Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200804159/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een trap, loopbrug, steiger en meerpalen in de Bakkerskil tegenover de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804159/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Nederlek,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 april 2008 in zaak nr. 07/6940 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een trap, loopbrug, steiger en meerpalen in de Bakkerskil tegenover de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2008, verzonden op 29 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2008, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2009, waar [appellant sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. J. de Vet en vergezeld door A. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Krimpen aan de Lek, Landelijk Gebied, eerste wijziging" (hierna: het bestemmingsplan), zodat van rechtswege bouwvergunning is verleend. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2008 in zaak nr. 07/5093 over een vergelijkbare steiger in de Bakkerskil.

2.1.1. Het bouwplan dient ter vervanging van een steiger in de Bakkerskil die is verwijderd in verband met de dijkverzwaring ter plaatse, die vanaf 2001 gedurende ruim 5 jaar heeft plaatsgevonden. Het bouwplan is voorzien op gronden die ingevolge het bestemmingsplan voor een deel de bestemming "Water" met de medebestemming "Waterstaatsdoeleinden" en voor een deel de bestemming "Groenvoorzieningen" hebben.

2.1.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Waterstaatsdoeleinden" mede bestemd voor

a. ter plaatse van de gronden zonder subbestemming: de waterbeheersing anders dan met behulp van dijken en voor verkeer te water;

b. ter plaatse van de gronden met de subbestemming "Waterkering": dijken en dijksloten.

Ingevolge het tweede lid mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde bestemming worden opgericht.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, zijn de gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" bestemd voor dijktaluds, bermbeplantingen en andere groenvoorzieningen en in samenhang daarmede voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Ingevolge het tweede lid is, voor zover de in het eerste lid bedoelde gronden samenvallen met de bestemming "Waterstaatsdoeleinden", tevens het bepaalde in artikel 19 van toepassing.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, zijn de gronden met de bestemming "Water" bestemd voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding en voor het verkeer te water.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de bestemming zoals oeververbindingen. Indien steigers en meerpalen worden aangelegd in de Bakkerskil mogen deze worden opgericht op een afstand van ten hoogte 10,00 m uit de grens van de bestemming "Water", bezien vanaf de Molendijk en Noord.

Ingevolge het derde lid is, voor zover de in het eerste lid bedoelde gronden samenvallen met de bestemming "Waterstaatsdoeleinden" tevens het bepaalde in artikel 19 van toepassing.

2.1.3. De aanvraag is blijkens het daarop aangebrachte stempel op 24 november 2006 door de gemeente ontvangen. Op dat moment was, evenals als ten tijde van het besluit van 8 augustus 2007, de situatie ter plaatse, waar het bouwplan is voorzien, door de dijkverzwaring niet in overeenstemming met de situatie, zoals die op de bestemmingsplankaart is weergegeven. De grens van de bestemming "Water" was toen acht meter in de richting van de Bakkerskil opgeschoven, zodat ingevolge artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften steigers met een feitelijke lengte van ten hoogste twee meter zijn toegestaan. Het bouwplan voorziet in een langere steiger, zodat de rechtbank het bouwplan terecht in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht en terecht geen van rechtswege verleende bouwvergunning heeft aangenomen. Dat de rechtbank in de door [appellant sub 1] vermelde uitspraak, naar deze stelt, tot een ander oordeel is gekomen, doet hier niet aan af.

Het betoog faalt.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank, door - onder verwijzing naar haar uitspraken van 7 februari 2008 in de zaken nrs. 07/5093 en 07/5452 -te overwegen dat aan [appellant sub 1] niet in redelijkheid de benodigde vrijstelling kon worden onthouden, heeft miskend dat de aanvraag volgens het gevoerde beleid, neergelegd in de beleidsnotitie "Aanlegsteigers en woonboten in de Bakkerskil" (hierna: de beleidsnotitie), moest worden geweigerd, nu [appellant sub 1] huurder was van een bestaande steiger en geen eigenaar.

2.2.1. Het college heeft vanaf 7 februari 2007 het beleid, neergelegd in de beleidsnotitie, gevoerd. Volgens de inleiding van die notitie is deze vastgesteld om te voorkomen dat na afronding van de dijkverzwaring ter hoogte van de Bakkerskil, waarbij de daar aanwezige aanlegsteigers, boothuizen en woonboten zijn verwijderd, een groter aantal steigers dan voor de dijkverzwaring aanwezig was, zal terugkeren en dat aldaar een jachthaven ontstaat. Dat is volgens de inleiding ongewenst. In de beleidsnotitie is voorts ten aanzien van steigers vermeld dat vergunningaanvragen voor nieuwe steigers, ingediend na 1 november 2006, worden afgewezen. Voor bestaande steigers die zonder vergunning waren gebouwd, maar waartegen redelijkerwijs niet meer handhavend kon worden opgetreden, zal alsnog vrijstelling en bouwvergunning worden verleend, mits die steigers er vóór aanvang van de dijkverzwaringswerkzaamheden waren en de gemeente daarvan op de hoogte was, zonder dat zij zich daartegen keerde. Ten slotte wordt in de beleidsnotitie een onderscheid gemaakt tussen eigenaren en huurders van bestaande steigers, waarbij aanvragen van huurders zullen worden aangemerkt als nieuwe aanvragen en dientengevolge zullen worden afgewezen.

2.2.2. De rechtbank heeft, zij het op andere gronden, terecht overwogen dat het college [appellant sub 1] niet in redelijkheid de verzochte vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen onthouden. Blijkens de inleiding is de beleidsnotitie erop gericht te voorkomen dat het aantal aanlegsteigers zal toenemen in vergelijking met de situatie van vóór de dijkverzwaring. Ter zitting heeft het college in dit verband medegedeeld dat van de voorheen aanwezige 22 steigers thans 21 legaal zijn teruggeplaatst en slechts de steiger waarvan [appellant sub 1] gebruikmaakte niet is vervangen. Nu [appellant sub 1] een verklaring van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft overgelegd dat het, als eigenaar van de voormalige steiger, ten behoeve van [appellant sub 1] afziet van een claim op een steiger in de Bakkerskil, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het aantal steigers zal toenemen in vergelijking met de situatie van vóór de dijkverzwaring, indien aan hem vrijstelling voor een steiger wordt verleend. Een andere motivering voor de weigering heeft het college niet gegeven.

Het betoog faalt.

2.3. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met enige verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de gemeente Nederlek griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

488.