Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH4013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200804020/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete opgelegd van € 12.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804020/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/298 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 april 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete opgelegd van € 12.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 18 december 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 april 2008, verzonden op 23 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft bij brief van 31 oktober 2008 nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.G. Oosthoek, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Blijkens een op ambtseed door een inspecteur van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 6 december 2005 (hierna: het boeterapport) en een daarbij gevoegd proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaren van de regiopolitie Brabant-Noord/Veghel (hierna: het proces-verbaal van bevindingen), zijn tijdens een door voormelde politieambtenaren verrichte controle op 12 september 2005 op de locatie [locatie 1] te [plaats], drie vreemdelingen van Poolse nationaliteit, [vreemdeling A], [vreemdeling B] en [vreemdeling C] (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen), aangetroffen, terwijl zij arbeid verrichtten bestaande uit het schilderen van een woning.

Blijkens de bij het boeterapport behorende verklaring van de bewoner van [locatie 1], [bewoner], heeft hij op of omstreeks 5 september 2005 twee of drie personen aangesproken die het huis op het adres [locatie 2] aan het schilderen waren, om te vragen of zij ook zijn huis wilden schilderen. [bewoner] heeft uit hetgeen deze personen hem hebben verteld, begrepen dat hij contact op moest nemen met hun baas. Desgevraagd - aldus [bewoner] - heeft de bewoner van [locatie 2] hem verteld dat de vreemdelingen werkzaam waren via PSS en de eigenaar van dat bedrijf Wojciech ([appellant]) heette. [bewoner] heeft contact met [appellant] opgenomen, die de volgende dag bij hem is langsgekomen en afspraken met hem heeft gemaakt.

Blijkens een bij het boeterapport behorende verklaring van [appellant], krijgt hij meer werk aangeboden dan hij met zijn eenmanszaak aankan en geeft hij werk door aan zijn Poolse familie en vrienden. Hij gaat vervolgens met een van de schilders naar de klant en maakt de afspraken met de klant. Hij heeft, nadat hij de personen die op het adres [locatie 2] aan het schilderen waren had gevraagd of zij tijd hadden, contact opgenomen met [bewoner]. Daarna is hij met [naam] naar [bewoner] gegaan, met wie hij heeft afgesproken wat geschilderd moest worden, wie voor de materialen zou zorgen en hoeveel het zou kosten. Na de controle is [appellant], zo heeft hij verklaard, op verzoek van [bewoner] langsgekomen om de betaling in ontvangst te nemen.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het boeterapport niet zorgvuldig is opgemaakt en niet aan de boeteoplegging ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat op de aanbiedingsbrief bij het boeterapport de datum 2 december 2005 is vermeld, terwijl het boeterapport is gedateerd op 6 december 2005, faalt. Daargelaten welke gevolgen aan een onjuiste datering van het boeterapport zouden moeten worden verbonden, heeft [appellant] niet aangetoond dat het boeterapport vóór 6 december 2005 door hem is ontvangen, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat het boeterapport niet op 6 december 2005 is ondertekend en ingezonden aan de boeteoplegger.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn opvatting dat de staatssecretaris onvoldoende kennis heeft vergaard over de relevante feiten en het besluit van 18 december 2006 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe betoogt hij dat niet alle vreemdelingen maar alleen [vreemdeling B] is gehoord en deze niet is gevraagd zijn verklaring te ondertekenen. Volgens [appellant] is gehandeld in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Het proces-verbaal van bevindingen is weliswaar op ambtseed opgemaakt en door vier verbalisanten ondertekend, maar niet staat vast wie van de verbalisanten aanwezig was tijdens het gehoor. Voorts kan het op straat voeren van een kort gesprekje niet als zorgvuldig beoordeeld worden, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200708231/1&verdict_id=29685&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200708231/1&utm_term=200708231/1">200708231/1</a>) bestaat er geen wettelijke verplichting alle bij de controle aanwezige personen als getuige te horen. In het hoger-beroepschrift is voorts niet aangegeven welke kennis omtrent de feiten en omstandigheden bij de staatssecretaris ontbrak, waardoor het noodzakelijk was alle vreemdelingen te horen alvorens een boete kon worden opgelegd. Voorts leidt het betoog van [appellant] dat de verklaring van [vreemdeling B], opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, onzorgvuldig en in strijd met artikel 6 van het EVRM tot stand is gekomen niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze verklaring als zodanig niet aan de boeteoplegging ten grondslag is gelegd.

Het betoog faalt.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft verzuimd aan te geven dat en waarom [appellant] niet wordt gevolgd in zijn betoog dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, nu de vreemdelingen en [bewoner] niet zijn geconfronteerd met zijn verklaring, leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Indien [bewoner] en de vreemdelingen naar aanleiding van een confrontatie met de verklaring van [appellant] hun verklaringen als door [appellant] gewenst zouden hebben herzien, brengt dit niet met zich dat de boete niet kon worden opgelegd, aangezien dit geen afbreuk doet aan de door [appellant] en [bewoner] afgelegde en ondertekende verklaringen die de boeteoplegging kunnen dragen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de vreemdelingen en [bewoner] met de verklaring van [appellant] had dienen te confronteren.

2.6. Het betoog dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de beroepsgrond dat het besluit van 18 december 2006 onzorgvuldig is voorbereid, nu de staatssecretaris bij brief van 3 november 2006 overgelegde onderscheiden verklaringen van [naam] en [vreemdeling C] niet heeft betrokken bij de totstandkoming van dat besluit, leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu deze verklaringen van algemene strekking zijn en niet zien op de concrete feitelijke omstandigheden waaronder de vreemdelingen de werkzaamheden ten tijde van de controle op 12 september 2005 hebben verricht.

2.7. Voorts leidt het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat, zoals in het besluit van 18 december 2006 is opgenomen, de verklaringen van de vreemdelingen aan hen zijn voorgelezen en zij daarin hebben volhard, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, reeds omdat niet is beargumenteerd dat en waarom deze omstandigheid grond biedt voor het oordeel dat de staatssecretaris de boete ten onrechte bij besluit van 18 december 2006 heeft gehandhaafd.

2.8. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij, door de vreemdelingen arbeid te laten verrichten, artikel 2, eerste lid, van de Wav, heeft overtreden en de minister bevoegd was een boete op te leggen. [appellant] betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij slechts als tolk heeft gefungeerd voor [naam]. Tevens betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij als werkgever kan worden aangemerkt van [vreemdeling A] en [vreemdeling B], omdat hij slechts wist dat [naam] en [vreemdeling C] zouden gaan schilderen op het adres [locatie 1] en hij niet wist en in redelijkheid niet kon weten dat daarnaast nog anderen zouden gaan schilderen.

Volgens [appellant] is het voorts, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet mogelijk zowel hem als [bewoner] te beboeten door hen beiden als werkgever aan te merken.

2.8.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II, 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II, 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.8.2. Nu [appellant] ten overstaan van twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie heeft verklaard dat hij contact met [bewoner] heeft opgenomen, hij de afspraken met [bewoner] heeft gemaakt, hij na de controle de betaling voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden van [bewoner] in ontvangst heeft genomen en [appellant] voorts blijkens de verklaring van [bewoner] door hen als hun baas is aangeduid, bestaat voldoende grond voor het oordeel dat de vreemdelingen de werkzaamheden hebben verricht in opdracht of ten dienste van [appellant] en de rechtbank [appellant] terecht als werkgever, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, heeft aangemerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700303/1), is voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav instemming met, onderscheidenlijk wetenschap van de arbeid niet vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. Dat [appellant] naar gesteld geen wetenschap heeft gehad van de door [vreemdeling A] en [vreemdeling B] verrichte werkzaamheden, biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat hij ten aanzien van hen niet als werkgever kan worden aangemerkt. [appellant] heeft met [naam] immers niet afgesproken hoeveel en welke personen [naam] zou inschakelen. Bovendien heeft [appellant] de betaling voor alle vreemdelingen van [bewoner] in ontvangst genomen.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200606955/1&verdict_id=16589&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200606955/1&utm_term=200606955/1">200606955/1</a>), kunnen ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, meerdere personen dezelfde vreemdelingen dezelfde arbeid laten verrichten en derhalve ieder voor zich worden aangemerkt als werkgever en kan voorts, ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 18 en 19a, eerste lid van deze wet, elk van hen een boete worden opgelegd, ingeval geen van hen voor deze arbeid over een tewerkstellingsvergunning beschikt. Nu vast staat dat [appellant] noch [bewoner] over tewerkstellingsvergunningen voor de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden heeft beschikt, bestaat geen grond voor het oordeel dat of aan [appellant] of aan [bewoner] een boete moest worden opgelegd.

2.9. [appellant] betoogt voorts, onder verwijzing naar de bij brief van 31 oktober 2008 door hem overgelegde uitspraak van de Afdeling van 3 september 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200706119/1&verdict_id=30576&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200706119/1&utm_term=200706119/1">200706119/1</a>, dat de boete ten onrechte is opgelegd omdat hij - net als in voormelde uitspraak - persoonlijk geen betalingsverplichting had tegenover de vreemdelingen, tegenover [bewoner] niet verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het schilderwerk en de vreemdelingen onder eigen verantwoordelijkheid de werkzaamheden hebben verricht.

2.9.1. [appellant] miskent met dit betoog dat de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot voormelde uitspraak verschillen van die in dit geval, onder meer omdat in dit geval de vreemdelingen voorafgaand aan de werkzaamheden niet ieder een offerte hebben uitgebracht en zij voorts ten tijde van de controle niet in een handelsregister van de Nederlandse Kamer van Koophandel waren ingeschreven als zelfstandigen.

Het betoog faalt.

2.10. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van het volledig ontbreken van dan wel een verminderde mate van verwijtbaarheid op grond waarvan de boete dient te worden gematigd. Daartoe betoogt [appellant] dat hem niet kan worden verweten dat [vreemdeling A] en [vreemdeling B] bij [bewoner] werkzaam waren. Voorts is - aldus [appellant] - geen rekening gehouden met de omstandigheden dat de gedraging thans geen overtreding zou hebben opgeleverd, dat het de overheid zelf is geweest die krachtig heeft gestimuleerd dat Poolse arbeiders op grote schaal in Nederland werkzaam zijn geworden en dat geen verdringing van Nederlands arbeidsaanbod heeft plaatsgevonden.

2.10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200704906/1&verdict_id=22963&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200704906/1&utm_term=200704906/1">200704906/1</a>), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.10.2. Hiervoor in 2.8.2. is reeds overwogen dat de staatssecretaris [appellant] terecht als werkgever van [vreemdeling A] en [vreemdeling B] in de zin van de Wav heeft aangemerkt. Dit brengt met zich dat hij er zich rekenschap van had dienen te geven of voor de door die vreemdelingen te verrichten werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Nu [appellant] dit heeft nagelaten, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de verwijtbaarheid aan de kant van [appellant] geheel dan wel gedeeltelijk ontbreekt.

Dat de gedragingen thans geen overtreding zouden hebben opgeleverd, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200704321/1&verdict_id=23378&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200704321/1&utm_term=200704321/1">200704321/1</a>), niet gelegen in de omstandigheid dat het inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van de op 12 september 2005 geconstateerde overtreding is gewijzigd, maar omdat het vereiste uit hoofde van het overgangsregime dat is neergelegd in Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen, slechts een tijdelijk karakter had. Nu geen verandering is opgetreden met betrekking tot de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding, bestaat geen grond voor nihilstelling dan wel matiging.

De omstandigheid dat het verrichten van arbeid door vreemdelingen van Poolse nationaliteit mogelijk is gemaakt en - naar gesteld - door de overheid is gestimuleerd, laat onverlet dat, ten tijde van de geconstateerde overtredingen, het verrichten van arbeid door vreemdelingen van Poolse nationaliteit mocht worden onderworpen aan de door de wet- en regelgeving daaraan gestelde vereisten. Voorts leidt de omstandigheid dat voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist, maar [appellant] deze niet heeft aangevraagd, reeds tot het oordeel dat [appellant] in strijd met de doelstellingen van de Wav heeft gehandeld, omdat hierdoor de tot verlening van tewerkstellingsvergunningen bevoegde instantie - de Centrale organisatie werk en inkomen - niet heeft kunnen beoordelen of door het tewerkstellen van de desbetreffende vreemdelingen al dan niet sprake is van verdringing van legaal arbeidsaanbod.

Het betoog faalt.

2.11. Ten slotte betoogt [appellant] dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het boetebedrag ongeveer gelijk is aan zijn bruto jaarinkomen en dat de staatsecretaris derhalve geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van de overeenkomstig de Tarieflijst vastgestelde boete van € 12.000,00. [appellant] stelt hiertoe dat de juistheid van de door hem overgelegde gegevens niet is betwist, dat een accountantsverklaring moeilijk te verkrijgen is nu deze in Nederland alleen worden opgemaakt bij zeer grote bedrijven en dat zijn inkomen na belasting over 2005 en 2006 onder het bijstandsniveau ligt.

2.11.1. Anders dan [appellant] stelt, heeft de minister in zijn verweerschrift in beroep de juistheid van de door hem overgelegde financiële gegevens betwist. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] slechts een eigen uitleg aan de jaarcijfers over 2005 heeft gegeven, geen accountantsverklaring heeft overgelegd en niet van een dreigend faillissement is gebleken. Voorts laat de gestelde moeilijkheid bij het verkrijgen van een accountantsverklaring - wat hier ook van zij - onverlet dat de juistheid van de verstrekte financiële gegevens over 2005 niet kan worden vastgesteld. Over 2006 zijn in het geheel geen financiële gegevens overgelegd, zodat de rechtbank reeds daarom terecht heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het boetebedrag ongeveer gelijk is aan het te verwachten inkomen over 2006. Ten slotte heeft [appellant] zijn stelling dat zijn inkomen thans onder bijstandsniveau ligt, niet met financiële gegevens gestaafd. De rechtbank heeft derhalve terecht in de door [appellant] naar voren gebrachte financiële gegevens geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatsecretaris ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de opgelegde boete te matigen.

Het betoog faalt.

2.12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

382-510.