Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200805859/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2007 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) de aanvraag van [appellant] om hem een vluchtelingenpaspoort te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 192 met annotatie van H.B. Winter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805859/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 juni 2008 in zaak nr. 07/4578 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2007 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) de aanvraag van [appellant] om hem een vluchtelingenpaspoort te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 14 mei 2007 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2008.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2009, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door F.C. Boekestein en R.H.I. Jutte, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aanspraken van niet-Nederlanders op de verstrekking van reisdocumenten voor vluchtelingen dan wel reisdocumenten voor vreemdelingen zijn neergelegd in de artikelen 11 tot en met 15 van de Paspoortwet (hierna: de wet).

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de wet heeft iedere vreemdeling die ingevolge artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) tot Nederland is toegelaten, binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een reisdocument voor vluchtelingen, geldig voor ten minste een jaar en ten hoogste drie jaren.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de wet, voor zover van belang, is in Nederland de burgemeester bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten, reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor vreemdelingen, voor zover het personen betreft die als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn ingeschreven.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet verschaft de in artikel 26 bedoelde autoriteit zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: de uitvoeringsregeling) geschiedt de vaststelling van het recht op een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 11 van de wet aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 28 of 33 van de Vw 2000 en diens nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit van de aanvrager in de basisadministratie zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de uitvoeringsregeling -voor zover van belang- worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument geraadpleegd, indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt reisdocument over te leggen.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van een besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2.2. Op 20 oktober 2006 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een nieuw reisdocument. Bij deze aanvraag heeft hij een proces-verbaal van vermissing van zijn vorige reisdocument overgelegd. De verstrekking van een nieuw reisdocument is hem bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 januari 2007 geweigerd. De burgemeester heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de IND de verblijfsvergunning asiel van [appellant] heeft ingetrokken op 31 oktober 2006 en hij aldus niet langer beschikt over een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd.

2.3. De rechtbank komt in de aangevallen uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester terecht geconcludeerd heeft dat [appellant] geen aanspraak heeft op een vluchtelingenpaspoort, aangezien hij ten tijde van het bestreden besluit niet beschikte over een verblijfsvergunning. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij dient af te gaan op de beslissing van de IND hieromtrent. Dat [appellant] tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel beroep heeft aangetekend, kan volgens de rechtbank hieraan niet afdoen, omdat de schorsende werking die aan het beroep is verbonden, slechts betekent dat [appellant] de uitspraak in Nederland mag afwachten.

2.4. [appellant] komt hiertegen in hoger beroep. Hij betoogt dat de burgemeester geen reden had zijn aanvraag voor te leggen aan de IND. Verder is de rechtbank er volgens hem ten onrechte van uitgegaan dat hij ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf had in Nederland.

2.5. De burgemeester heeft in dit geval niet alleen de procedure genoemd in artikel 22 van de uitvoeringsregeling gevolgd, maar tevens de verblijfsrechtelijke status ter verificatie aan de IND voorgelegd. De Afdeling ziet geen reden dit onjuist te achten. Op 3 november 2006 heeft de IND op het verzoek van de burgemeester gereageerd. Uit deze reactie blijkt dat de verblijfsvergunning asiel van [appellant] bij besluit van 31 oktober 2006 is ingetrokken en dat hij hiertegen op dat moment nog geen bezwaar had gemaakt. In beginsel behoeft de burgemeester vervolgens geen nader zelfstandig onderzoek te doen en mag hij bij de beoordeling van een aanvraag om verlening van een vluchtelingenpaspoort uitgaan van de juistheid van deze door de IND verstrekte gegevens.

Aan de informatie van de IND heeft de burgemeester evenwel niet de gevolgtrekking kunnen verbinden dat [appellant] niet meer over een verblijfsvergunning beschikte. Bij gebruikmaking van de van de IND verkregen informatie had de burgemeester rekening dienen te houden met het gestelde in artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000. De burgemeester had derhalve moeten nagaan of [appellant] binnen de daarvoor gestelde termijn beroep had ingesteld tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel en of op dat beroep reeds was beslist. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, houdt de ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 geldende schorsende werking immers niet slechts in dat betrokkene de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten, maar dat de intrekking, zolang niet op het beroep is beslist, geacht wordt geen rechtsgevolg te hebben. Nu [appellant], naar niet is weersproken, tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit tot intrekking en daarop nog niet was beslist, had hij gelet op dit artikellid ten tijde van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 januari 2007 rechtmatig verblijf op voet van artikel 8, aanhef en onder c, van deze wet. De burgemeester had de aanvraag van [appellant] om hem een vluchtelingenpaspoort te verlenen niet op de door hem hieraan ten grondslag gelegde grond mogen afwijzen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 mei 2007 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De overige gronden van het hoger beroep behoeven in verband hiermee geen bespreking.

2.7. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 juni 2008 in zaak nr. 07/4578;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Den Haag van 14 mei 2007, kenmerk B.3.07.0226.001;

V. veroordeelt de burgemeester van Den Haag tot een vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro); het dient door de gemeente Den Haag onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

176-597.