingsclusters vast te stellen.

Voorts maakt de plankaart 2, Ontwikkelingen, deel uit van een in het bestemmingsplan vervatte regeling voor functiewijziging van voormalige agrarische bedrijven en strekt deze niet tot het bepalen van de grenzen van bebouwingsclusters als bedoeld in het door provinciale staten in het streekplan weergegeven beleid. Ook in verband daarmee kan de op die kaart weergegeven begrenzing niet worden aangemerkt als de begrenzing van bebouwingsclusters in de zin van het streekplan. Ten aanzien van het bebouwingscluster "Groenstraat" wordt daarbij mede in aanmerking genomen dat de op de plankaart 2, Ontwikkelingen, weergegeven begrenzing dwars door akkers en weilanden loopt en niet aansluit op de ter plaatse bestaande bebouwing.

Verder is bij besluit van 22 juni 1999 goedkeuring onthouden aan de planvoorschriften die invulling geven aan de aanduidingen op de plankaart 2, Ontwikkelingen, zodat aan deze kaart geen betekenis meer toekomt. Dat bij dat besluit aan de plankaart 2, Ontwikkelingen, geen goedkeuring is onthouden, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu in het bestemmingsplan overigens geen andere voorschriften zijn vervat die aan de aanduidingen op deze kaart invulling geven.

Gelet op al het vorenoverwogene, kan het beroep op plankaart 2, Ontwikkelingen, niet slagen.

2.4.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat gedeputeerde staten zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat de beoogde woning niet binnen een bebouwingscluster in de zin van het streekplan ligt, zodat reeds hierom niet is voldaan aan de vierde voorwaarde van de RvR-regeling. Gelet hierop, behoeft het betoog van het college en [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat de woning aansluit op de bestaande bebouwing geen bespreking meer, evenmin als hun betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voldoet aan de vijfde voorwaarde van de RvR-regeling.

2.5. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. Daartoe voert hij aan dat gedeputeerde staten vrijstelling willen verlenen dan wel hebben verleend voor de bouw van RvR-woningen aan de Groenstraat 2, Bosheidestraat 3, De Heiningen te Schijf, Onze Lieve Vrouwestraat te Zegge, Bernhardstraat te Willebrord en Roosendaalsebaan 5 te Schijf, welke woningen alle, evenals de door hem gewenste woning, aan de kopse zijde van een bebouwingscluster zijn gelegen.

2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat met het besluit van 3 april 2007 het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Weliswaar vertonen enkele van de door [appellant sub 2] genoemde gevallen, wat de ligging betreft, op zichzelf bezien wel enige gelijkenis met de voorliggende situatie, maar of een woning binnen een bebouwingscluster in de zin van het streekplan ligt, wordt, zoals gedeputeerde staten ter zitting hebben toegelicht, mede bepaald door de ligging van het desbetreffende perceel in een groter gebied, de ruimtelijke structuur van dat gebied en de voor dat gebied op dat moment te voorziene planologische ontwikkelingen. Gedeputeerde staten hebben genoegzaam aannemelijk gemaakt dat in de door [appellant sub 2] genoemde gevallen ten aanzien van deze aspecten geen gelijkheid met het voorliggende geval bestaat.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de gemeente Rucphen griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

357-476.