Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200804000/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit verzonden op 21 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804000/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nr. 06/1365 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit verzonden op 21 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 25 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 22 april 2005 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een ligplaatsvergunning als bedoeld in het destijds geldende artikel 2.2 van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: reguliere ligplaatsvergunning). In het in bezwaar gehandhaafde besluit stelt het college zich op het standpunt dat de aanvraag van [appellant] een reguliere ligplaatsvergunning betreft en betrekking heeft op de [locatie] te [plaats]. Nu reeds eerder afwijzend op aanvragen van [appellant] tot verlening van een reguliere ligplaatsvergunning voor deze locatie is besloten en hij bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld, kon de aanvraag van [appellant] volgens het college met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden afgewezen.

2.2. [appellant] bestrijdt terecht het oordeel van de rechtbank dat het college zijn aanvraag voor een reguliere ligplaatsvergunning met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft mogen afwijzen. Uit de aanvraag en het door hem tegen het besluit, verzonden op 21 september 2005, ingediende bezwaarschrift van 24 september 2005, blijkt genoegzaam dat zijn aanvraag voor een reguliere ligplaatsvergunning geen betrekking had op de [locatie sub 1], maar op de hem door het college toegewezen vervangende [locatie sub 2]. Nu [appellant] voor deze locatie nog niet eerder een reguliere ligplaatsvergunning heeft verzocht, heeft het college zijn aanvraag ten onrechte als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 25 januari 2006 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling zal dit besluit vernietigen, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen hiervan in stand te laten. Hiertoe wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van heden in zaak nr. 200804006/1, overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voor een reguliere ligplaatsvergunning voor de [locatie sub 2] in aanmerking komt.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nr. 06/1365;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 25 januari 2006, kenmerk BZ.1.05.0521.001/DJZ;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat de gemeente Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

350-546.