Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200804226/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 2 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) verzoeken van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804226/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2008 in zaak nr. 07/2075 in het geding tussen:

[wederpartijen], beiden wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 2 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) verzoeken van [wederpartijen] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2007 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 november 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 200804235/1 ter zitting behandeld op 27 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door H. Lammertsen en mr. H. Hams, beiden werkzaam bij de gemeente Dalfsen, bijgestaan door mr. T.A.P. Langhout, adviseur, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college van burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [wederpartijen] hebben het college verzocht om vergoeding van de planschade die zij stellen te lijden vanwege het van kracht worden van het bestemmingsplan "Gerner Marke". Het college heeft de verzoeken overeenkomstig een advies van Adviesbureau Langhout & Wiarda afgewezen omdat de bouw van woningen in het gebied Gerner Marke ten tijde van de aankoop van hun woningen reeds voorzienbaar was.

2.4. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de bouw van woningen in het gebied Gerner Marke ten tijde van de aankoop van hun woningen door [wederpartijen] voorzienbaar was, omdat de voornemens in een structuurplan uit 1981 omtrent woningbouw in het gebied Gerner Marke zijn verlaten in een voorontwerp van een structuurplan uit 2000 en in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college in het kader van de planologische vergelijking onvoldoende heeft gemotiveerd dat op grond van het oude bestemmingsplan in het gebied Gerner Marke buiten het bouwperceel sleufsilo's in de vorm van deels ommuurde ruimten konden worden opgericht.

2.5. Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bouw van woningen in het gebied Gerner Marke niet voorzienbaar was voor [wederpartijen] ten tijde van de aankoop van hun woningen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij hun woningen voor de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" in 1998 hebben gekocht. Voorts was het voornemen tot woningbouw in het gebied Gerner Marke door middel van een aanduiding op de plankaart opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998. Ten slotte is in het door de raad vastgestelde structuurplan uit 2000 dat voornemen in afwijking van het voorontwerp wel opgenomen.

2.5.1. Of sprake is van voorzienbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt.

Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

Op de kaart van het op 8 december 1981 en op 28 januari 1982 gepubliceerde structuurplan voor de gemeente Dalfsen is het gebied Gerner Marke met een ster aangeduid als 'mogelijke uitbreiding woongebied (nader te bepalen)'. In het op 12 oktober 1995 ter inzage gelegde voorontwerp-bestemmingsplan "Buitengebied" is het gebied Gerner Marke op kaart Dsn 10-3 aangeduid als 'nieuwvestiging uitgesloten'. In de toelichting bij dit plan is vermeld dat bij een aantal kernen, waaronder Dalfsen, woon- en werkgebieden zullen worden ontwikkeld, welke worden aangeduid met 'nieuwvestiging uitgesloten'.

Het op 10 december 1997 ter inzage gelegde voorontwerp-structuurplan voor Dalfsen, Hoonhorst en Oudleusen bevat geen aanwijzingen voor de ontwikkeling van een woon- of werkgebied in het gebied Gerner Marke.

In het op 19 februari 1998 ter inzage gelegde ontwerp en in het op 28 september 1998 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" is het gebied Gerner Marke op kaart Dsn 10-3 aangeduid als 'nieuwvestiging uitgesloten'. De toelichting bij dit plan bevat dezelfde passage als het voorontwerp van dat plan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het voornemen tot woningbouw in het gebied Gerner Marke in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998 niet verlaten.

Uit het vorenstaande volgt dat in de periode van 28 januari 1982 tot 10 december 1997 rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat in het gebied Gerner Marke een woongebied zou worden ontwikkeld. Daargelaten of het voorontwerp-structuurplan voor Dalfsen, Hoonhorst en Oudleusen aan deze voorzienbaarheid een einde maakte, diende vanaf 19 februari 1998 (opnieuw) met die mogelijkheid rekening te worden gehouden. [wederpartij B] heeft zijn woning in juli 1997 en [wederpartij A] heeft zijn woning op 3 december 1998 gekocht. Dit betekent dat zij ten tijde van de aankoop van hun woningen rekening dienden te houden met de mogelijkheid dat in het gebied Gerner Marke een woongebied zou worden ontwikkeld en dat zij geacht moeten worden het risico daarop te hebben aanvaard.

De conclusie is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat ten tijde van de aankoop van de woningen van [wederpartijen] de ontwikkeling van een woongebied in het gebied Gerner Marke voorzienbaar was.

Het betoog slaagt.

2.6. Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het oude bestemmingsplan sleufsilo's in de vorm van deels ommuurde ruimten konden worden opgericht in het gebied Gerner Marke.

2.6.1. De gronden in het gebied Gerner Marke waren in het bestemmingsplan "Buitengebied" bestemd voor "Agrarisch cultuurgebied". Ingevolge artikel 3, onderdeel B, aanhef en onder 5 van de voorschriften van dat plan, mogen op de gronden met deze bestemming buiten het bouwperceel andere bouwwerken met een hoogte van ten hoogste 2,50 meter worden opgericht. Niet in geschil is dat een sleufsilo in de vorm van een deels ommuurde ruimte een ander bouwwerk in de zin van artikel 1, onder e, van voormelde planvoorschriften is. Gelet hierop waren in het gebied Gerner Marke op grond van dit bestemmingsplan sleufsilo's in de vorm van deels ommuurde ruimten tot een hoogte van 2,50 meter mogelijk. Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2008 in zaak nr. 07/2075;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Rop

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

417.