Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
200803079/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een verzoek van appellante om een tegemoetkoming in de door hazen aan een perceel ijsbergsla veroorzaakte schade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 46
Flora- en faunawet 83
Flora- en faunawet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803079/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 maart 2008 in zaak nr. 07/611 in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een verzoek van appellante om een tegemoetkoming in de door hazen aan een perceel ijsbergsla veroorzaakte schade afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het Faunafonds het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2008, verzonden op 17 maart 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2008.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. drs. J.C.Q. Bult en H.G. Engberink, beiden werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) wordt bij ministeriële regeling bepaald in hoeverre de jacht op wild zal zijn geopend.

Ingevolge het tweede lid wordt de jacht niet geopend gedurende het tijdvak van 1 februari tot 15 augustus, tenzij er naar het oordeel van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het openstellen van de jacht met het oog op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen belangen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend, voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Ingevolge artikel 10, aanhef en onder c, van de Jachtregeling is in heel Nederland de jacht op de haas (Lepus europaeus) geopend gedurende het tijdvak van 15 oktober tot en met 31 december.

2.1.1. Volgens artikel 2, aanhef, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (hierna: de Regeling) kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade met inachtneming van het hierna bepaalde.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het Faunafonds een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het tweede lid staan maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperkingen van schade waarvan het Faunafonds meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de grondgebruiker kunnen worden genomen, vermeld in het door het Faunafonds vastgestelde Handboek Faunaschade (hierna: het Handboek). Indien een grondgebruiker een niet in het Handboek vermeld verjaagmiddel wil aanwenden, legt hij het gebruik van het middel vooraf schriftelijk voor aan het Faunafonds.

Volgens het zesde lid kan het Faunafonds een verhoogd eigen risico instellen voor gewassen, teelten of overige producten, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door diersoorten, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, van de Ffw.

2.1.2. Deel 2 van het Handboek geeft een overzicht van de schade die dieren in de agrarische sector kunnen aanrichten. Per onderdeel is een tabel opgenomen met daarin de schadeveroorzakende diersoorten, het type schade, de periode waarin de schade meestal optreedt, preventieve maatregelen en opmerkingen.

Volgens bladzijde 31 geeft de kolom 'preventie' een opsomming van de mogelijk te nemen preventieve en schadebeperkende maatregelen. Van een grondgebruiker wordt niet verlangd dat hij alle mogelijke preventieve maatregelen toepast. Over het algemeen zal de grondgebruiker minimaal twee van de vermelde preventieve maatregelen moeten hebben toegepast om voor een eventuele tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen.

Om innovatieve verjaagmaatregelen te stimuleren heeft het Faunafonds de mogelijkheid geopend om ook niet in het Handboek vermelde verjaagmethoden toe te staan. Wel is daarbij vereist dat de grondgebruiker, voordat hij het nieuwe middel gaat uittesten, de verwachte werking schriftelijk toelicht aan het Faunafonds, aldus het Handboek.

Volgens de op bladzijde 46 weergegeven tabel (hierna: de tabel) kunnen hazen gedurende de gehele teeltperiode aan sla vraatschade aanrichten. In de kolom 'preventie' worden hierbij de volgende maatregelen opgesomd: bejaging/regulering stand in bejaagbare periode, knalapparaten, elektronische geluidsgolven, raster, afschot in onbejaagbare periode.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij niet minimaal twee van de vijf preventieve maatregelen, vermeld in de tabel, heeft toegepast, heeft miskend dat zij niet meer dan één knalapparaat behoefde te plaatsen, nu het door haar geplaatste apparaat roteert en in verschillende richtingen knallen produceert en voor het plaatsen van meer dan één knalapparaat op de betrokken locatie, gelet op de geluidhinder, geen vergunning wordt verleend. Voorts heeft zij miskend dat, in aanvulling op het laten afschieten van hazen buiten het jachtseizoen en het plaatsen van het roterende knalapparaat, tijdens het jachtseizoen hazen zijn bejaagd.

Voor zover de in het Handboek voorgeschreven maatregelen niet zijn genomen, heeft de rechtbank volgens haar miskend dat het Faunafonds wegens bijzondere omstandigheden toch geen tegemoetkoming had mogen weigeren, omdat zij ter voorkoming van de schade ook stokken met linten heeft geplaatst, de ijsbergsla met een doek heeft bedekt en hazen met een vogelafweerpistool en met drijvers heeft verjaagd.

2.2.1. Niet is in geschil dat [appellante], naast het nemen van maatregelen die niet in de tabel worden vermeld, één knalapparaat heeft geplaatst en buiten het jachtseizoen hazen heeft laten afschieten. Volgens bladzijde 75 van het Handboek, waarin knalapparaten, met inbegrip van roterende knalapparaten, worden besproken, bestrijkt één knalapparaat 0,5 tot 2 hectare. Blijkens het dossier omvat het perceel ijsbergsla van [appellante] 7 hectare, zodat het plaatsen van één knalapparaat een volgens het Handboek ontoereikende preventieve maatregel is. Voorts volgt uit het enkele feit dat het apparaat, als gesteld, roteert niet dat het bereik hiervan meer dan 2 hectare bedraagt. Dat voor het plaatsen van meer dan één knalapparaat, naar gesteld, geen vergunning wordt verleend, baat [appellante] niet, daar de tabel andere preventieve maatregelen vermeldt, die in plaats daarvan kunnen worden genomen en gesteld noch gebleken is dat dat is gebeurd.

2.2.2. Anders dan [appellante] stelt, blijkt uit het rapport van de consulent van het Faunafonds niet dat zij tijdens het jachtseizoen hazen heeft laten bejagen. Ook indien dit wel is gebeurd, heeft het Faunafonds het bejagen van hazen tijdens het jachtseizoen in dit geval echter niet als een toereikende preventieve maatregel hoeven te beschouwen. Uit het dossier volgt dat [appellante] de ijsbergsla tussen 22 maart 2005 en 7 april 2005 heeft geplant en dat zij haar verzoek om een tegemoetkoming van het Faunafonds op 27 april 2005 heeft ingediend. Ten aanzien van hazen loopt het jachtseizoen van 15 oktober tot en met 31 december, zodat hazen slechts kunnen zijn bejaagd in de periode waarin nog geen ijsbergsla was geplant.

2.2.3. Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank [appellante] met juistheid niet gevolgd in haar betoog dat zij minimaal twee van de vijf preventieve maatregelen, vermeld in de tabel, heeft toegepast.

2.2.4. Dat [appellante] ook preventieve maatregelen heeft toegepast die niet in de tabel worden vermeld, is geen bijzondere omstandigheid die het Faunafonds tot afwijking ten gunste van haar van de Regeling en het Handboek noopte, nu niet in geschil is dat [appellante] deze maatregelen niet vooraf schriftelijk aan het Faunafonds heeft voorgelegd.

2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van haar kon worden gevergd dat zij preventief een hazenwerend raster zou plaatsen. Aangezien de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat [appellante] niet minimaal twee van de vijf preventieve maatregelen, vermeld in de tabel, heeft toegepast, hetgeen volgens het Handboek in beginsel vereist is om voor een tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen, kan dit betoog, wat daar verder van zij, niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.4. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het Faunafonds heeft nagelaten te motiveren, waarom het niet overeenkomstig artikel 7, zesde lid, van de Regeling een verhoogd eigen risico heeft vastgesteld. Nu het Faunafonds, zoals hiervoor is overwogen, van het verlenen van een tegemoetkoming aan [appellante] mocht afzien, kan dit betoog evenmin leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.5. De beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

176-582.