Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200803797/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2008, nr. 1054660, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Cranendonck (hierna: de raad) bij besluit van 23 november 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Maarheeze".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803797/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2008, nr. 1054660, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Cranendonck (hierna: de raad) bij besluit van 23 november 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Maarheeze".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, is verschenen.

Voorts is ter zitting J.F.M. Thijssen, vertegenwoordigd door mr. I.J.M.M. Roorda, advocaat te Vught, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft hoofdzakelijk een conserverend karakter. Verder voorziet het in een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden ten aanzien van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

2.3. [appellant], die woont aan de [locatie], voert ten eerste aan dat het college ten onrechte stelt dat de percelen aan de [locaties] in een gebied liggen met een stedelijk karakter, omdat die duiding geen deugdelijke basis vindt in de feitelijke situatie.

Voorts stelt [appellant] dat vanwege de bestaande bebouwing bijna tot op de perceelgrens mag worden gebouwd met een goothoogte van 7 meter en een nokhoogte van 12 meter, waardoor er een onaanvaardbare beperking van daglichttoetreding en aantasting van het woongenot zal ontstaan. Hieraan gaat het college volgens [appellant] ten onrechte voorbij.

Tot slot stelt [appellant] dat er massale bebouwing kan ontstaan omdat direct achter de hoofdbebouwing aan- en uitbouwen kunnen worden gerealiseerd met een goothoogte van 3 en een nokhoogte van 4,5 meter die tot op de zijdelingse perceelgrens mogen worden gebouwd. [appellant] stelt dat dit gegeven de planologische situatie van zijn perceel zal verslechteren.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat, mede gelet op het stedelijke karakter van de omgeving, een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale nokhoogte van 12 meter geen onevenredige beperking van de daglichttoetreding en aantasting van het woongenot betekent.

Voorts stelt het college ten aanzien van de verslechtering van de planologische situatie van het perceel van [appellant] dat er inderdaad verslechtering kan plaatsvinden. Het college acht de inbreuk op het woongenot van [appellant] echter niet dermate ernstig, dat de in het plan opgenomen bebouwingsregeling niet kan worden goedgekeurd wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins strijd met het recht.

2.5. Het plan voorziet voor het perceel [locaties] in de bestemming "Gemengde doeleinden 2".

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder a en 2, van de planvoorschriften in samenhang met de plankaart bestaat de bebouwingstypologie ter plaatse uit hoofdgebouwen in de vorm van een half open bebouwing.

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder b en c, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Voorts mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder e en f, van de planvoorschriften mogen de goot- en nokhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Op de plankaart staan voor het bestreden plandeel een goot- en nokhoogte vermeld van onderscheidenlijk 7 en 12 meter.

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder g en 2, van de planvoorschriften mag de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen voor hoofdgebouwen in de vorm van half open bebouwing aan één zijde niet minder dan 3 meter bedragen, met dien verstande dat, indien de afstand in de bestaande situatie minder dan 3 meter bedraagt, deze afstand als minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt.

Ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder j en k, van de planvoorschriften mogen de goot- en nokhoogte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer bedragen dan onderscheidenlijk 3 en 4,5 meter.

Ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder e tot en met h, van de planvoorschriften mag het bebouwingspercentage van het gedeelte van de gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw maximaal 50% bedragen, waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 70 m².

Voor zover de oppervlakte van de strook grond achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 200 m² mag de zojuist genoemde 70 m² worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot in totaal maximaal 100 m².

2.5.1. Gelet op de ligging van het plangebied in het centrum van Maarheeze en de situering van de bestaande bebouwing aan de Stationsstraat, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebied waartoe het plandeel behoort een stedelijk karakter heeft.

2.5.2. Mede gelet op het stedelijk karakter van het gebied heeft het college zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale nokhoogte van 12 meter in het op de plankaart aangeduide bouwvlak voor hoofdgebouwen, waarvan de diepte ongeveer 10 meter bedraagt, geen onevenredige beperking van daglichttoetreding en aantasting van woongenot voor [appellant] met zich brengt. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat voor het perceel van [appellant] dezelfde bebouwingsregeling van toepassing is en het bouwvlak voor dat perceel ongeveer 3 meter verspringt ten opzichte van het bouwvlak voor het perceel [locaties].

2.5.3. Niet ontkend kan worden dat de hiervoor in 2.5. genoemde regeling toelaat dat direct achter de hoofdbebouwing aan de Stationsstraat 19-21 tot op de zijdelingse perceelgrens aan- en uitbouwen kunnen worden gerealiseerd met een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 4,5 meter, maar [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van deze regeling de planologische situatie op het perceel [locatie] aanmerkelijk verslechtert. Daarbij wordt overwogen dat de in deze regeling neergelegde maatvoering niet ongebruikelijk is in een gebied met een stedelijk karakter.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

12-605.