Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200805660/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van [gemachtigde], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [appellant], om [appellant] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805660/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[gemachtigde], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2008 in zaak nr. 07/7334 in het geding tussen:

[gemachtigde], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [appellant],

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van [gemachtigde], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [appellant], om [appellant] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft de minister het daartegen door [gemachtigde] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juni 2008, verzonden op 20 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [gemachtigde] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [gemachtigde] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 10 kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van, voor zover thans van belang, de termijn genoemd in artikel 11, vierde lid.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, voor zover thans van belang, wordt aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet deelde, op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend, indien het een onafgebroken periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft.

In de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is in de toelichting bij artikel 10 vermeld dat in uitzonderlijke gevallen er belangen kunnen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie, waarin het mogelijk moet zijn van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie. Voorts is in de Handleiding vermeld dat van artikel 10 slechts terughoudend gebruik dient te worden gemaakt. Uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.

2.2. Op 30 maart 2007 heeft [gemachtigde] ten behoeve van [appellant] een verzoek om hem het Nederlanderschap te verlenen ingediend. Dit verzoek is bij besluit van 12 juni 2007 afgewezen, omdat [appellant] niet voldoet aan de in artikel 11, vierde lid, van de RWN gestelde voorwaarde van toelating en hoofdverblijf gedurende een onafgebroken periode van drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek. Gebleken is dat [appellant] van 10 december 2004 tot 4 mei 2005 geen toelating heeft gehad in het Koninkrijk.

2.3. [gemachtigde] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het bepaalde in de "Regeling van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) van 22 februari 2007, houdende wijziging van de Algemene Ondermandaatregeling van het hoofd van de IND 2005 in verband met wijzigingen in de portefeuilleverdeling" (Stcrt. 2007, 39) het besluit van 16 augustus 2007 bevoegdelijk is genomen, nu op 6 april 2007 de ministeriële regeling "Taakomschrijving staatssecretaris van Justitie" (Stcrt. 2007, 67) in werking is getreden met terugwerkende kracht tot 22 februari 2007, waaruit blijkt dat de staatssecretaris van Justitie onder meer is belast met de aangelegenheden betreffende, voor zover thans van belang, vreemdelingenzaken. Blijkens laatstgenoemde regeling worden aangelegenheden betreffende de RWN niet gerekend tot het in de regeling genoemde beleidsterrein van vreemdelingenzaken, zodat besluiten in het kader van de RWN - anders dan [gemachtigde] stelt - niet namens de staatssecretaris van Justitie dienen te worden genomen.

2.4. Voorts betoogt [gemachtigde] dat de rechtbank eraan is voorbij gegaan dat de afwijzing van het verzoek om naturalisatie van [appellant], gelet op de door de IND verstrekte inlichtingen in de vreemdelingrechtelijke procedure van [appellant] over het ontstaan van een zogenoemd verblijfsgat door het niet tijdig verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens [gemachtigde] heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van 16 augustus 2007 in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.4.1. Door te overwegen dat het handelen van de IND niet ter toetsing staat in deze zaak, dit handelen had kunnen worden aangevochten in de vreemdelingrechtelijke procedure maar dat [gemachtigde] in die procedure geen rechtsmiddelen heeft aangewend, hetgeen voor haar rekening en risico komt, heeft de rechtbank een afdoende gemotiveerd oordeel gegeven over hetgeen [gemachtigde] heeft aangevoerd omtrent het handelen van de IND.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van 16 augustus 2007 niet zorgvuldig is voorbereid dan wel niet deugdelijk is gemotiveerd, nu de minister in dit besluit de handelwijze van de IND in zijn beoordeling heeft betrokken en er terecht op heeft gewezen dat reeds in het besluit van 14 juli 2005 in de vreemdelingrechtelijke procedure is medegedeeld dat een verblijfsgat gevolgen kan hebben voor een eventuele vervolgprocedure, zoals een verzoek om naturalisatie. Dat dit niet tot de door [gemachtigde] gewenste ongedaanmaking van het verblijfsgat heeft geleid, maakt niet dat de minister een gebrek aan het besluit van 16 augustus 2007 valt te verwijten.

Het betoog faalt.

2.5. [gemachtigde] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat de door haar aangevoerde omstandigheden niet bijzonder zijn en zij dat oordeel niet in de aangevallen uitspraak heeft geëxpliciteerd. Evenmin heeft de rechtbank gemotiveerd waarom de aangevoerde omstandigheden niet bijzonder zijn noch heeft zij onderkend dat de minister zich in het besluit van 16 augustus 2007 ongemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het aangevoerde niet bijzonder is, aldus [gemachtigde].

Voorts stelt [gemachtigde] dat de rechtbank een te beperkte uitleg aan artikel 10 van de RWN heeft gegeven, omdat individuele belangen en omstandigheden hierbij evenzeer een rol spelen. Zij stelt dat in dit geval sprake is van redenen van humanitaire aard, welke gelegen zijn in de lange duur dat [appellant] reeds in Nederland verblijft, de banden die [appellant] en zijn familie met Nederland hebben opgebouwd, de omstandigheid dat zij in hun eigen onderhoud voorzien, [appellant] de Nederlandse taal beheerst en volledig is ingeburgerd en de omstandigheid dat [appellant] voor bepaalde scholings- en beroepsmogelijkheden slechts in aanmerking komt nadat hij het Nederlanderschap zal hebben verkregen. In dit verband wijst [gemachtigde] tevens op een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 oktober 2006, waarin is overwogen dat de periode waarin een vreemdeling in afwachting is van een beslissing op zijn aanvraag alsnog kan meetellen voor de berekening van de periode van toelating en hoofdverblijf, indien vergunning wordt verleend met ingang van de datum van de aanvraag.

[gemachtigde] stelt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voormeld besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in samenhang met artikel 3:4 van de Awb, nu hierin niet alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen zijn betrokken.

2.5.1. Hoewel de klacht dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd dat en waarom de door haar aangevoerde omstandigheden niet bijzonder zijn en dat individuele omstandigheden in dit verband een rol kunnen spelen, terecht is voorgedragen, leidt dit om de navolgende redenen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt, zoals in 2.1. is vermeld, van artikel 10 van de RWN slechts terughoudend gebruik te maken in geval van zeer bijzondere omstandigheden. De omstandigheden dat een persoon lange tijd in Nederland verblijft, in die tijd banden met Nederland heeft opgebouwd, volledig is ingeburgerd en zijn familie in eigen onderhoud voorziet, kunnen niet als zeer bijzonder worden aangemerkt. In de Handleiding is voorts vermeld dat de omstandigheden dat iemand volledig is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en dat door naturalisatie de kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt worden vergroot, als niet bijzonder worden aangemerkt.

De verwijzing van [gemachtigde] naar voormelde uitspraak van de rechtbank Dordrecht gaat eraan voorbij dat [appellant] in de periode van 10 december 2004 tot 4 mei 2005 niet in afwachting was van een beslissing op een aanvraag zodat een verblijfsgat is ontstaan.

Van strijdigheid van het besluit van 16 augustus 2007 met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb is voorts geen sprake, nu de minister in dit besluit - anders dan [gemachtigde] stelt - de door [gemachtigde] in bezwaar aangevoerde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.

2.6. Voorts betoogt [gemachtigde] dat, gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), een belangenafweging dient plaats te vinden tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid dan wel de afwijzing van het naturalisatieverzoek enerzijds en de persoonlijke belangen van [appellant] die zijn gediend met het in Nederland kunnen uitoefenen van zijn privéleven dan wel sociale leven anderzijds, waarbij in ieder geval dient te worden betrokken of er sprake is van bijzondere omstandigheden of een objectieve belemmering om het privé- dan wel sociale leven in Nederland zonder naturalisatie uit te oefenen. Van belang is in dit verband volgens [gemachtigde] dat [appellant] al jaren in Nederland woont en hier zijn maatschappelijk bestaan heeft opgebouwd.

2.6.1. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt, heeft het besluit om het naturalisatieverzoek af te wijzen geen invloed op de uitoefening van het privé- of gezinsleven van [appellant] hier te lande, zodat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden.

Het betoog faalt derhalve.

2.7. Ten slotte betoogt [gemachtigde] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom, van het horen naar aanleiding van het ingediende bezwaar kon worden afgezien.

2.7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 12 juni 2007 en hetgeen [gemachtigde] daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen kon worden afgezien. Van een motiveringsgebrek op dit punt is geen sprake.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Prins

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

32-510.