Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200800675/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek om handhavend op te treden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) ten aanzien van handelingen met betrekking tot de spoorlijn Budel-Weert in de nabijheid van de speciale beschermingszone "Weerter- en Budelerbergen" afgewezen.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/213
JM 2009/47 met annotatie van Zijlmans
JOM 2009/315
OGR-Updates.nl K19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800675/1/R2.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Milieufederatie Limburg, gevestigd te Roermond, en andere,

appellanten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek om handhavend op te treden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) ten aanzien van handelingen met betrekking tot de spoorlijn Budel-Weert in de nabijheid van de speciale beschermingszone "Weerter- en Budelerbergen" afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2007, kenmerk DRR&R/2007/6932, heeft de minister het door stichting Stichting Milieufederatie Limburg en andere (hierna: de stichting en andere) hiertegen gemaakte bezwaar ten aanzien van onderhoud niet-ontvankelijk en ten aanzien van gebruik ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben de stichting en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft ProRail B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2009, waar de stichting en andere, vertegenwoordigd door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.W.P.A. van Schijndel, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting ProRail B.V., vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, en L.C. Makkinga, en de minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door ir. F.P.M. van Heijst, ambtenaar ten departemente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 19 januari 2007 hebben de stichting en andere de minister verzocht om handhavend op te treden tegen de werkzaamheden aan de spoorlijn Budel-Weert binnen en nabij het gebied Weerter- en Budelerbergen, waarvoor ProRail bij brief van 7 juli 2006 een aanvraag voor een vergunning krachtens de Nbw heeft ingediend. Het betreft de volgende werkzaamheden:

- het voorbereiden van werkzaamheden, bestaande uit onder andere het losdraaien van bevestigingsmiddelen en het lossen van spoorstaven;

- het vernieuwen van dwarsliggers en spoorstaven met behulp van een vernieuwingstrein;

- het vernieuwen van overwegen;

- het vernieuwen van ballast met behulp van een kettinghor, waarbij tevens nieuwe ballast met werktreinen wordt bijgelost;

- het afstoppen van spoor en afwerken van ballast met behulp van een stopmachine, stabilisator en een ballastafwerkmachine.

Volgens de stichting en andere leiden deze werkzaamheden tot het wederom in gebruik nemen van de spoorlijn, hetgeen volgens hen ernstige nadelige effecten met zich brengt voor het gebied Weerter- en Budelerbergen.

2.2. Het gebied Weerter- en Budelerbergen is bij besluit van 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna de Vogelrichtlijn). Verder zijn de gebieden "Weerterbos" en "Ringselven en Kruispeel" aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna; de Habitatrichtlijn).

Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de gebieden "Weerterbos" en "Ringselven en Kruispeel" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Een deel van de gronden van de Habitatrichtlijngebieden "Weerterbos" en "Ringselven en Kruispeel" maken tevens onderdeel uit van het Vogelrichtlijngebied Weerter- en Budelerbergen.

2.3. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de minister het verzoek van de stichting en andere afgewezen. De minister heeft te kennen gegeven dat hij bij besluit van 2 februari 2007 op de aanvraag van ProRail B.V. heeft beslist dat er geen vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is vereist voor het onderhoud aan en het gebruik van de spoorlijn Budel-Weert in de nabijheid van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Weerter- en Budelerbergen".

2.4. Bij het bestreden besluit heeft de minister het door de stichting en andere hiertegen gemaakte bezwaar ten aanzien van onderhoud niet-ontvankelijk verklaard. Nu de onderhoudswerkzaamheden reeds zijn beëindigd, heeft de stichting volgens de minister geen belang meer bij een verzoek om handhaving op dit punt. Het bezwaar van de stichting ten aanzien van het gebruik heeft de minister ongegrond verklaard. Hij heeft hiertoe overwogen dat de bestaande infrastructuur niet vergunningplichtig is in het kader van de Nbw 1998, zelfs niet als hier in de loop van de tijd meer gebruik van gaat worden gemaakt (autonome ontwikkeling). Het feit dat er onderhoudswerkzaamheden aan vooraf zijn gegaan is volgens de minister niet relevant.

2.5. De stichting en andere kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij betogen dat het onderhoud aan en het gebruik van de spoorlijn onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en derhalve als één project in de beoordeling hadden dienen te worden betrokken. Bovendien kon de minister op grond van objectieve gegevens niet uitsluiten dat dit project significante gevolgen heeft voor het gebied, zodat een passende beoordeling diende te worden gemaakt.

2.6. De Afdeling stelt voorop dat het enkele feit dat de werkzaamheden aan het spoor reeds zijn voltooid niet betekent dat geen belang meer bestaat bij de beoordeling van het verzoek om handhaving op dit punt. Bovendien is ter zitting komen vast te staan dat de spoorlijn vanaf 2005 niet meer als zodanig in gebruik is en gezien de staat waarin de spoorlijn verkeerde ook niet zonder het treffen van maatregelen in gebruik kon worden genomen. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aard van de werkzaamheden, ziet de onderhavige situatie niet op een autonome ontwikkeling van het verkeer op bestaande infrastructuur, maar op werkzaamheden die het mogelijk maken de spoorlijn opnieuw in gebruik te nemen. De onderhoudswerkzaamheden en het gebruik zijn derhalve zodanig met elkaar verbonden dat deze als één project voor de beoordeling van de vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 dienen te worden aangemerkt. Gelet hierop dient te worden bezien of de werkzaamheden aan en het gebruik van de spoorlijn, als zijnde één project, gezien de instandhoudingsdoelstellingen die zijn geformuleerd voor de speciale beschermingszones "Weerter- en Budelerbergen", "Weerterbos" en "Ringselven en Kruispeel", zou kunnen leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor die gebieden zijn aangewezen. De minister heeft dit miskend.

2.7. De conclusie is dat hetgeen de stichting en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit ten onrechte deels niet-ontvankelijk is verklaard en voor het overige is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 december 2007, kenmerk DRR&R/2007/6932;

III. veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij de stichting Stichting Milieufederatie Limburg en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan de stichting Stichting Milieufederatie Limburg en andere onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan de stichting Stichting Milieufederatie Limburg en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

466.