Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
200804975/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan Lidl Nederland Gmbh (hierna: Lidl) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkelpand aan de Jorisstraat 30 tot en met 40 te Breda (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804975/1.

Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Lidl Nederland Gmbh, gevestigd te Huizen,

2. het college van burgemeester en wethouders van Breda,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 mei 2008 in zaak

nrs. 07/2639 en 32 andere nummers in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan Lidl Nederland Gmbh (hierna: Lidl) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkelpand aan de Jorisstraat 30 tot en met 40 te Breda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college het daartegen door [wederpartij] en 53 anderen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] en 32 anderen (hierna: [wederpartij] en anderen) ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Lidl bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar Lidl, vertegenwoordigd door R. Hoeben en ing. R. Blom, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, en [wederpartij] en anderen, vertegenwoordigd door mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de verbouwing van een deel van bestaande winkels, gelegen op de begane grond van de gebouwen Jorisstraat 18 tot en met 40 (hierna ook aangeduid als: de winkelstrip), tot een supermarkt met een oppervlakte van ongeveer 892 m2.

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Breda-Zuid" is het perceel bestemd tot "Gemengde doeleinden GD", met de nadere aanduiding "(I)".

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden op de begane grond bestemd voor publiek verzorgende (ambachtelijke) bedrijven, maatschappelijke-, religieuze-, (para)medische-, sociale-, culturele en woondoeleinden, en tevens voor detailhandel, met uitzondering van volumineuze detailhandel, kantoren met baliefunctie en dienstverlening en op de verdiepingen voor woondoeleinden.

Ingevolge lid I, onder 1, onderdeel e, van dat artikel mag de bedrijfsvloeroppervlakte per detailhandelsvestiging ten hoogste 400 m2 bedragen.

Ingevolge lid V van dat artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid I, onder 1, onderdeel e, onder de navolgende voorwaarden:

- op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd;

- er ontstaat geen onevenredige hinder voor omwonenden;

- er treedt geen verslechtering van betekenis op van de verkeerssituatie van alle verkeer op de Ginnekenweg;

- ingeval sprake is van vestiging van een detailhandelsvestiging groter dan 400 m2 zal de vrijstelling slechts worden verleend indien op de locatie Leistraat de detailhandelsactiviteiten ter plekke definitief zullen worden beëindigd;

- de vrijstelling is mogelijk, indien dit past binnen het gemeentelijk beleid ten aanzien van de detailhandelsstructuur of na gehouden distributieplanologisch onderzoek.

2.3. Lidl en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5, lid V, van de planvoorschriften wegens strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) onverbindend is, zodat het college geen vrijstelling mocht verlenen met toepassing van deze bepaling.

2.3.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200706716/1&verdict_id=24794&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200706716/1&utm_term=200706716/1">200706716/1</a>), is voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, slechts plaats indien een vrijstellingsbepaling een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid zonder enige beperking.

2.3.3. Artikel 5, lid V, van de planvoorschriften biedt niet de mogelijkheid om het perceel een bestemming te geven, die ingevolge de doeleindenomschrijving van dat artikel niet is toegestaan. De bij de vrijstellingsbepaling gegeven bevoegdheid is evenmin onbeperkt, nu aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan alvorens het college vrijstelling kan verlenen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat artikel 5, lid V, van de planvoorschriften buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de begrenzing van de vrijstellingsbevoegdheid in ieder geval in kwalitatieve zin onvoldoende objectief is.

Het betoog slaagt.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de in beroep door [wederpartij] en anderen ingediende beroepsgronden. De Afdeling zal deze gronden daarom alsnog beoordelen.

2.5. [wederpartij] en anderen hebben in beroep betoogd dat niet wordt voldaan aan het in artikel 5, lid V, van de planvoorschriften opgenomen criterium dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd.

2.5.1. Dit betoog faalt. Het college heeft de behoefte aan parkeerruimte berekend aan de hand van de Nota Parkeer- en stallingsbeleid Breda van 10 september 2004. Op grond daarvan bestaat zowel in de bestaande situatie als in de situatie na de verwezenlijking van het bouwplan per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak behoefte aan vier parkeerplaatsen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de parkeernormen van deze nota ter bepaling van de parkeerbehoefte niet mocht toepassen.

Anders dan [wederpartij] en anderen betogen, is door het bouwplan geen sprake van een toename van het bedrijfsvloeroppervlak dat wordt aangewend voor detailhandel. Voorts hebben [wederpartij] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan een grotere verkeersaantrekkende werking heeft dan de bedrijven die voorheen in de winkelstrip waren gevestigd. Er is derhalve geen sprake van een vergroting van de berekende parkeerbehoefte. Gelet hierop behoeft in dit geval geen parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd en is aan de desbetreffende voorwaarde voor toepassing van artikel 5, lid V, van de planvoorschriften voldaan.

2.6. [wederpartij] en anderen hebben in beroep voorts betoogd dat door het bouwplan onevenredige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Zij hebben gesteld dat als gevolg van de bevoorrading van de supermarkt en de toename van winkelend publiek een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

2.6.1. Dit betoog faalt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van wegen met een normale verkeersfunctie, die ook gebruikt en geschikt zijn voor vrachtverkeer. Voorts heeft het college de inrichting van een laad- en loszone voor de supermarkt een afdoende voorziening geacht om de hinder voor omwonenden te beperken. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat van onevenredige hinder voor omwonenden geen sprake is.

2.7. Het in beroep door [wederpartij] en anderen aangevoerde betoog dat een andere inrichting van de winkelstrip mogelijk is, die minder verkeersoverlast veroorzaakt, faalt eveneens. Het college diende te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hiervan is geen sprake.

2.8. Het in beroep door [wederpartij] en anderen aangevoerde betoog dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waardedaling van hun woningen als gevolg van de gewijzigde invulling van de winkelstrip, faalt ten slotte ook. Het college heeft terecht niet aannemelijk geacht dat de woningen van [wederpartij] en anderen als gevolg van de realisering van het bouwplan in waarde zullen dalen, nu ter plaatse eerder al een supermarkt was gevestigd.

2.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat ook hetgeen [wederpartij] en anderen in de niet door de rechtbank besproken beroepsgronden hebben aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het besluit op bezwaar is genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.10. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] en anderen tegen het besluit van 8 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.12. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door Lidl betaalde griffierecht door de gemeente Breda moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan Lidl wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 mei 2008 in zaak nrs. 07/2639 en 32 andere nummers;

III. verklaart het door [wederpartij] en 32 anderen bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan Lidl Nederland Gmbh het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

17-531.