Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200804133/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen van een atelier op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804133/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 april 2008 in zaak nr. 07/1873 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen van een atelier op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering ervan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 21 april 2008, verzonden op 29 april 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke en mr. M. Frederiks, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het geheel vernieuwen van een atelier met natte ruimte dat wordt aangebouwd tegen de op het perceel aanwezige zomerwoning. Volgens de in zoverre niet bestreden uitspraak van de rechtbank is de oppervlakte van het voorziene atelier 51,9 m², is het atelier vanaf de achterzijde toegankelijk via openslaande deuren en is het tevens toegankelijk vanuit de zomerwoning via openslaande deuren in de scheidingswand tussen de zomerwoning en het atelier.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Bergen Noord" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel, waarop het bouwplan is voorzien, de bestemming "Woondoeleinden B2". Op het perceel is volgens de plankaart geen bouwvlak voorzien.

2.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 7, van de planvoorschriften wordt daarin onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge die aanhef en onder 9 wordt onder bouwvlak verstaan: een op de plankaart door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge die aanhef en onder 13 wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan - met inbegrip van de bestemming "Tuin" - een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten, dan wel een op de plankaart als zodanig aangegeven stuk grond.

Ingevolge die aanhef en onder 19 wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

Ingevolge die aanhef en onder 20 wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en qua afmetingen ondergeschikt aan en vrijstaand van dat (hoofd)gebouw.

Ingevolge die aanhef en onder 21 wordt onder aanbouw verstaan: de toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een woonhuis.

Ingevolge de aanhef en onder 22 wordt onder uitbouw verstaan: de vergroting van een bestaande ruimte van een woonhuis.

Ingevolge die aanhef en onder 25 wordt onder woning verstaan: een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Ingevolge die aanhef en onder 26 wordt onder woonhuis verstaan: een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.

Ingevolge artikel 7, lid A, zijn de op de plankaart als "Woondoeleinden B2" aangewezen gronden bestemd voor:

1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

3. tuinen en erven;

met de daarbijbehorende:

4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid B, onder 1, aanhef en onder b, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge dat lid, onder 2, aanhef en onder d, mag, voor zover thans van belang, de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen per hoofdgebouw ten hoogte 40 m² bedragen.

Ingevolge artikel 37, lid A, mogen bouwwerken, die ten tijde van de eerste ter inzage legging van het plan bestaan, dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd, met inachtneming van het gestelde bij of krachtens de Woningwet en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning geschiedt binnen 2 jaar na het tenietgaan.

Ingevolge lid B, onder 1, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid A dat de bestaande afwijkingen naar de omvang niet mogen worden vergroot en toestaan dat een éénmalige vergroting plaatsvindt van de bestaande maten van in lid A toegelaten bouwwerken met ten hoogste 10%.

Ingevolge lid D is lid A niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat van rechtswege bouwvergunning is verleend, omdat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en het college niet binnen de daarvoor gestelde termijn op de aanvraag heeft beslist.

Hij voert hiertoe aan dat de zomerwoning een hoofdgebouw is, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel 19, van de planvoorschriften, omdat deze zich op een bouwperceel bevindt. Dat de zomerwoning niet is voorzien binnen een bouwvlak, doet daaraan niet af, omdat artikel 7, lid B, onderdeel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften ziet op bouwen van hoofdgebouwen en niet van bijgebouwen en aan- of uitbouwen, aldus [appellant].

Mocht de zomerwoning geen hoofdgebouw zijn, dan heeft de rechtbank miskend dat het bouwplan een bijgebouw betreft, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel 20, van de planvoorschriften, omdat het bij een gebouw behoort.

Mocht het bouwplan ook geen bijgebouw betreffen, dan heeft de rechtbank miskend dat het in een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel 21 onderscheidenlijk 22, van de planvoorschriften voorziet en ingevolge die bepalingen niet is vereist dat de aan- of uitbouw zich bij een hoofdgebouw bevindt, maar bij een woonhuis en dat daaraan in dit geval wordt voldaan.

Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte en buiten het geschil tredend aangenomen dat de zomerwoning onder het overgangsrecht van het aan het bestemmingsplan voorafgegane bestemmingsplan "Bebouwingsvoorschriften Bergen-Noord" (hierna: het oude bestemmingsplan) valt. Hij voert hiertoe aan dat een zomerwoning volgens de van het oude bestemmingsplan deel uitmakende plankaart op het perceel was toegestaan. Derhalve valt de zomerwoning niet onder het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan, maar onder dat van het bestemmingsplan, aldus [appellant].

2.4.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften van het oude bestemmingsplan mogen gebouwen die bij de eerste ter visie ligging van het ontwerpplan reeds bestaan of onlangs getroffen zijn door een calamiteit en afwijken van het plan, voor zover zij de voorgevelrooilijn naar de wegzijde niet overschrijden, geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijkingen van het plan niet worden vergroot, behoudens wanneer het zeer ondergeschikte uitbreidingen betreft, ter beoordeling van burgemeester en wethouders.

2.4.2. In 1933 is bouwvergunning verleend voor het oprichten van een houtloods en een bergplaats op het perceel. Voor het oprichten van de zomerwoning en het inmiddels verwijderde atelier is geen bouwvergunning verleend.

Op het perceel is geen bouwvlak voorzien, zodat het perceel geen bouwperceel is, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel 13, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft de zomerwoning dan ook terecht geen hoofdgebouw in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel 19, van de planvoorschriften geacht. Aan beantwoording van de vraag of het bouwplan een bijgebouw betreft, dan wel een aan- of uitbouw, wordt niet toegekomen, aangezien het niet voldoet aan de in artikel 7, lid B, onderdeel 2, aanhef en onder d, voor zodanige gebouwen gestelde eisen dat ze zich bij een hoofdgebouw bevinden en de gezamenlijke oppervlakte van zodanige gebouwen ten hoogste 40 m² bedraagt. Het bouwplan is dan ook in strijd met die bepalingen van het bestemmingsplan.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de zomerwoning onder het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan valt, nu deze, naar [appellant] onweersproken heeft gesteld, ten tijde van de ter visie legging van het oude bestemmingsplan niet bestond. Dit kan echter niet leiden tot het door [appellant] met dat betoog beoogde resultaat, nu het atelier, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, van het overgangsrecht van het bestemmingsplan, neergelegd in artikel 37, lid A, van de planvoorschriften, is uitgezonderd. Aangezien het bestaande atelier is afgebroken, betekent nieuwbouw daarvan een vergroting naar aard en omvang van de bestaande afwijking van het bestemmingsplan.

De conclusie is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zodat de rechtbank terecht geen van rechtswege verleende bouwvergunning heeft aangenomen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in elk geval niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Hij voert hiertoe aan dat het college geen beleid voert dat ertoe strekt dat zomerwoningen onwenselijk zijn. Ook heeft de rechtbank, door te overwegen dat het bestemmingsplan recent is vastgesteld, volgens hem miskend dat het college wel vrijstelling heeft verleend voor het vernieuwen van een hobbyschuur bij een woning aan [locatie 2] en het gedeeltelijk vernieuwen en restaureren van een schapenboet als recreatiewoning aan [locatie 3], zodat het hem ingevolge artikel 37, lid B, onderdeel 1, van de planvoorschriften 10% uitbreiding van de bestaande bebouwing had kunnen toestaan. Ten slotte klaagt [appellant] dat de rechtbank buiten het geschil is getreden door aan te nemen dat de vergunning die het college in het verleden heeft verleend voor een schuur op het perceel op een vergissing berustte. Hij is bereid in overleg te treden met de gemeente om een ander gebruik aan het atelier toe te kennen.

2.5.1. Aan het besluit van 28 november 2006 heeft het college ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan recent is vastgesteld en door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 20 december 2005 is goedgekeurd en dat het ruimtelijke beleid, zoals dat wordt gevoerd en aan dit plan ten grondslag is gelegd, inhoudt dat verspreid liggende zomerwoningen ongewenst zijn. Het betoog van [appellant] dat het college geen beleid voert dat zomerwoningen onwenselijk zijn, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5.2. Het college heeft ter zitting aan de hand van de plankaart nader toegelicht dat zich op het perceel [locatie 2] een bouwvlak bevindt en dat perceel [locatie 3] buiten het plangebied is gelegen. Het college heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet gaat om gelijke, dan wel gelijk te stellen, gevallen.

2.5.3. Ten aanzien van hetgeen [appellant] met betrekking tot de vrijstellingsbepaling, neergelegd in artikel 37, lid B, onderdeel 1, van de planvoorschriften aanvoert, wordt overwogen dat het college dient te besluiten over het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Zoals hiervoor onder 2.5.2 is overwogen, is artikel 37, lid A, van de planvoorschriften niet op het bouwplan van toepassing, zodat aan artikel 37, lid B, niet wordt toegekomen.

Voorts heeft de omstandigheid dat [appellant], zoals hij stelt, bereid is een andere gebruiksfunctie aan het atelier toe te kennen niet de betekenis die hij daaraan gehecht wil zien, omdat voor het besluit van 12 juni 2006 het in de aanvraag om bouwvergunning vermelde gebruik van het bouwwerk van belang is.

2.5.4. Het betoog dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in 2001 ten onrechte bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een schuur op het perceel, buiten het geschil is getreden, mist feitelijke grondslag. [appellant] heeft in zijn beroepschrift, onder verwijzing naar die vergunning, betoogd dat het college hem ten onrechte geen vrijstelling voor het bouwplan heeft verleend. Dat uit die vergunning valt af te leiden dat het college destijds een schuur in overeenstemming achtte met het toen nog toekomstige bestemmingsplan is, - wat hiervan overigens zij - voor de beantwoording van de vraag of het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan kon weigeren, niet van belang. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] geen aanspraak op vergunningverlening aan een eerdere vergunning kan ontlenen, die ten onrechte is verleend.

2.5.5. De conclusie is dat het betoog faalt.

2.6. Ten slotte is in hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn betoog dat zijn recht op privéleven en gebruik van zijn eigendommen, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, gelezen in samenhang met het artikel 1 van het daarbij behorende eerste protocol, door de weigering is geschonden, reeds omdat [appellant] dat betoog niet nader heeft toegelicht.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

488.