Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200803785/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 1 vergunning verleend voor het planten van een biologische fruitboomgaard op het perceel, gelegen tussen de [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803785/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B],

2. het college van burgemeester en wethouders van Neerijnen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 april 2008 in zaak

nr. 07/4921 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats]

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 1 vergunning verleend voor het planten van een biologische fruitboomgaard op het perceel, gelegen tussen de [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, de aanlegvergunning geweigerd en de uitspraak in zoverre in de plaats gesteld van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2008, en [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 1] heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 20 juni 2008. Het college heeft dat gedaan bij brief van 23 juni 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.M. Stedelaar en

[maat A], het college, vertegenwoordigd door R.W. Peek, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartijen], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning betreft het planten van een biologische appelboomgaard, waarvan de bomen een hoogte bereiken van 2 tot 2,5 m op het perceel dat een omvang heeft van ruim 2,4 ha.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en cultuurhistorische waarden (Alc)" met de aanduiding "ruimtelijke openheid".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met zodanige bestemming bestemd voor:

a. duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en/of ter bescherming van de waarden van het aangrenzende natuurgebied.

Ingevolge artikel 5, derde lid, zijn de gronden, voor zover gelegen binnen een gebied dat op de waardenkaart bij plankaart 1 nader is gedifferentieerd, tevens bestemd voor de instandhouding en de ontwikkeling van:

a. de landschappelijke waarden: 'ruimtelijke openheid' en 'kleinschalig gebied, aansluitend op landgoed' en

b. de cultuurhistorische waarden: 'archeologisch waardevol gebied', 'draaiakkercomplex' en 'landgoed'.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in de 'Tabel Aanlegvergunningen' (hierna: de tabel) weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge de tabel is voor gronden met de nadere aanduiding "ruimtelijke openheid" een aanlegvergunning vereist voor het planten van bomen, met dien verstande dat de aanlegvergunning niet is vereist voor de vervanging van bestaande bomen.

Ingevolge artikel 30, vijfde lid, zijn werken en/of werkzaamheden, als bedoeld in het eerste lid, slechts toelaatbaar, indien:

1. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende hoofd- of medebestemming zijn toegekend;

2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke en natuurlijke en cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.4. Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank, door aan te nemen dat het planten van een boomgaard in strijd is met de op het perceel rustende bestemming, heeft miskend dat uit artikel 44 van de WRO volgt dat de aanvraag alleen diende te worden getoetst aan artikel 30, vijfde lid, van de planvoorschriften en daaraan is voldaan.

2.4.1. Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2003 in zaak nr. 200302352/1), is een aanlegvergunningenstelsel in een bestemmingsplan er op gericht een verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen. Voor aanlegwerkzaamheden die in strijd zijn met de bestemming kan daarom geen vergunning worden verleend.

Het planten van een appelboomgaard is in strijd met de bestemming instandhouding en ontwikkeling van de landschappelijke waarde "ruimtelijke openheid", als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften, nu in de plantoelichting is vermeld dat een gebied dat op de zogenoemde waardenkaart de aanduiding 'ruimtelijke openheid' heeft gekregen wordt gekenmerkt door het ontbreken van opgaande begroeiing en onbetwist is dat de te planten bomen als opgaande begroeiing zijn aan te merken. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college, gelet op artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, gehouden was de aanlegvergunning reeds om die reden te weigeren.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009

430.