Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH3208

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
200709043/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant B], voor zover thans van belang, vrijstelling te verlenen voor het aanleggen van een terreinverharding ten behoeve van het op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gevestigde bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709043/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/5764, 05/7829, 06/1518, 06/1657 en 06/5765 van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 november 2007 in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (hierna: het college) geweigerd aan [appellant B], voor zover thans van belang, vrijstelling te verlenen voor het aanleggen van een terreinverharding ten behoeve van het op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gevestigde bedrijf.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college het daartegen door

[appellant B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 januari 2006 heeft het college [appellant B] gesommeerd binnen twee weken na verzending van dit besluit gevolg te geven aan het besluit van 17 januari 2005 (lees: 12 januari 2005), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2003, waarbij [appellante A] onder oplegging van een dwangsom is gelast een einde te maken aan de illegale situatie op het perceel door, voor zover thans van belang, de terreinverhardingen te verwijderen en verwijderd te houden, ongegrond is verklaard.

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het college het daartegen door

[appellante A] en [appellant B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, alsmede de begunstigingstermijn gewijzigd.

Bij uitspraak van 13 november 2007, verzonden op 14 november 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [appellante A] en [appellant B] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 8 november 2005 en 2 juni 2006 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante A] en [appellant B] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [appellante A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. A. van Diermen, en het college, vertegenwoordigd door T.W.P. van den Berg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de geweigerde vrijstelling

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het gedeelte van het perceel waarop de reeds aangelegde terreinverharding zich bevindt de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Veehouderijbedrijf en open grond (Av)".

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor agrarische doeleinden met de subbestemming Av uitsluitend bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische productiebedrijven als bedoeld in artikel 1, dertiende lid, onder b, alsmede voor de instandhouding van de gronden als veenweidegebied.

Ingevolge artikel 1, dertiende lid, onder b, wordt onder een veehouderijbedrijf op open grond verstaan: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel met gebruikmaking van de open grond.

2.2. De aanleg van de terreinverharding is in strijd met artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, nu deze niet is aangelegd ten behoeve van een veehouderijbedrijf of voor het in stand houden van de gronden als veenweidegebied, maar ten behoeve van het op het perceel gevestigde potgrondbedrijf. Het college heeft geweigerd om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen.

2.3. [appellante A] en [appellant B] betogen terecht dat de rechtbank voor haar oordeel dat het college in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen weigeren, ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 28 december 2005 in zaak nr. 200502940/1. Die uitspraak heeft betrekking op de oplegging van een last onder dwangsom tot het verwijderen van de terreinverharding. Daarin is, ter beoordeling of er ten tijde van het toen bestreden besluit concreet zicht op legalisatie bestond, geoordeeld dat de weigering van het college om vrijstelling voor de terreinverharding te verlenen niet op voorhand onredelijk kan worden geacht. De vraag of de bij het thans bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek om vrijstelling de toetsing in rechte kan doorstaan, is eerst in deze procedure ten volle aan de orde. Dit betoog leidt echter, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot het daarmee beoogde doel.

2.4. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitbreiding ten behoeve van een potgrondbedrijf in het open buitengebied niet past in het gemeentelijk beleid, dat gericht is op het behoud van het aanwezige open en groene gebied. Anders dan [appellante A] en [appellant B] betogen, heeft de terreinverharding wel een ruimtelijke uitstraling, nu deze zal worden gebruikt voor het opslaan van potgrond.

In de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan is vermeld dat binnen de grenzen van het provinciale beleid vrijstelling kan worden verleend voor uitbreiding van bedrijven. Anders dan [appellante A] en [appellant B] betogen, betekent dit niet dat het college niet binnen deze grenzen vrijstelling mag weigeren op grond van een nadere afweging van de belangen betrokken bij een voorliggend verzoek.

Anders dan [appellante A] en [appellant B] betogen, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft mogen weigeren mee te werken aan de door hen voorgestelde grondruil, nu de gronden waarop de terreinverharding is aangelegd nog gebruikt kunnen worden overeenkomstig de daarop rustende agrarische bestemming. Ook biedt de in artikel 29, vijfde lid, van de planvoorschriften opgenomen zogenoemde toverformule geen uitkomst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 december 2005 in zaak nr. 200502940/1) ziet dit voorschrift niet op vormen van gebruik waarvoor een aanlegvergunning is vereist. Voorts bestaat geen grond voor een oordeel omtrent de vraag of het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties voor de huisvesting van het potgrondbedrijf, nu het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd.

Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de planologische belangen bij de weigering vrijstelling te verlenen zwaarder heeft mogen laten wegen dan de economische belangen van [appellante A] en [appellant B] bij het verlenen daarvan.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het college in redelijkheid de gevraagde vrijstelling voor de terreinverharding heeft kunnen weigeren.

2.5. [appellante A] en [appellant B] betogen terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op hun betoog dat de van toepassing zijnde bestemmingsplanregeling buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook dit betoog leidt echter, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot het daarmee beoogde doel.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200305490/1), laat deze bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als een zodanige regulering en bij de vaststelling daarvan komt de betrokken autoriteiten een grote mate van beleidsvrijheid toe. Hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat bij de vaststelling van de in geding zijnde bestemming het in voormeld artikel vervatte recht op ongestoord genot van eigendom niet is betrokken, noch voor het oordeel dat die bestemming niet in overeenstemming is met dit artikel.

2.6. Het betoog van [appellante A] en [appellant B] dat de terreinverhardingen op grond van het overgangsrecht in stand kunnen worden gelaten, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 december 2005 in zaak nr. 200502940/1), is het overgangsrecht hier niet van toepassing, daar het uitsluitend van betekenis is voor die vormen van gebruik die niet onder het aanlegvergunningstelsel vallen. In hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben betoogd, ziet de Afdeling geen grond om hier thans anders over te oordelen.

Ten aanzien van de last onder dwangsom

2.7. [appellante A] en [appellant B] betogen dat [appellant B] ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat alleen [appellante A] de terreinverhardingen heeft doen realiseren en derhalve alleen zij als overtreder kan worden aangemerkt.

2.7.1. Dit betoog faalt. Ter zitting hebben [appellante A] en [appellant B] bevestigd dat [appellant B] directeur en enig aandeelhouder is van [maatschappij], die enig aandeelhouder en bestuurder is van [appellante A]. Nu [appellant B] het in voormelde hoedanigheid feitelijk in zijn macht heeft om aan de overtreding een einde te maken, is hij terecht als overtreder aangemerkt.

2.8. [appellante A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 27 januari 2006 niet alleen betrekking heeft op de verlenging van de begunstigingstermijn, maar dat aan dit besluit ook een heroverweging vooraf is gegaan. Voorts stellen zij dat sprake is van veranderde omstandigheden die een heroverweging rechtvaardigen van het eerdere besluit van 12 januari 2005, waarbij de bij besluit van 22 augustus 2003 opgelegde last onder dwangsom is gehandhaafd.

2.8.1. Dit betoog faalt. Het besluit van 12 januari 2005 is door de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2005 in zaak nr. 200502940/1 in rechte onaantastbaar geworden. Het besluit van 2 juni 2006 bevat geen heroverweging van voormelde aanschrijving en kan slechts in rechte worden aangevochten voor wat betreft de daarin opgenomen nadere termijnstelling. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellante A] en [appellant B] dat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging, geen bespreking.

Een besluit tot verlenging van de termijn waarbinnen aan een last onder dwangsom dient te worden voldaan is, anders dan [appellante A] en [appellant B] betogen, een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu in hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen, was het college niet gehouden tot heroverweging van het besluit van 12 januari 2005. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.9. Het betoog van [appellante A] en [appellant B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de begunstigingstermijn van twee weken onredelijk kort is, faalt. Ingevolge artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb, voor zover thans van belang, wordt in het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De begunstigingstermijn van twee weken was een redelijke termijn om de vereiste maatregelen zelf uit te voeren. Anders dan [appellante A] en [appellant B] betogen, behoefde het college bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geen rekening te houden met de organisatorische problemen waarvoor het potgrondbedrijf zich gesteld zag als gevolg van het voldoen aan de last.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009

531.