Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200802037/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Edam-Volendam (hierna: de raad) op 21 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Zuidpolder-Oost, eerste partiële herziening 2007" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802037/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Edam-Volendam (hierna: de raad) op 21 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Zuidpolder-Oost, eerste partiële herziening 2007" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2008.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Hilversum, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, vergezeld door mr. M. Kes en E. Karregat, wethouders van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft een plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2006, zaak nr. 200508299/1 en de besluiten van het college van 12 december 2006 en 21 december 2006.

Ontvankelijkheid

2.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, tot een onevenredige aantasting van zijn uitzicht en tot een aantasting van het landelijke karakter van zijn resterende grond leidt en dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven, wordt als volgt overwogen.

Een aanwijzing van gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, betekent dat in geval door de raad tot onteigening zou worden besloten, de desbetreffende procedure op grond van artikel 85 van de onteigeningswet op een versnelde wijze kan worden gevolgd. Het door [appellant] gestelde verlies aan uitzicht en de aantasting van het landelijk karakter van zijn resterende grond is niet een gevolg van de aanwijzing ex artikel 13 WRO maar het gevolg van de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming "Woondoeleinden".

2.3. Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de bestemming "Woondoeleinden" steunt, naar hij ter zitting ook heeft erkend, evenwel niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doen zich voor. Het beroep van [appellant] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.5. [appellant] voert als procedureel bezwaar aan dat het verkavelingsplan niet ter inzage heeft gelegen. Volgens [appellant] heeft hij daarom niet kunnen reageren op het standpunt van de raad dat de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is, gerechtvaardigd is in verband met de verwerkelijking van de bestemming "Woondoeleinden".

2.5.1. [appellant] woont aan de [locatie] te [plaats]. Naast het huisperceel liggen twee percelen, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers […] en […]. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 2,3 hectare. Aan deze percelen is de bestemming "Woondoeleinden" met de nadere aanduidingen "deelgebied I", "deelgebied III" en "deelgebied V" toegekend. Ingevolge artikel IV van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, zijn deze gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor wonen, verkeersdoeleinden, speel- en groenvoorzieningen, waterlopen, sloten en vijvers en nutsvoorzieningen.

De percelen van [appellant] zijn aangewezen als gronden ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. In verband daarmee zijn deze gronden aangewezen op grond van artikel 13, eerste lid van de WRO, welke aanwijzing op een afzonderlijke kaart is aangegeven en in artikel VI van de voorschriften is verklaard.

2.5.2. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, wordt het ontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt ook het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. De bestemmingsplanprocedure wordt gekenmerkt door een getrapt stelsel, waarbij het inbrengen van zienswijzen en bedenkingen in beginsel een vereiste is om beroep in te kunnen stellen. Teneinde de betrokkenen in staat te stellen om tegen het plan, zoals dat door de raad is vastgesteld, gemotiveerd bedenkingen bij het college in te brengen, is vereist dat niet alleen het vastgestelde plan ter inzage wordt gelegd, doch tevens de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het vastgestelde plan.

2.5.3. Voor zover [appellant] betoogt dat het verkavelingsplan ter inzage had moeten worden gelegd teneinde te kunnen beoordelen of de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is gerechtvaardigd is, overweegt de Afdeling dat de aanwijzing is gebaseerd op een woonbestemming die meer omvat dan woningbouw. Of de gronden van [appellant] nu (geheel) in de verkavelingsschets zijn opgenomen of niet, is niet van belang, omdat ook voor de andere onder de bestemming "Woondoeleinden" begrepen functies de verwerving op korte termijn noodzakelijk kan zijn met het oog op de verwerkelijking van de bestemming.

Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verkavelingsplan niet een stuk is dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het plan.

2.6. [appellant] stelt voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover de desbetreffende percelen zijn aangewezen als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is. Daartoe voert hij aan dat de gemeente contractbreuk pleegt, de urgentie voor de aanwijzing ex artikel 13 van de WRO onvoldoende is aangetoond en dat het plan in zoverre in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.6.1. [appellant] bezat, naast de desbetreffende percelen, voorheen nog ruim 11 hectare grond, grenzend aan voornoemde percelen. Bij koopovereenkomst van 19 april 1996 heeft hij deze grond aan de gemeente verkocht.

De raad heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat uit de desbetreffende overeenkomst niet kan worden afgeleid dat de overige gronden nimmer door de gemeente verworven zouden worden.

2.6.2. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is de toegekende woonbestemming ter plaatse geen onderwerp meer van dit geding. Ter beoordeling staat uitsluitend of het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verwerkelijking van deze bestemming in de nabije toekomst nodig wordt geacht. Daarvoor is de inhoud van de koopovereenkomst, welke betekenis [appellant] daaraan ook toekent, niet van belang.

2.7. Met betrekking tot de aanwijzing op grond van artikel 13, eerste lid, van de WRO stelt de Afdeling voorop dat de toepassing van dit artikel in beginsel tot de beleidsvrijheid van de raad behoort. Dit neemt echter niet weg dat in de bestemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of de realisering van de toegekende bestemming uit planologisch oogpunt bezien urgent moet worden geacht.

2.7.1. In de plantoelichting is terzake van de aanwijzing van de gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, aangegeven dat de desbetreffende gronden een structurele positie in het plangebied innemen. Hier is onder meer een deel van de primaire (hoofd)ontsluitingsring ten behoeve van de ter plaatse te realiseren woningen gepland, aldus de toelichting. Daarbij is aangegeven dat de ring uitsluitend als gesloten ring aan zijn doel kan beantwoorden. Volgens de plantoelichting zijn de gronden derhalve noodzakelijk voor de aanleg van de wijkontsluitingsstructuur en zijn zij hierdoor van structureel belang voor het functioneren van de gehele wijk. Voorts is aangegeven dat realisering van het nieuwe woongebied urgent is.

De raad heeft in zijn schriftelijke reactie in dit verband aangegeven dat ten tijde van de voorbereiding van het bestemmingsplan "Zuidpolder-oost" een noodzakelijke nieuwbouwproductie was berekend van ongeveer 1200 woningen en dat als gevolg van de eerdere onthouding van goedkeuring aan de woonbestemming de geplande ontwikkeling niet tijdig van start kon gaan. Daarbij is aangegeven dat het woningtekort sindsdien onveranderd hoog is.

2.7.2. Volgens [appellant] is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de desbetreffende percelen woningbouw zal worden gerealiseer[appellant] verwijst in dat kader naar de zienswijzennota waarin is aangegeven dat de precieze inrichting van de desbetreffende gronden nog niet bekend is. Verder stelt hij dat een deel van de desbetreffende percelen buiten de grens van de deelgebieden valt, waardoor dat deel niet aangewezen is voor woningbouw. Bovendien ligt een deel van de desbetreffende gronden binnen de beschermingszone van de zeedijk, waarbinnen geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Volgens [appellant] is voorts onvoldoende gemotiveerd waarom de ontsluitingsring op een deel van de desbetreffende percelen dient te worden gerealiseerd, aangezien de ligging van de ontsluitingsring op de plankaart indicatief is aangeduid en bovendien uit verkeerskundig onderzoek blijkt dat de bestaande infrastructuur de toekomstige verkeersstromen aankan. Op grond hiervan stelt [appellant] dat de urgentie onvoldoende is onderbouwd.

2.7.3. Ter plaatse van een deel de percelen, aangewezen als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, is op de plankaart, voor zover thans van belang, de aanduiding "buitenbeschermingszone" opgenomen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften behorende bij het plan "Zuidpolder-Oost", is een buitenbeschermingszone, een op de plankaart aangegeven aanduiding/lijn die overeenkomt met de Keur van de dijkbeheerder en waarbinnen voor in de Keur beschreven activiteiten ontheffing van de dijkbeheerder vereist is. Ingevolge artikel 16 van de Keur gaat het daarbij om afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar of meer en het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Gelet op de aard van deze activiteiten heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat een deel van de desbetreffende gronden binnen de buitenbeschermingszone ligt, niet in de weg staat aan de verwerkelijking van de woonbestemming met de daarbij behorende voorzieningen ter plaatse.

De betrokken gronden maken voorts, anders dan [appellant] stelt, volledig deel uit van een op de plankaart als zodanig aangeduid "deelgebied". Het betreft de deelgebieden I, III en V.

Voor zover [appellant] betoogt dat niet alle gronden, aangewezen als gronden waarop artikel 13, eerste lid van de WRO van toepassing is, bebouwd mogen worden slaagt dat betoog niet, aangezien de bestemming "Woondoeleinden" ook voorziet in andere gebruiksmogelijkheden.

2.7.4. Ter plaatse van de desbetreffende percelen is voorts op de plankaart de aanduiding "ontsluitingsring (structurerend)" opgenomen.

Ingevolge artikel V, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften waarbij de "beschrijving in hoofdlijnen" als bedoeld in artikel 4 van het bestemmingsplan "Zuidpolder Oost" is herzien, wordt de verkeersstructuur vormgegeven door een ontsluitingsring die indicatief is weergegeven op de plankaart. Via de Harlingenlaan en een extra ontsluiting aan de oostzijde geeft deze aansluiting op de Dijkgraaf de Ruiterlaan.

De raad heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de hele wijk zodanig wordt ontworpen dat het niet mogelijk is de ring op een ander deel van het plan te realiseren. Daarbij is aangegeven dat de ontsluitingsring als hoofdontsluiting fungeert waarop afzonderlijke woonbuurten binnen het plangebied aangesloten zijn met als doel dat er verkeersluwe woonbuurten ontstaan, die behoudens de bewuste hoofdontsluitingsring, niet onderling met elkaar verbonden zijn. Verder is opgemerkt dat vergeleken bij het hele plangebied de oppervlakte van de aangewezen gronden weliswaar gering is maar dat de gronden wel noodzakelijk zijn om de totale geplande bebouwing en de ontsluiting ervan te kunnen realiseren. Dit standpunt komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

2.7.5. Voor zover [appellant], onder verwijzing naar de bladzijden 12 en 14 van de plantoelichting betoogt, dat uit verkeerskundig onderzoek blijkt dat de bestaande infrastructuur de toekomstige verkeersstromen kan verwerken en in zoverre geen noodzaak bestaat voor de ontsluitingsring, wordt overwogen dat het op de desbetreffende bladzijden van de plantoelichting aangehaalde onderzoek betrekking heeft op de bestaande wegen buiten het plangebied waarop de toekomstige wijkontsluitingswegen uitkomen. Anders dan [appellant] betoogt kan uit de desbetreffende bladzijden uit de plantoelichting niet worden afgeleid dat de wijkontsluitingsring zelf niet noodzakelijk zou zijn.

2.7.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verwerkelijking van de bestemming voldoende urgent moet worden geacht om de desbetreffende gronden aan te wijzen als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is.

2.7.7. [appellant] stelt voorts dat de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

2.7.8. Voor zover [appellant] in dat kader betoogt dat andere grondeigenaren in de Zuidpolder bij de verkoop van hun gronden een bouwvergunning in het vooruitzicht hebben gekregen, volgt hieruit niet dat de gronden van [appellant] in het voorliggende plan niet kunnen worden aangewezen als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is. Daarbij betrekt de Afdeling dat het [appellant], net als de andere grondeigenaren, vrijstond de desbetreffende percelen aan de gemeente te verkopen doch [appellant] er voor heeft gekozen dat niet te doen. In zoverre is niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen en dat de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO, van toepassing is, in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de aanwijzing van de desbetreffende percelen als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.8.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ter plaatse van de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers […] en […], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

429-525.