Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200804002/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn woonschip [naam woonschip] voor 6 februari 2007 te verplaatsen van de ligplaats in de [locatie sub 1] naar de locatie [locatie sub 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804002/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nr. 07/2682 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn woonschip [naam woonschip] voor 6 februari 2007 te verplaatsen van de ligplaats in de [locatie sub 1] naar de locatie [locatie sub 2].

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 25 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 mei 2007 vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 19 december 2006 is gehandhaafd in zoverre de bij dat besluit opgelegde last de verplichting omvat met het woonschip [naam woonschip] op de locatie [locatie sub 2] ligplaats in te nemen. De rechtbank heeft dit deel van het besluit van 19 december 2006 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.2.9, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb 2006) is de kapitein of schipper dan wel de rechthebbende op een ander vaartuig of object te water verplicht dit naar elders te verhalen indien dat naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk is.

Ingevolge het tweede lid kan het college de in het eerste lid bedoelde objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende onbekend is.

2.2. Aan de aan [appellant] opgelegde last om zijn woonschip uiterlijk op 6 februari 2007 te verplaatsen, heeft het college artikel 3.2.9, eerste lid, van de Vhb 2006 ten grondslag gelegd. Ter motivering van de opgelegde last wijst het college op de mogelijk grote gevolgen voor de voortgang van het voorgenomen bouwproject in de [locatie sub 1] als niet alle daar aanwezige woonschepen tijdig worden verplaatst. Het college heeft [appellant] ter nakoming van de opgelegde last bestuursdwang aangezegd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte bestuursdwang heeft aangezegd.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het hier gaat om een preventieve aanzegging van bestuursdwang, nu vaststaat dat [appellant] artikel 3.2.9, eerste lid, van de Vhb 2006 ten tijde van de aanschrijving niet overtrad.

Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 november 2006 in zaak nr. 200601026/1), is een bestuursorgaan slechts bevoegd tot het aanzeggen van preventieve bestuursdwang indien overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die situatie zich hier voordoet. De omstandigheid dat [appellant] tot de ondertekenaars behoort van een brief van 22 oktober 2006 van enkele woonbootbewoners uit de [locatie sub 1], waarin naar aanleiding van de in hun ogen onheuse bejegening door het college van één van hen wordt opgemerkt dat aan verplaatsing van woonschepen geen medewerking zal worden verleend, is hiervoor niet voldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze brief dateert van twee maanden vóór het primaire besluit en is geschreven op een moment van agitatie, waarop bovendien, zoals volgt uit de brief en de door [appellant] ter zitting gegeven toelichting, voor de desbetreffende woonbootbewoners nog niet duidelijk was wanneer en waarheen zij hun schepen dienden te verplaatsen. Bij besluit van 19 december 2006 is die duidelijkheid geboden.

Daarnaast wordt gewicht toegekend aan de omstandigheid dat zowel [appellant] als het college ter zitting desgevraagd hebben geantwoord dat voor hen niet duidelijk is naar welk overleg de rechtbank in haar uitspraak verwijst waar zij overweegt dat [appellant] tijdens een bijeenkomst met het college heeft aangekondigd niet uit de [locatie sub 1] te zullen vertrekken.

Het betoog slaagt.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken behoeft geen bespreking, nu niet is gebleken dat hij in beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 23 mei 2007, in zoverre daarbij de preventieve aanzegging tot bestuursdwang is gehandhaafd, ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren en voormeld deel van het besluit van 23 mei 2007 vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal hiertoe het besluit van 19 december 2006, voor zover [appellant] daarin preventief bestuursdwang is aangezegd, herroepen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nr. 07/2682, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 23 mei 2007, in zoverre dit strekt tot handhaving van het besluit van 19 december 2006, voor zover [appellant] daarbij preventief bestuursdwang is aangezegd, ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 23 mei 2007, kenmerk BZ.1.07.0067.001/DJZ, voor zover daarbij het besluit van 19 december 2006, in zoverre [appellant] daarbij preventief bestuursdwang is aangezegd, is gehandhaafd;

V. herroept het besluit van 19 december 2006, kenmerk 2006/5077, in zoverre;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 23 mei 2007, voor zover vernietigd;

VII. gelast dat de gemeente Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

350-546.