Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
200808956/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring onrechtmatig vanaf de dag volgend op dag waarop de laatste daadwerkelijke handeling ter voorbereiding van de uitzetting is verricht.

Door op 4 december 2008 te oordelen dat de bewaring eerst na het verstrijken van een termijn van twee weken na het vertrekgesprek op 19 november 2008 onrechtmatig is geworden, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris vanaf 20 november 2008 geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting meer heeft verricht en sindsdien niet langer voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De bewaring is dan ook met ingang van die datum onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808956/1/V3.

Datum uitspraak: 9 februari 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 4 december 2008 in zaak nr. 08/41161 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 december 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris uit een oogpunt van voortvarendheid uiterlijk twee weken na het vertrekgesprek van 19 november 2008, dat wil zeggen op 3 december 2008, een volgende uitzettingshandeling had moeten verrichten en dat de bewaring van de vreemdeling na het verstrijken van deze termijn onrechtmatig is geworden.

Daartoe betoogt de vreemdeling onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden op het moment dat de staatssecretaris is opgehouden handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten, omdat deze op dat moment in feite heeft afgezien van zijn voornemen de vreemdeling gedwongen uit te zetten.

2.1.1. De vreemdeling is op 8 november 2008 in bewaring gesteld. Op 14 november 2008 is zijn dossier overgedragen aan de Dienst Terugkeer en Vertrek en is een regievoerder toegewezen. Op 17 november 2008 heeft de vreemdeling zelf contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM), die voor hem een laissez passer heeft aangevraagd. Op 19 november 2008 heeft de staatssecretaris een vertrekgesprek met hem gevoerd en op 2 december 2008 heeft de staatssecretaris telefonisch bij de IOM naar de voortgang van de aanvraag om afgifte van een laissez passer geïnformeerd.

2.1.2. In hoger beroep is niet bestreden dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. Evenmin is in geschil dat het telefoongesprek tussen de staatssecretaris en de IOM op 2 december 2008 niet kan worden aangemerkt als een handeling ter voorbereiding van de uitzetting.

Door op 4 december 2008 te oordelen dat de bewaring eerst na het verstrijken van een termijn van twee weken na het vertrekgesprek op 19 november 2008 onrechtmatig is geworden, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris vanaf 20 november 2008 geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting meer heeft verricht en sindsdien niet langer voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De bewaring is dan ook met ingang van die datum onrechtmatig.

De grief slaagt in zoverre.

2.2. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 2.1.2., het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 november 2008 van de staatssecretaris gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 20 november 2008 tot 4 december 2008, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 4 december 2008 in zaak nr. 08/41161;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 1.120,00 (zegge: eenduizend honderdtwintig euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2009

347-551.

Verzonden: 9 februari 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak