Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200804024/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: de raad) geweigerd de voorwaardelijke toevoeging ten behoeve van [belanghebbende] voor rechtsbijstand om te zetten in een definitieve toevoeging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804024/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

mr. D. Spek, kantoorhoudende te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 april 2008 in zaak nr. 07/4543 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: de raad) geweigerd de voorwaardelijke toevoeging ten behoeve van [belanghebbende] voor rechtsbijstand om te zetten in een definitieve toevoeging.

Bij besluit van 10 mei 2007 heeft de raad het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 12 december 2006 herroepen en de voorwaardelijke toevoeging voor rechtsbijstand omgezet in een definitieve toevoeging.

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op 21 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door mr. D. Spek, advocaat te Rotterdam, (hierna: Spek) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Spek bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 juli 2008.

De raad heeft bericht geen verweerschrift in te dienen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar Spek is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), zoals die wet luidde ten tijde van belang, verleent de raad een voorwaardelijke toevoeging, indien de aanvraag om verlening van rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang of het aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, verleent de raad geen definitieve toevoeging, indien op het moment van beëindiging van de zaak waarvoor een voorwaardelijke toevoeging is verleend, blijkt dat de financiële draagkracht van de aanvrager zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, voor zover thans van belang, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.

Ingevolge artikel 34a, vijfde lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gegeven voor de vaststelling van het voor de financiële draagkracht in aanmerking te nemen inkomen en vermogen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr), worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen:

a. schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van bezittingen als bedoeld in het vorige lid;

b. schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

2.2. Spek was de rechtshulpverlener van [belanghebbende] in een procedure ten behoeve waarvan bij besluit van 10 mei 2007 een definitieve toevoeging is verstrekt.

2.3. Bij besluit van 17 juni 2004 heeft de raad aan [belanghebbende] een voorwaardelijke toevoeging verleend voor rechtsbijstand ter zake van boedelscheiding en uitbetaling van tegoeden op twee geblokkeerde bankrekeningen.

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de raad geweigerd deze voorwaardelijke toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging, omdat het vermogen van [belanghebbende] de gestelde grenzen overschreed.

Bij besluit van 10 mei 2007 is dat besluit herroepen en alsnog een definitieve toevoeging aan [belanghebbende] verstrekt.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat voor [belanghebbende] een vermogensvrijstelling van € 22.500,00 geldt.

2.5. Spek betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende] na beëindiging van de rechtsbijstand over een vermogen beschikte dat de gestelde grens overschreed, zodat de raad de voorwaardelijke toevoeging voor rechtsbijstand ten onrechte heeft omgezet in een definitieve toevoeging. Hij voert hiertoe aan, samengevat weergegeven, dat [belanghebbende] op het moment van beëindiging van de rechtsbijstand als gevolg van het deblokkeren van twee bankrekeningen een vermogen van € 184.627,96 had. Voorts voert Spek aan, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat zowel de schuld van € 75.970,00 die [belanghebbende] bij haar dochter heeft als de schuld van € 20.000,00 die zij bij 't Regtshuis Advocaten heeft geen schuld is als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Bdr.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 februari 2003 in zaak nr. 200204613/1), is, indien het gaat om de vraag of een voorwaardelijke toevoeging in een definitieve toevoeging moet worden omgezet, het moment van beëindiging van de rechtsbijstand bepalend voor de vaststelling van het vermogen. In dit geval is dat het moment waarop [belanghebbende], haar voormalige [echtgenoot] en de desbetreffende bank een schikkingsovereenkomst met betrekking tot de tegoeden op twee geblokkeerde bankrekeningen hebben gesloten. Deze overeenkomst is uitgaande van de datum van de laatst daarop geplaatste handtekening op 30 juni 2006 tot stand gekomen. Nu in deze overeenkomst is vermeld dat partijen zijn overeengekomen dat de bank ten gunste van [echtgenoot] een bedrag van € 90.000,00 van de twee geblokkeerde rekeningen zal overboeken naar een derdenrekening en de bank het resterende saldo, bestaande uit een bedrag van € 94.627,96, ten gunste van [belanghebbende] zal overboeken naar een andere derdenrekening, is het standpunt van de raad dat [belanghebbende] ten tijde van het beëindigen van de rechtsbijstand over een vermogen van € 94.627,96 beschikte niet onjuist. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.2. De schuld van € 75.970,00 die [belanghebbende] bij haar dochter heeft, is door de raad aangemerkt als een schuld in de zin van artikel 9, tweede lid, onder b, van het Bdr. In de nota van toelichting bij dat artikel (Stb. 1994, 33) is vermeld dat hierbij kan worden gedacht aan persoonlijke leningen die moeten worden afgesloten in verband met ernstige ziekte of overlijden of in uitzonderlijke gevallen in verband met het volgen van een opleiding. In de door een notaris opgemaakte schuldbekentenis van 27 december 2005 is vermeld dat [belanghebbende] haar dochter een bedrag van € 75.970,00 is verschuldigd en dit bedrag onder andere betrekking heeft op kosten van de echtscheidingsprocedure, zoals advocaatkosten en vertalingskosten, overige advocaatkosten, buitengewone uitgaven, alsmede kosten voor noodzakelijke aanpassingen aan de woning van de dochter wegens de fysieke toestand van [belanghebbende]. Gelet op de verschillende soorten kosten, waaronder vertalingskosten en kosten voor het voeren van verschillende procedures, en de omstandigheid dat uit de stukken niet valt af te leiden wat de hoogte van de afzonderlijke kostenposten is, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom de gehele schuld die [belanghebbende] bij haar dochter heeft, dient te worden aangemerkt als een schuld als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder b, van het Bdr. De raad heeft eveneens onvoldoende gemotiveerd waarom de gehele schuld van [belanghebbende] bij 't Regtshuis Advocaten van € 20.000,00 dient te worden aangemerkt als een schuld in de zin van artikel 9, tweede lid, onder a, van het Bdr. Hierbij is in aanmerking genomen dat de raad in beroep bij de rechtbank heeft toegelicht dat op basis van de stukken niet is vast te stellen of deze schuld is aangegaan ter verkrijging van de tegoeden op de twee geblokkeerde bankrekeningen. Voorts is van belang dat Spek heeft gesteld dat hij, en niet 't Regtshuis Advocaten, [belanghebbende] heeft bijgestaan in de procedure ter verkrijging van die tegoeden, zodat de schuld bij dat kantoor betrekking heeft op een andere procedure.

2.5.3. Gezien het vorenoverwogene is niet duidelijk of het vermogen van [belanghebbende] ten tijde van het beëindigen van de rechtsbijstand de gestelde grens overschreed en kan het besluit op bezwaar niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 mei 2007 van de raad alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 april 2008 in zaak nr. 07/4543;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage van 10 mei 2007, kenmerk 70162;

V. gelast dat de raad voor de rechtsbijstand 's-Gravenhage aan D. Spek het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

164-506.