Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200803472/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2007 heeft de stichting Stichting Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds) het verzoek van de stichting Stichting Scholengroep Den Haag Zuid West (hierna: de stichting) om de kosten als gevolg van het ontslag van [betrokkene] ten laste te laten komen van het Participatiefonds afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803472/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Scholengroep Den Haag Zuid West, gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

de stichting Stichting Participatiefonds,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2007 heeft de stichting Stichting Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds) het verzoek van de stichting Stichting Scholengroep Den Haag Zuid West (hierna: de stichting) om de kosten als gevolg van het ontslag van [betrokkene] ten laste te laten komen van het Participatiefonds afgewezen.

Bij besluit van 11 april 2008 heeft het Participatiefonds het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2008.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. W. Lindeboom, advocaat te Den Haag, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. H.P. Coppens, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), zoals die wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, worden op de ingevolge artikel 96m van de WVO vastgestelde vergoeding in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de WVO, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

Ingevolge artikel 98b, eerste lid, van de WVO, voor zover hier van belang, is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge artikel 98b, vierde lid, van de WVO, voor zover hier van belang, stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 96o, derde lid.

2.2. Het Participatiefonds is de in artikel 98b, eerste en derde lid, van de WVO bedoelde rechtspersoon. Het heeft voor het schooljaar 2004-2005 het "Reglement participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs voor het schooljaar 2004-2005" (hierna: het Reglement) vastgesteld. Het Reglement heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2005. Het Reglement is in werking getreden op 1 februari 2004 en is voor onbepaalde tijd van kracht.

2.3. Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van het bevoegd gezag verwacht mag worden ter voorkoming van werkeloosheid, respectievelijk om instroom in een werkeloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.4, voor zover van belang, wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in dat artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Er is dan immers onvoldoende aangetoond dat instroom in de werkeloosheidsregelingen in dergelijke gevallen niet te vermijden is geweest. De inspanningsverplichting is in categorieën ondergebracht. In de categorie hier van belang, categorie IV-A, welke ziet op ontslag uit een vast dienstverband, behelst de inspanningsverplichting

1. extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs ); en

2. ondersteunen van betrokkene bij het zoeken naar een andere functie; en

3. inschakelen CWI of voormelding bij Loyalis Mens en Werk.; of

4. aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen

1 tot en met 3 van deze categorie).

Het bevoegd gezag informeert het Participatiefonds schriftelijk op welke wijze aan de inspanningsverplichting is voldaan.

In de toelichting bij deze bepaling is met betrekking tot de inspanningsverplichting onder 2 vermeld dat onder andere de volgende voorbeelden kunnen worden genoemd:

1 uren vrijroosteren om betrokkene de gelegenheid te geven te solliciteren;

2 het afgeven van referenties;

3 betrokkene aanbieden van hulp.

2.4. Bij brief van 27 maart 2007 heeft de stichting aan het Participatiefonds de beëindiging van het vast dienstverband van betrokkene per 1 september 2004 gemeld op grond van artikel 9, aanhef en onder f, van het Reglement en verzocht om de kosten als gevolg van dat ontslag ten laste te laten komen van het Participatiefonds.

Het Participatiefonds heeft bij brief van 7 mei 2007 de stichting te kennen gegeven dat haar verzoek onvolledig is en haar verzocht afschriften van documenten over te leggen waaruit blijkt dat de stichting:

- voor betrokkene heeft gezocht naar een passende functie elders en

- betrokkene heeft ondersteund bij het zoeken naar een andere functie en

- betrokkene heeft verwezen naar het CWI dan wel de voormelding dreigend ontslag heeft gedaan, of

- betrokkene een outplacementtraject heeft aangeboden.

De stichting heeft bij brief van 9 mei 2007 aan het Participatiefonds medegedeeld dat alle gegevens reeds in het bezit van de uitvoeringsorganisatie van het Participatiefonds zijn.

Het Participatiefonds heeft het verzoek van de stichting afgewezen, omdat de stichting niet heeft voldaan aan de in artikel 4.4, categorie IV-A, van het Reglement neergelegde inspanningsverplichting, in het bijzonder omdat de stichting geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het bevoegd gezag voor betrokkene heeft gezocht naar een passende functie buiten het onderwijs of bij een bevoegd gezag elders en betrokkene heeft ondersteund bij het zoeken naar een andere functie, dan wel een outplacement heeft aangeboden.

Het bestreden besluit van 11 april 2008 strekt tot handhaving van de afwijzing.

2.5. Ter zitting heeft het Participatiefonds aangegeven dat, in het licht van de door het Algemeen bestuur op 6 januari 2005 aanvaarde notitie van 29 december 2004 van het bestuursbureau, nr. ABPF04/116, waarin is gesteld dat de inspanningsverplichting betrokkene te ondersteunen bij het zoeken naar een andere functie niet controleerbaar is en door de schoolbesturen als vanzelfsprekend wordt beschouwd, het niet voldoen aan deze inspanningsverplichting niet langer als weigeringsgrond wordt gehandhaafd. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de stichting aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor betrokkene extern een passende functie heeft gezocht.

2.6. De stichting betoogt dat het Participatiefonds zich, gelet op de uitvoeringspraktijk en de totstandkomingsgeschiedenis van het Reglement, ten onrechte op het standpunt stelt dat de stichting het nakomen van de inspanningsverplichting aannemelijk dient te maken door middel van schriftelijke stukken.

2.6.1. De stichting kan worden toegegeven dat uit het Reglement hier aan de orde niet volgt dat slechts aan de hand van schriftelijke stukken aannemelijk gemaakt kan worden dat het bevoegd gezag aan de inspanningsverplichtingen heeft voldaan. Het is evenwel ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het Reglement wel aan de stichting om aannemelijk te maken dat het bevoegd gezag heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting. Dat kan in het concrete geval betekenen dat schriftelijke stukken overgelegd moeten worden.

Bij de aanvraag noch naar aanleiding van de brief van het Participatiefonds heeft de stichting gesteld dat het bevoegd gezag extern een passende functie voor betrokkene heeft gezocht, al dan niet door middel van inschakeling van een mobiliteitscentrum/arbeidspool dan wel door middel van het zelf zoeken bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs. In bezwaar heeft de stichting verklaard dat telefonisch contact is opgenomen met collega schoolbesturen over het dreigende ontslag van betrokkene en dat het ontslag ook aan de orde is gesteld in overlegsituaties. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de stichting bij brief van 30 november 2007 aan het Participatiefonds gemeld dat het bevoegd gezag in contacten met zijn toenmalige administratiekantoor "SCO Lucas" de naam van betrokkene heeft genoemd als kandidaat voor mogelijke vacatures binnen andere scholen die zijn aangesloten bij dat administratiekantoor.

Het Participatiefonds heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de verklaring in bezwaar dat telefonisch contact is opgenomen met collega schoolbesturen over het dreigende ontslag van betrokkene en het ontslag ook aan de orde is gesteld in overlegsituaties, zonder enig nader stuk, zoals bijvoorbeeld een telefoonnotitie, onvoldoende aannemelijk is geworden dat het bevoegd gezag deze inspanningen heeft verricht. Het Participatiefonds heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het enkele noemen van de naam van betrokkene als kandidaat voor mogelijke vacatures binnen andere scholen die zijn aangesloten bij het administratiekantoor SCO Lucas, onvoldoende is om te oordelen dat is voldaan aan het inspanningsvereiste dat het bevoegd gezag extern een passende functie zoekt. Het Participatiefonds heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat derhalve niet is voldaan aan het vereiste van artikel 4.4. categorie IV-A, onder 1, van het Reglement en de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

362.