Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200803916/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2009, 58 met annotatie van A. Tollenaar
ABkort 2009/95
JB 2009/94 met annotatie van M.A. Heldeweg
JOM 2009/281 met annotatie van M.A. Heldeweg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803916/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nrs. 07/3854 en 08/1215 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 12 maart 2007 herroepen en vervolgens opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend, onder aanvulling van de motivering ter zake van de vrijstelling.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 25 april 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 augustus 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 juni 2008.

Het college en [wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.A.A. van Wakeren, en het college, vertegenwoordigd door K. Voorn, M. Brink en E. van den Klinkenberg, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij], bijgestaan door mr. E.R. Koster, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het aanbrengen van een tweede bouwlaag in de vorm van een kap op een bestaande woninguitbreiding, die daardoor wordt verhoogd tot 5,8 meter. Voor zover de woninguitbreiding buiten het bouwblok is gesitueerd, is het daarop aanbrengen van de kap in strijd met het uitwerkingsplan "Meerwijk-west 1999" (hierna: het uitwerkingsplan). Om niettemin medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft het college vrijstelling verleend van het uitwerkingsplan met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro).

Het geschil beperkt zich tot het gedeelte van de voorziene kap, waarvoor de vrijstelling benodigd is.

2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de algemene afwijkingsmogelijkheid, geformuleerd in de inleiding van de door het college op 20 juni 2006 vastgestelde "Beleidsregels voor toepassing van artikel 19 lid 3 WRO bij woningen" (hierna: Beleidsregels), in strijd is met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2.1. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.2.2. Ingevolge artikel 4 van de Beleidsregels mogen zijaanbouwen en/of bijgebouwen worden gebouwd onder, voor zover thans van belang, de volgende voorwaarden:

4. de zijaanbouw mag niet meer dan 1 bouwlaag bevatten, die niet hoger mag zijn dan de 1e verdiepingsvloer;

6. de zijaanbouw moet worden uitgevoerd met een plat dak, (…).

2.2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan, voor zover thans van belang, in strijd is met artikel 4, aanhef en onder 4 en 6, van de Beleidsregels. Volgens de inleiding van de Beleidsregels worden verzoeken die niet passen binnen de Beleidsregels afzonderlijk beoordeeld, waarbij per geval wordt bekeken of de nieuwe ontwikkeling wenselijk en uit stedenbouwkundig oogpunt inpasbaar is.

Artikel 4:84 van de Awb staat er niet aan in de weg in de desbetreffende beleidsregels te voorzien in een zelfstandige mogelijkheid om van de in die regels gestelde voorwaarden af te wijken. De desbetreffende passage uit de Beleidsregels waarin die mogelijkheid is opgenomen is dan ook, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet in strijd met artikel 4:84 van de Awb. De in dat artikel opgenomen zogeheten inherente afwijkingsbevoegdheid ziet juist op niet voorziene bijzondere gevallen waarvoor de beleidsregels zelf geen ruimte bieden om daar rekening mee te houden. Daarvan is hier geen sprake. De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat afwijking van de in artikel 4, aanhef en onder 4 en 6, van de Beleidsregels gestelde algemene voorwaarden slechts mogelijk is op de voet van artikel 4:84 van de Awb.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg door [wederpartij] voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.4. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan wenselijk en uit stedenbouwkundig oogpunt inpasbaar is, zodat daarvoor in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan kon worden verleend. Het college heeft daarbij van doorslaggevende betekenis mogen achten dat tegen het bouwplan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening geen bezwaren bestaan, aangezien het bestemmingsplan een tweede bouwlaag over circa 11 meter in de vorm van een kap binnen het bouwvlak bij recht toestaat en het uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is die kap niet door te trekken naar het kleine gedeelte van de woninguitbreiding dat buiten het bouwvlak staat. Voorts heeft het college bij zijn besluitvorming mogen betrekken dat op het perceel Harlekijneend 7 een dakopbouw is gerealiseerd, die wat betreft afmetingen en ligging ten opzichte van de erfgrens vrijwel vergelijkbaar is met de in geding zijnde dakopbouw.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan het belang van [wederpartij] bij een ongehinderde lichtinval, bezonning en privacy en een onverminderd uitzicht vanuit zijn woning, noch aan de stedenbouwkundige karakteristiek van de directe omgeving. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit een aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde schaduwanalyse blijkt dat het bouwplan in het voor- en najaar slechts een marginale afname van de bezonning van de woning van [wederpartij] tot gevolg heeft. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene kap, voor zover in geding, van invloed is op het vrijstaande karakter van de woningen en het karakter van de straat, noch dat de bouw daarvan tot een aantasting van het uitzicht van [wederpartij] leidt.

2.5. Voor het bouwplan is op 15 januari 2007 een voorwaardelijk positief welstandsadvies afgegeven. Daarin heeft de welstandscommissie gesteld dat materialen en detaillering dienen te worden afgestemd op het hoofdvolume. Niet is aannemelijk gemaakt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan.

2.6. Het beroep van [wederpartij] is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Niettemin brengt een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State met zich dat het door [appellant] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2008 in zaak nrs. 07/3854 en 08/1215;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

392.