Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200803994/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (hierna: het college) aan [appellante sub 2] vrijstelling verleend voor het stallen van maximaal dertig vrachtwagen(combinaties) en/of maximaal dertig personenauto's van de vrachtwagenchauffeurs op het achterste gedeelte van het bedrijventerrein van [appellante sub 2] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803994/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 april 2008 in zaak

nr. 07/756 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (hierna: het college) aan [appellante sub 2] vrijstelling verleend voor het stallen van maximaal dertig vrachtwagen(combinaties) en/of maximaal dertig personenauto's van de vrachtwagenchauffeurs op het achterste gedeelte van het bedrijventerrein van [appellante sub 2] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 21 april 2008, verzonden op 24 april 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 17 juli 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door P.J.C. Planje en C.C.N. Ernes, ambtenaren in dienst van de gemeente, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.J.A. Ewalds, advocaat te Roermond, en [directeur] van deze onderneming, en [wederpartij], bijgestaan door mr. D. Schilstra, rechtsbijstandverlener, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk zal voortduren.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200407942/1&verdict_id=11130&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200407942/1&utm_term=200407942/1">200407942/1</a>), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor maximaal vijf jaar is verleend, op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Teneinde het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk.

2.3. De vrijstelling is verleend ten behoeve van het stallen van maximaal 25 vrachtwagens en personenauto's van het [Transport- en Expeditiebedrijf] dat het achterste deel van het perceel huurt van [appellante sub 2]. Voorts ziet de vrijstelling op het incidenteel stallen van vijf vrachtwagens die elders binnen de gemeente Roerdalen niet kunnen worden geparkeerd.

2.4. Het college en [appellante sub 2] betogen, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat het stallen van vrachtwagens en personenauto's op het perceel een tijdelijk karakter heeft. Het college verwijst daartoe naar hetgeen omtrent het zekerstellen van de tijdelijkheid in het besluit van 27 maart 2007 is overwogen.

2.4.1. In dat besluit is ter motivering van het tijdelijk karakter van het bij de vrijstelling toegelaten gebruik van het perceel verwezen naar de notariële akte van levering van 7 mei 2007 (hierna: de notariële akte) en het in procedure gebracht wijzigingsplan bestemmingsplan Buitengebied wijziging "[locatie]" (hierna: het wijzigingsplan).

Uit de notariële akte blijkt dat het perceel door [appellante sub 2] verkocht is aan de gemeente Roerdalen, die het perceel tegelijkertijd heeft doorverkocht aan Habitura B.V. te Oirschot dat het gebied als natuurgebied zal gaan beheren. Voorts blijkt uit die akte dat Habitura B.V. het perceel tot 7 mei 2012 in vruchtgebruik heeft gegeven aan [appellante sub 2].

Ook beschikt het college over een schriftelijke verklaring van de huurder van het perceel, [Transport- en Expeditiebedrijf], waaruit blijkt dat zij per 1 maart 2012 de beschikking krijgt over een ruimte in de gemeente Roermond ten behoeve van het stallen van haar vrachtwagens. Omtrent de overige vijf vrachtwagens heeft het college ter zitting van de Afdeling uiteengezet dat na de gemeentelijke herindeling ten behoeve van die vrachtwagens elders in de gemeente parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Overigens heeft het college opgemerkt dat thans feitelijk geen gebruikt wordt gemaakt van het perceel ten behoeve van die vrachtwagens.

In het wijzigingsplan is vermeld dat de bestemming van het perceel "Niet agrarische bedrijven" met de aanduiding "Hb" wordt gewijzigd in de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden". In de toelichting bij dit plan is vermeld dat na het verstrijken van de geldingsduur van de in geding zijnde vrijstelling ten behoeve van het stallen van vrachtwagens, het perceel overeenkomstig laatstgenoemde bestemming zal worden gebruikt. Dit wijzigingsplan is inmiddels vastgesteld door het college en bij besluit van 12 februari 2008 goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Ingevolge artikel C van het wijzigingsplan zijn op het wijzigingsplan de voorschriften deeluitmakende van het "Bestemmingsplan Buitengebied" (hierna: het moederplan) van toepassing.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, onder a, van het moederplan mag het gebruik van de grond en/of opstallen, dat strijdig is met het plan maar reeds bestond op het tijdstip waarop het plan van kracht werd, worden gehandhaafd.

Het moederplan is op 2 oktober 2002 van kracht geworden. De peildatum voor de toepassing van het overgangsrecht is dus 2 oktober 2002. Met de inwerkingtreding van het wijzigingsplan is de peildatum van de overgangsbepalingen niet gewijzigd, zodat voortzetting van het tijdelijk gebruik van het perceel niet wordt gedekt door het gebruiksovergangsrecht. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het stallen van vrachtwagens en personenauto's na het verlopen van de vrijstelling op grond van voormeld overgangsrecht kan worden voortgezet.

Voormelde omstandigheden tezamen genomen en bezien in onderlinge samenhang leiden tot het oordeel dat voldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat het perceel niet langer dan vijf jaar ten behoeve van het stallen van vrachtwagens en personenauto's in gebruik zal zijn. Uit het voorgaande volgt dat het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bevoegd was met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WRO, vrijstelling te verlenen.

2.5. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Afdeling zal alsnog de door [wederpartij] aangevoerde doch door de rechtbank niet besproken beroepsgronden beoordelen. De rechtbank is daaraan niet toegekomen.

2.6. [wederpartij] betoogt dat het perceel te klein is voor het stallen van 30 vrachtwagens. Hij vreest dat de vrachtwagens buiten het perceel zullen worden geparkeerd.

2.6.1. Dit betoog faalt. Blijkens het besluit van 27 maart 2007 is vrijstelling verleend voor het stallen van ten hoogste 30 vrachtwagens en personenauto's op het perceel. Het college heeft ter zitting van de Afdeling uiteengezet dat de vrachtwagens nooit tegelijk op het perceel aanwezig zijn. Bovendien zijn het [Transport- en Expeditiebedrijf] en [appellante sub 2] overeengekomen in de huurovereenkomst dat alleen het in het besluit voldoende nauwkeurig omschreven achterste deel van het perceel mag worden gebruikt voor het stallen van vrachtwagens. Er is geen grond voor het oordeel dat op voorhand vast staat dat het gebruik door eerstgenoemd bedrijf de grenzen van de verleende vrijstelling te buiten zal gaan.

2.7. [wederpartij] betoogt dat het college gelet op de betrokken belangen niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.7.1. Hij voert daartoe allereerst aan dat het college bij de verlening van de vrijstelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de aantasting van de natuurlijke waarden die het parkeren van vrachtwagens op het perceel met zich zal brengen.

2.7.2. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet mocht aannemen dat het tijdelijk vrijgestelde gebruik van het perceel geen ernstige aantasting zal vormen voor de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. In dat verband is van belang dat op het perceel de bestemming "Niet agrarische bedrijven" rust. Op grond van deze bestemming mogen niet-agrarische bedrijfsactiviteiten plaatsvinden op het perceel en mogen ten behoeve van het aldaar aanwezige bedrijf vrachtwagens worden geparkeerd, zodat de vrijstelling in dit opzicht slechts tot een geringe verandering zal leiden. In zoverre faalt het betoog.

2.7.3. Ook het betoog van [wederpartij] dat de vrijstelling onaanvaardbare geluidshinder zal meebrengen, treft geen doel. Van Lierop Milieutechniek heeft onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van onder meer het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens. In het daarop gebaseerde rapport van 3 augustus 2006 wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen, waaronder de woning van [wederpartij], geen overschrijding zal plaatsvinden van de hier van toepassing zijnde geluidsnormen. Het college heeft in het vrijstellingsbesluit de conclusies van dit rapport betrokken. Dit rapport biedt een deugdelijke grondslag voor het oordeel dat de vrijstelling geen overschrijding van de van toepassing zijnde geluidsnormen met zich zal brengen. Het door [wederpartij] overgelegde advies van 17 januari 2008 van Technisch bureau van Eeden biedt geen grond voor de stelling dat die geluidsnormen wel worden overschreden. In dat verband is van belang dat het college zich onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat de metingen die ten grondslag liggen aan het advies van 17 januari 2008 zijn verricht onder weersomstandigheden met zeer hoge luchtvochtigheid (zeer dichte mist) en lage temperaturen die niet voldoen aan de voorschriften van het meteoraam van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999.

2.7.4. Voorts betoogt [wederpartij] dat ten gevolge van het parkeren van vrachtwagens zijn woongenot ernstig wordt aangetast.

Ook dat betoog slaagt niet. In hetgeen [wederpartij] daartoe heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stallen van de vrachtwagen(combinaties) op het perceel voor [wederpartij] niet zodanige nadelige gevolgen zal hebben voor zijn woongenot dat het college de gevraagde vrijstelling in verband daarmee had moeten weigeren. Hierbij is in aanmerking genomen dat de afstand van de woning van [wederpartij] tot de inrit van het bedrijventerrein van [appellante sub 2] ongeveer 70 m bedraagt en tussen de woning en deze inrit een dennenbosje is gelegen. De afstand van de woning tot het betrokken perceelsgedeelte bedraagt aanzienlijk meer dan 70 meter. Het stationair draaien van de vrachtwagens vindt dan ook plaats op een afstand van 160 meter van de woning van [wederpartij]. Daarnaast is van belang dat in het besluit van 27 maart 2007 de voorwaarde is opgenomen dat het gebruiksreglement, vastgelegd in een brief van [appellante sub 2] aan het transportbedrijf van 19 maart 2007, moet worden nageleefd. In dit reglement en een aanvulling hierop is onder meer bepaald dat op het bedrijventerrein geen (onderhouds)werkzaamheden mogen worden verricht, dat slechts stapvoets over het perceel mag worden gereden en dat in beginsel geen verkeersbewegingen mogen plaatsvinden tussen 23.00 uur en 06.00 uur, behoudens de nacht van zondag op maandag. Deze regels brengen een beperking in het gebruik van het perceel met zich. De vraag of deze voorwaarde feitelijk wordt nageleefd, is in deze procedure niet aan de orde.

Ten aanzien van de door [wederpartij] aangevoerde overlast door stofontwikkeling heeft het college zich op het standpunt gesteld dat slechts bij wind vanuit het noordwesten in combinatie met zeer droge perioden, sprake zal zijn van overlast voor [wederpartij] door het opwaaien van stof door rijdende vrachtwagens op het perceel. Dit is door [wederpartij] niet weersproken. Volgens het college gaat een noordwestenwind meestal gepaard met neerslag. Het college heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat zodanige stofhinder valt te verwachten dat het college in verband daarmee de vrijstelling niet mocht verlenen. Daarbij is in aanmerking genomen dat op grond van het gebruiksreglement slechts stapvoets over het perceel mag worden gereden.

2.7.5. [wederpartij] heeft voorts wel gesteld maar in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat de vrijstelling leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de inrit.

2.7.6. Wat de door [wederpartij] gestelde waardevermindering van zijn woning betreft heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij], indien hij meent schade te lijden als gevolg van de planologische ontwikkeling, op grond van artikel 49 van de WRO in een afzonderlijke procedure om planschadevergoeding kan vragen. Daarover kan in deze procedure geen uitspraak worden gedaan.

2.7.7. Uit het vorenstaande volgt dat het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.8. Hetgeen [wederpartij] ten aanzien van het stallen van containers betoogt, valt buiten het kader van deze procedure, die slechts het besluit tot verlening van vrijstelling voor vrachtwagens en personenauto's betreft, en kan derhalve thans niet aan de orde komen.

2.9. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 27 maart 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 april 2008 in zaak nr. 07/756;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

430.