Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200804169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, hierna: de minister) voor [wederpartij] een betalingsregeling vastgesteld die inhoudt dat [wederpartij] met ingang van 25 december 2006 gedurende 12 maanden een bedrag van € 55,41 per maand dient te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804169/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 mei 2008 in zaak nr. 07/158 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, hierna: de minister) voor [wederpartij] een betalingsregeling vastgesteld die inhoudt dat [wederpartij] met ingang van 25 december 2006 gedurende 12 maanden een bedrag van € 55,41 per maand dient te betalen.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2008, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 juli 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De minister en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door M.G. Eckhardt, juridisch medewerker bij STV Advocaten te Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 29 juni 2004 heeft de minister, voor zover thans van belang, een bedrag van € 9.242,90 aan verkregen huursubsidie van [wederpartij] teruggevorderd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Bij besluit van 22 november 2006, gehandhaafd in bezwaar, heeft de minister, naar aanleiding van een door [wederpartij] aan hem gestuurd formulier Financiële Positie, het maandelijkse bedrag dat [wederpartij] voor de betaling van bovengenoemde schuld dient af te lossen vastgesteld op € 55,41.

2.2. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat zij van oordeel is dat dit niet zorgvuldig is voorbereid. Zij heeft hiertoe overwogen, samengevat weergegeven, dat de minister blijkens de stukken bij het vaststellen van het aflossingsbedrag voor [wederpartij] geen rekening heeft gehouden met het bedrag dat hij maandelijks aan premie ten behoeve van een ziektekostenverzekering dient te betalen.

2.3. De minister betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank hiermee heeft miskend dat hij volgens het door hem gevoerde beleid bij het vaststellen van aflossingsbedragen ten behoeve van betalingsregelingen geen rekening houdt met dergelijke vaste lasten, tenzij bijzondere persoonlijke omstandigheden daartoe nopen. Volgens de minister is niet gebleken van omstandigheden die in dit geval nopen tot afwijking van het gevoerde beleid.

2.3.1. Volgens het door de minister gevoerde beleid, dat naar hij heeft gesteld mede is ontleend aan artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: het WRv), wordt de individuele aflossingscapaciteit berekend aan de hand van het netto maandinkomen van betrokkene en diens eventuele partner. Hierbij wordt rekening gehouden met de aflossingsverplichtingen voor schulden die zijn ontstaan vóór het ontstaan van de desbetreffende huursubsidieschuld en wordt 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm in de zin van de Algemene bijstandswet (thans de Wet werk en bijstand) als bestaansminimum gehanteerd. Bij het bepalen van het aflossingsbedrag worden vaste lasten niet betrokken, tenzij bijzondere persoonlijke omstandigheden daartoe nopen.

Er bestaat geen grond om het door de minister gevoerde beleid niet redelijk te achten. Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals de minister heeft toegelicht, bij het vaststellen van de bijstandsnorm die de grondslag vormt voor het door de minister gehanteerde bestaansminimum reeds rekening is gehouden met bepaalde vaste lasten waaronder een premie voor de ziektekostenverzekering. Dat, zoals [wederpartij] heeft gesteld, in geval van beslaglegging de beslagvrije voet ingevolge artikel 475d van het WRv wordt verhoogd met de te betalen premie voor ziektekostenverzekering, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de omstandigheid dat het door de minister gevoerde beleid mede is ontleend aan dat artikel niet met zich brengt dat hij gehouden is dat artikel in zijn geheel toe te passen.

Blijkens het besluit op bezwaar is de aflossingscapaciteit van [wederpartij] in overeenstemming met één van de volgens het gevoerde beleid gehanteerde berekeningswijzen gesteld op 5% van het netto maandinkomen, omdat deze berekeningswijze tot de voor [wederpartij] meest gunstige uitkomst leidt. Voorts heeft de minister de reeds bestaande aflossingsverplichting van [wederpartij] voor een andere schuld in acht genomen. [wederpartij] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die nopen tot afwijking van het door de minister gevoerde beleid, zodat hij hieraan in dit geval in redelijkheid heeft kunnen vasthouden. Gelet hierop heeft de minister in redelijkheid kunnen besluiten dat [wederpartij] een bedrag van € 55,41 per maand dient te betalen, welk besluit hij bij het besluit op bezwaar mocht handhaven. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] derhalve ten onrechte gegrond verklaard en heeft het besluit van de minister van 30 januari 2007 ten onrechte vernietigd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 januari 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 mei 2008 in zaak nr. 07/158;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

164-506.