Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200803941/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de stichting Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (hierna: het Participatiefonds) een verzoek van de stichting Stichting Montessori Lyceum Herman Jordan (hierna: de stichting) om de uitkeringskosten, die voortvloeien uit het ontslag van een leerkracht uit vast dienstverband ten laste van het Participatiefonds te brengen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803941/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Montessori Lyceum Herman Jordan, gevestigd te Zeist,

appellante,

en

de stichting Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de stichting Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (hierna: het Participatiefonds) een verzoek van de stichting Stichting Montessori Lyceum Herman Jordan (hierna: de stichting) om de uitkeringskosten, die voortvloeien uit het ontslag van een leerkracht uit vast dienstverband ten laste van het Participatiefonds te brengen, afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het Participatiefonds het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juni 2008.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Gribling, juridisch adviseur, en [rector], en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. H.P. Coppens, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 96m, eerste lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (hierna: de WVO) stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het bedrag van de bekostiging waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft, vast op de som van de overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk verstrekte bekostiging en betaalde bedragen.

Ingevolge artikel 96o, derde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden op het in het eerste lid bedoelde bedrag eveneens in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 98b, eerste lid, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur als bedoeld in artikel 96o, derde lid.

2.2. Het Participatiefonds is de in artikel 98b, eerste en vierde lid, van de WVO bedoelde rechtspersoon. Het heeft voor het schooljaar 2005-2006 het "Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs voor het schooljaar 2005-2006" (hierna: het Reglement) vastgesteld. Het Reglement is in werking getreden op 1 februari 2005 en heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2005.

Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van het bevoegd gezag verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.2 vindt de toetsing trapsgewijs plaats. Eerst wordt de vermijdbaarheid van het ontslag op grond van de door het bevoegd gezag aangegeven reden getoetst en vervolgens wordt de inspanning van het bevoegd gezag beoordeeld.

Ingevolge artikel 4.4, voor zover thans van belang, wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Omdat niet voor ieder soort ontslag eenzelfde inspanning kan worden verwacht, is bij iedere ontslaggrond aangegeven aan welke eisen het bevoegd gezag dient te voldoen. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I tot en met IV ondergebracht. De inspanningsverplichting bij ontslag uit een vast dienstverband is, wat betreft categorie IV-A "hulp bij behoud van werk, extern", voor zover thans van belang, onderverdeeld in:

1. extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

2. (vervallen)

3. voormelding bij het Participatiefonds of een door het Participatiefonds aangewezen reïntegratiebedrijf; of

4. aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

Ingevolge artikel 6.3 wordt een vergoedingsverzoek afgewezen, indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder e, voor zover thans van belang, kan ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid een grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek zijn. Bij een ontslag op grond van dit artikel dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting van artikel 4, categorie I, II, III en IV. Indien betrokkene volledig arbeidsongeschikt is verklaard (ontslag uit een vast dienstverband en 80-100% ziek volgens het Uitvoeringsinstituut Werknemensverzekering (hierna: het UWV)) verlangt het Participatiefonds geen inspanning als bedoeld in de categorieën II, III en IV.

2.3. Aan het besluit van 20 juni 2007, gehandhaafd in bezwaar, heeft het Participatiefonds ten grondslag gelegd dat de stichting, met betrekking tot het ontslag van de betrokken leerkracht uit vast dienstverband per 1 september 2005 wegens arbeidsongeschiktheid, niet heeft voldaan aan categorie IV-A van de inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 4 van het Reglement.

2.4. Niet in geschil is dat het ontslag van de betrokken leerkracht als onvermijdbaar kan worden aangemerkt en de stichting niet aan het vereiste van voormelding heeft voldaan.

2.5. Het standpunt van het Participatiefonds dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het een grond betreft die niet reeds in bezwaar is aangevoerd, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook overigens vloeit niet uit de wet of uit enig rechtsbeginsel voort dat gronden die niet expliciet in bezwaar werden aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven.

2.6. De stichting betoogt dat het Participatiefonds ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft voldaan aan de vereiste inspanningsverplichting. Zij voert hiertoe aan dat het UWV de betrokken leerkracht bij besluit van 29 november 2007 met terugwerkende kracht voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt heeft verklaard, zodat zij ingevolge artikel 9, aanhef en onder e, van het Reglement geen outplacement hoefde aan te bieden. De stichting voert voorts aan dat haar inspanningen kunnen worden gelijkgesteld met het aanbieden van outplacement. Zij wijst in dit verband op een gesprek dat op 13 mei 2005 heeft plaatsgevonden tussen de betrokken leerkracht en het reïntegratiebureau Adeux (hierna: het reïntegratiebureau).

2.6.1. Uit de stukken valt af te leiden dat de betrokken leerkracht vóórafgaand aan het door de stichting aangehaalde besluit van het UWV van 29 november 2007 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt was verklaard. Nu de betrokken leerkracht bij het besluit van 29 november 2007 met terugwerkende kracht tot 27 december 2005 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard, was zij, anders dan de stichting aanvoert, ten tijde van het ontslag op 1 september 2005 nog voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt bevonden. Hetgeen de stichting overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop is de vraag aan de orde of de stichting heeft voldaan aan haar verplichting tot het schriftelijk aanbieden van outplacement.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2007 in zaak nr. 200606432/1), dient de werkgever in het kader van het aanbieden van outplacement in de zin van het Reglement een substantiële inspanning te leveren bestaande uit een planmatige begeleiding door een derde van een met ontslag bedreigde werknemer bij het verwerven van een reguliere betrekking elders, waarbij een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt en een wezenlijke financiële inspanning van de werkgever kenmerkend zijn.

Uit de stukken, waaronder een brief van 24 mei 2007 van [naam] als rector van het Montessori Lyceum Herman Jordan, komt naar voren dat, nadat duidelijk was geworden dat interne herplaatsing van de betrokken leerkracht niet tot de mogelijkheden behoorde, het UWV de begeleiding naar externe plaatsing voor zijn rekening heeft genomen. Gelet hierop heeft het Participatiefonds zich terecht op het standpunt gesteld dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de betrokken leerkracht een substantiële inspanning tot outplacement heeft geleverd. Het door de stichting gestelde dat uit het gesprek dat het reïntegratiebureau met de betrokken leerkracht heeft gevoerd, bleek dat er geen mogelijkheden bestonden om een passende functie voor haar te vinden en het aanbieden van outplacement daarom in dit geval zinloos was, leidt, wat hier verder ook van zij, niet tot een ander oordeel, omdat die omstandigheid de noodzaak van verdere inspanningen niet wegnam. Het Participatiefonds heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de stichting niet heeft voldaan aan de vereiste inspanningsverplichting.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

164-506.